Samenvatting CV stelsel: bloedvaten en bloedsomloop
Te kennen figuren: 13.8-13.15-13.16-13.18a-13.19-13.20-13-21-13.22-13.24
Terminologie:
- Baro-: druk
- Capillaris: haarvorming
- Manometer: instrument voor drukmeting
- Porta: poort
- Pulmo: long
- Pulsus: slag
- Saphenes: opvallend
- Skleros: hard
- Sphygmos: pols
- Vaso: vat
BOUW VAN DE BLOEDVATEN
- Wand van arteriën en venen => 3 lagen:
➔ Tunica interna/intima
Endotheellaag met onderliggende laag van bindweefsel met vooral elastische vezels
➔ Tunica media
Glad spierweefsel, in collagene en elastische vezels
➔ Tunica externa/adventitia
Koker bindweefsel rond bloedvat, soms vergroeid met aanliggend weefsel, geeft
stabilisatie
- Arteriën en venen:
➔ Lopen vaak naast elkaar
➔ Omgeven door bindweefselkoker (spierpomp)
➔ Arteriën:
Dikker wand (tunica media) bevat meer elastische en spiervezels- moeten hogere
drukken kunnen opvangen
Spiervezels: oiv sympatische gedeelte van autonoom zs, kunnen deze samentrekken
ARTERIËN
- Hart-elastische-gespierde arteriën-arteriolen-capillaire vaten
- Elastische arteriën:
➔ Veerkrachtige bloedvaten, diameter 2,5 cm
➔ Wand: meer elastische dan spiervezels, vangen druk op gedurende hartcyclus:
Systole: uitrekking van de vaten, drukstijging zwakt af
Diastole: drukdaling en vene plooit terug op oorspronkelijke vorm, drukdaling wordt
afgezwakt
- Gespierde arteriën: middelgrote arteriën:
➔ Vervoerd bloed naar skeletspieren en inwendige organen
➔ Diameter: 0,4 cm
➔ Meer glad spierweefsel en minder elastische vezels
➔ Heeft door contractie en dilatatie invloed op stroomsnelheid en bloeddruk
➔ Arteriolen:
, Diameter: 30 m
Tunica media bestaat uit 2 lagen gladde spiercellen
Invloed op stroomsnelheid en bloeddruk
CAPILLAIREN
- Enige uitwisselingsvaten:
➔ Nauw contact tussen cellen en capillairen
➔ Kleine diffusieafstand
➔ Vertraging van de flow (laminaire flow is doelstelling van RR) tijd voor uitwisseling
➔ Door diffusie, actief transport
Door endotheelcellen, spleten ertussen
- Opbouw capillair:
➔ Enkel tunica intima is aanwezig
➔ Diameter: 8 m
- Capillairnetten:
➔ Capillair is hier steeds onderdeel van
➔ Arteriële en veneuze zijde van een netwerk
- Arteriole – 10 capillairen – venulen – veneuze systeem
- Precapillaire sfincter:
➔ Ring van glad spierweefsel, werken cyclisch binnen het netwerk (vasomotie)
➔ Autonomie regeling via input van gemeten concentratie stoffen, opgeloste gassen
- Anastomose: verbinding tussen 2 buizen
- Arterioveneuze anastomose: omzeilt het capillair vaatnetwerk
VENEN
- Voert bloed terug naar het hart, indeling obv inwendige diameter:
- Venulen:
➔ Geen tunica media
➔ Diameter: kleiner dan 50 m
- Middelgrote venen:
➔ Diameter: 2-9mm
➔ Bevat glad spierweefsel
➔ Tunica adventitia: langwerpige bundels elastisch en collagene vezels
- Grote venen:
➔ Vena cava inferior
➔ Vena cava superior
- Venen:
➔ Dunne wand, minder onderhevig aan hoge drukken
➔ Retour in lichaamscirculatie ondervindt hinder oiv zwaartekracht
➔ Hulpmiddelen:
Kleppen in ledematen, verhinderen terugval bloed
Spierpomp
Adempomp:
➢ Inademing veroorzaakt negatieve druk in mediastinum
➢ Oprekking van VC en atria, grotere aanzuigingskracht, betere return
