Human Biology
Hoofdstuk 2: Chemie van het leven
2.2 Water en leven
Water (H20) is het rijkste molecuul in levende organismen
o Polair molecuul (een kant, positief en een kant negatief)
→Elektronen (-) cirkelen rond O (zuurstof)
→ Zuurstof gaat lichtjes negatief worden.
→Hydrogenen (H) worden enigszins positief.
Polair molecuul: Lading binnen het molecuul niet gelijk verdeeld, één kant positieve lading, andere kant
negatieve lading
Apolair molecuul: Molecuul die geen verschil in ladingen hebben.
Waterstofbruggen
o Aantrekking van een positieve covalente gebonden waterstof aan een negatief atoom in de
buurt
o Meestal tussen waterstof (H) en zuurstof (O) of stikstof (N)
o Relatief zwakke hechting, kan gemakkelijk worden gebroken
Eigenschappen van water
o Vanwege waterstofbinding blijven watermoleculen aan elkaar kleven.
o Hoge warmtecapaciteit
→Een calorie is de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om de temperatuur van 1 gram
water 1 graad te verhogen (andere bindingen is dit de helft)
→De waterstofbruggen helpen water warmte te absorberen zonder een grote
temperatuurverandering.
o Water heeft een hoge verdampingswarmte
→omdat waterstofbruggen moeten worden gebroken voordat water kookt.
→ Hierdoor gaat het lichaam zweten
o Water is oplosmiddel voor polaire moleculen
Vanwege zijn polariteit vergemakkelijkt water chemische reacties.
→ Hydrofiel= Moleculen dat water aantrekken, neiging om op te lossen in water
→Hydrofoob (niet-polair)= moleculen die water afstonden zijn, slecht met water te
mengen.
o Watermoleculen zijn cohesief en adhesief
Cohesie verwijst naar het vermogen van watermoleculen om aan elkaar te kleven als
gevolg van waterstofbinding.
Adhesie verwijst naar het vermogen van watermoleculen om zich aan andere polaire
oppervlakken te hechten. Dit is het gevolg van de polariteit van water.
o Bevroren water is minder dicht (dense) dan vloeibaar water
Naarmate vloeibaar water afkoelt, komen de moleculen dichter bij elkaar.
Bij temperaturen onder 4 wordt waterstofbinding stugger maar ook meer open. Dit
betekent dat water expandeert als het 0 graden bereikt en bevriest. IJs is minder dicht dan
water, omdat de waterstofbindingen in ijs verder uiteen liggen dan de waterstofbruggen
van vloeibaar water.
Hoofdstuk 2: Chemie van het leven
2.2 Water en leven
Water (H20) is het rijkste molecuul in levende organismen
o Polair molecuul (een kant, positief en een kant negatief)
→Elektronen (-) cirkelen rond O (zuurstof)
→ Zuurstof gaat lichtjes negatief worden.
→Hydrogenen (H) worden enigszins positief.
Polair molecuul: Lading binnen het molecuul niet gelijk verdeeld, één kant positieve lading, andere kant
negatieve lading
Apolair molecuul: Molecuul die geen verschil in ladingen hebben.
Waterstofbruggen
o Aantrekking van een positieve covalente gebonden waterstof aan een negatief atoom in de
buurt
o Meestal tussen waterstof (H) en zuurstof (O) of stikstof (N)
o Relatief zwakke hechting, kan gemakkelijk worden gebroken
Eigenschappen van water
o Vanwege waterstofbinding blijven watermoleculen aan elkaar kleven.
o Hoge warmtecapaciteit
→Een calorie is de hoeveelheid warmte-energie die nodig is om de temperatuur van 1 gram
water 1 graad te verhogen (andere bindingen is dit de helft)
→De waterstofbruggen helpen water warmte te absorberen zonder een grote
temperatuurverandering.
o Water heeft een hoge verdampingswarmte
→omdat waterstofbruggen moeten worden gebroken voordat water kookt.
→ Hierdoor gaat het lichaam zweten
o Water is oplosmiddel voor polaire moleculen
Vanwege zijn polariteit vergemakkelijkt water chemische reacties.
→ Hydrofiel= Moleculen dat water aantrekken, neiging om op te lossen in water
→Hydrofoob (niet-polair)= moleculen die water afstonden zijn, slecht met water te
mengen.
o Watermoleculen zijn cohesief en adhesief
Cohesie verwijst naar het vermogen van watermoleculen om aan elkaar te kleven als
gevolg van waterstofbinding.
Adhesie verwijst naar het vermogen van watermoleculen om zich aan andere polaire
oppervlakken te hechten. Dit is het gevolg van de polariteit van water.
o Bevroren water is minder dicht (dense) dan vloeibaar water
Naarmate vloeibaar water afkoelt, komen de moleculen dichter bij elkaar.
Bij temperaturen onder 4 wordt waterstofbinding stugger maar ook meer open. Dit
betekent dat water expandeert als het 0 graden bereikt en bevriest. IJs is minder dicht dan
water, omdat de waterstofbindingen in ijs verder uiteen liggen dan de waterstofbruggen
van vloeibaar water.