Vragen deel 1:
1. Wat bestudeert de A&O psychologie?
A. De invloed van de organisatie op de werknemers
B. De interactie tussen werknemers en organisatie
C. De invloed van werknemers op de organisatie
D. Alle bovenstaande opties
2. Welke psychologische domeinen worden gebruikt in de A&O
psychologie?
A. Biologische psychologie, sociale psychologie, cognitieve psychologie,
persoonlijkheidspsychologie
B. Klinische psychologie, ontwikkelingspsychologie, sociale psychologie,
biologische psychologie
C. Cognitieve psychologie, sociale psychologie, educatieve psychologie,
persoonlijkheidspsychologie
D. Persoonlijkheidspsychologie, klinische psychologie, biologische
psychologie, culturele psychologie
3. Wat is een belangrijk element in de A&O psychologie?
A. De organisatie staat centraal
B. De werknemer staat centraal
C. De autoriteit staat centraal
D. De omgeving staat centraal
4. Wat toonde het experiment van Watson met Little Albert aan over
angst?
A. Angst is aangeleerd
B. Angst is aangeboren
C. Angst is een biologische reactie
D. Angst heeft geen invloed op gedrag
,5. Wat was de belangrijkste bevinding van het experiment van Milgram?
A. Mensen zijn altijd kritisch
B. Mensen volgen autoriteit zonder vragen
C. Mensen zijn niet in staat om anderen pijn te doen
D. Mensen zijn onafhankelijk in hun beslissingen
6. Welke ontwikkeling vond plaats in de Middeleeuwen die het sociale
leven beïnvloedde?
A. Digitalisering
B. Verstedelijking
C. Globalisering
D. Individualisering
7. Wie wordt vaak beschouwd als de grondlegger van de A&O
psychologie?
A. Carl Jung
B. Hugo Münsterberg
C. Sigmund Freud
D. B.F. Skinner
8. Wat was een belangrijk onderwerp in het boek 'Psychology and
industrial efficiency'?
A. Selectie van werknemers
B. Groepsdynamica
C. De impact van reclame
D. Emotionele intelligentie
9. Wat is een kenmerk van de beginperiode van de A&O psychologie?
A. Holistische benadering van gedrag
,B. Atomistische benadering van gedrag
C. Focus op groepsgedrag
D. Integratie van sociale psychologie
10. Wie ontwikkelde de eerste IQ-test voor kinderen in 1905?
A. Yerkes
B. Terman
C. Binet en Simon
D. McKeen Catell
11. Wat is de formule voor het berekenen van IQ volgens Binet en Simon?
A. Chronologische leeftijd / mentale leeftijd * 100
B. Mentale leeftijd + chronologische leeftijd
C. Mentale leeftijd / chronologische leeftijd * 100
D. Chronologische leeftijd - mentale leeftijd
12. Welke versie van de Yerkes-test was bedoeld voor analfabeten?
A. γ-versie
B. α-versie
C. β-versie
D. δ-versie
13. Wat is een kenmerk van het fordismekoncept?
A. Het gebruik van flexibele werkuren
B. De nadruk op creativiteit
C. Het lopende bandsysteem
D. Het vermijden van repetitieve taken
14. Wat is een mogelijke kritiek op het fordismemodel?
, A. Verhoogde werknemerstevredenheid
B. Betere samenwerking tussen werknemers
C. Fysieke problemen zoals RSI
D. Meer aandacht voor persoonlijke ontwikkeling
15. Wat is het doel van de time and motion studies van Gilbreth?
A. Het verminderen van de productiviteit
B. Het chronometreren van bewegingen
C. Het verhogen van de werkdruk
D. Het bevorderen van teamwork
16. Wat zijn satisfiers in de context van werktevredenheid?
A. Omgevingsfactoren zoals verlichting
B. Intrinsieke factoren zoals verantwoordelijkheden
C. Extrinsieke factoren zoals salaris
D. Sociale contacten op de werkvloer
17. Wat is een voorbeeld van een dissatisfier?
A. Een goede werkplek met comfortabele stoelen
B. De vrijheid om beslissingen te nemen
C. Een ongunstige temperatuur in de werkomgeving
D. Een uitdagende en interessante taak
18. Waarom zijn extrinsieke factoren niet voldoende voor
werktevredenheid?
A. Omdat ze alleen de basisbehoeften dekken
B. Omdat ze geen invloed hebben op de jobinhoud
C. Omdat ze altijd leiden tot ontevredenheid
D. Omdat ze alleen betrekking hebben op sociale contacten