Tijd: 19 e eeuw
Ruimte: België en Groot-Brittanië
Domein: sociaal en economisch
begrippen:
coalitieverbod: verbod voor een samenwerking of verbond tussen mensen (arbeiders).
de Wet-Le Chapelier: De Wet-Le Chapelier is een wet die is opgesteld tijdens de Franse
Revolutie en die gilden, vakbonden en stakingen verbood. Dit zorgde voor slechte
arbeidsomstandigheden, lage lonen en lange werktijden dus nadelig voor de arbeiders maar
ze konden niet verenigen.
paternalisme: is het idee dat "de rijke als goede huisvader moet zorgen voor de armen" Of
beter gezegd waarbij een machtigere of rijkere groep verantwoordelijkheid neemt voor het
welzijn van een zwakkere groep. Dit beperkte de vrijheid en gelijkheid voor de arbeiders.
werkboekje (livret): was een verplicht document waarin persoonlijke gegevens,
arbeidscontracten en verhuizingen stonden. Arbeiders moesten het altijd bij zich hebben;
zonder boekje konden ze geen werk vinden. Dit beperkte weeral de vrijheid van de
arbeiders. Als ze iets fout hadden gedaan stond dat er in.
Mutualiteit: Een mutualiteit is een organisatie die helpt met het terugbetalen van medische
kosten, zoals doktersbezoeken of medicijnen.
vakbond: Een vakbond is een organisatie die de rechten van werknemers beschermt en
hen helpt bij zaken zoals arbeidsomstandigheden, loon en werkzekerheid.
Rerum Novarum: Rerum Novarum is een beroemde encycliek van paus Leo XIII,
uitgegeven in 1891. Het behandelt de rechten van arbeiders, en roept op tot
rechtvaardigheid en respect voor de arbeiders. Er stond in dat er betere
werkomstandigheden nodig waren samen met een eerlijke beloning en bescherming voor de
arbeiders.
Encycliek: Een encycliek is een officiële brief van de paus aan de katholieken, waarin hij
zich uitspreekt over belangrijke onderwerpen, zoals sociale kwesties, geloof of morele
waarden.
Bourgeoisie: De bourgeoisie is de rijke, bezitters van fabrieken en bedrijven, die macht
hebben over de arbeidersklasse
Labourpartijen: Labourpartijen vechten voor de rechten van arbeiders, zoals betere lonen
en arbeidsomstandigheden.
, 1 De overheid en de sociale kwestie:
Eeuwenlang werden armoede en ongelijkheid aanvaard als het resultaat van een door God
gewilde sociale orde. Toen vond het paternalisme plaats. Niemand gaf eigenlijk om de
arbeiders.
Tijdens de Franse Revolutie werd de wet-Le Chapelier (1791) ingebracht en even later de
Combination Act (1799) dat in Engeland werd aangekondigd samen met het coalitieverbod
opgericht door Napoleon dat blijft bestaan tot (1866).
In het burgerlijk wetboek staat ook dat de werkgever ook op zijn woord moet worden geloofd
maar dat niet alleen even daarna wordt het wetboekje ingebracht ook wel het livret
genoemd. Deze twee dingen bleven bestaan tot 1883
In dit werkboekje stond:
- schulden
- fouten
Door de fabrieken hadden kleine ondernemingen geen kans.
Arbeiders werden ook vaak vervangen door machines, wat een oorzaak was voor vernieling
van de machines. Hierop volgde jammer genoeg de doodstraf. (Groot-Brittannië).
2 Intellectuele hervormers
Karl Marx was een van de bekendste hervormers en grondlegger van het socialisme.
Terwijl dat de liberalen tijdens de Franse Revolutie streefden voor vrijheid streefden de
socialisten voor gelijkheid.
Ze hadden een utopie (Een utopie is een ideale, perfecte samenleving).
Marx analyseert het kapitalisme in “Das Kapital”. Hij ziet dat de minderheid de meerderheid
onderdrukt.
kapitalistische samenleving = kapitalistische bourgeoisie buit arbeidersproletariaat uit.
De kapitalisten bezitten de grondstoffen en de productiemiddelen. Maar de winst komt van
de lage lonen die ze geven aan de arbeiders. Die winst creëert het kapitaal voor de
ondernemers.
Maar Marx denkt dat dit systeem zijn eigen ondergang in draagt. Hierdoor groeit de
verpaupering (verarming) en het aantal proletariërs met als gevolg dat de arbeiders in
opstand komen en het kapitalisme vervangen wordt door het socialisme. De klassen
verdwijnen, de producten komen in de handen van het proletariaat terecht en de staat is niet
meer belangrijk.