Bindweefselkoker rond arterie en vene
, FYSIOLOGIE VAN DE BLOEDSOMLOOP
- Primaire functie: handhaving van doorbloeding van capillairen in weefsels
- Normaal: doorbloeding gelijk aan HMV:
➔ Stijging HMV geeft stijging doorbloeding capillairen
➔ Daling HMV geeft daling doorbloeding capillairen
- Twee beïnvloedende factoren:
➔ Druk
Rechtevenredig
➢ Druk stijgt: doorbloeding stijgt
➢ Druk daalt: doorbloeding daalt
Vloeistoffen kunnen NIET samengedrukt worden
Vloeistofdruk wordt in alle richtingen verder geleid
Drukverschil: stroom van hoge druk naar lage druk
Hoe hoger drukverschil hoe groter de stroomsnelheid
Grootste drukverschil in GROTE bloedsomloop:
➢ Tussen aortastam en rechter atrium: 100 mmHg
➢ Duwt bloed door de arteriolen en capillaire vaatnetwerken
Drukverschil is nodig voor doorstroming
Drukverschil tussen aortastam en rechter atrium wordt bepaald door 3
componenten:
➢ De gemeten arteriële druk
➢ De capilaire druk
➢ De veneuze druk
➔ Weerstand
Omgekeerd evenredig
➢ Weerstand stijgt, doorbloeding daalt
➢ Weerstand daalt, doorbloeding stijgt
De kracht die zich tegen beweging verzet
In bloedvaten:
➢ RR moet totale perifere weerstand overwinnen
➢ Weerstand van arteriële systeem: perifere weerstand, veroorzaakt door:
1) Vaatweerstand
2) Viscositeit
3) Turbulentie
Te kennen figuren: 13.8-13.15-13.16-13.18a-13.19-13.20-13-21-13.22-13.24
Terminologie:
- Baro-: druk
- Capillaris: haarvorming
- Manometer: instrument voor drukmeting
- Porta: poort
- Pulmo: long
- Pulsus: slag
- Saphenes: opvallend
- Skleros: hard
- Sphygmos: pols
- Vaso: vat
BOUW VAN DE BLOEDVATEN
- Wand van arteriën en venen => 3 lagen:
➔ Tunica interna/intima
Endotheellaag met onderliggende laag van bindweefsel met vooral elastische vezels
➔ Tunica media
Glad spierweefsel, in collagene en elastische vezels
➔ Tunica externa/adventitia
Koker bindweefsel rond bloedvat, soms vergroeid met aanliggend weefsel, geeft
stabilisatie
- Arteriën en venen:
➔ Lopen vaak naast elkaar
➔ Omgeven door bindweefselkoker (spierpomp)
➔ Arteriën:
Dikker wand (tunica media) bevat meer elastische en spiervezels- moeten hogere
drukken kunnen opvangen
Spiervezels: oiv sympatische gedeelte van autonoom zs, kunnen deze samentrekken
ARTERIËN
- Hart-elastische-gespierde arteriën-arteriolen-capillaire vaten
- Elastische arteriën:
➔ Veerkrachtige bloedvaten, diameter 2,5 cm
➔ Wand: meer elastische dan spiervezels, vangen druk op gedurende hartcyclus:
Systole: uitrekking van de vaten, drukstijging zwakt af
Diastole: drukdaling en vene plooit terug op oorspronkelijke vorm, drukdaling wordt
afgezwakt
- Gespierde arteriën: middelgrote arteriën:
➔ Vervoerd bloed naar skeletspieren en inwendige organen
➔ Diameter: 0,4 cm
➔ Meer glad spierweefsel en minder elastische vezels
➔ Heeft door contractie en dilatatie invloed op stroomsnelheid en bloeddruk
➔ Arteriolen:
, Diameter: 30 m
Tunica media bestaat uit 2 lagen gladde spiercellen
Invloed op stroomsnelheid en bloeddruk
CAPILLAIREN
- Enige uitwisselingsvaten:
➔ Nauw contact tussen cellen en capillairen
➔ Kleine diffusieafstand
➔ Vertraging van de flow (laminaire flow is doelstelling van RR) tijd voor uitwisseling
➔ Door diffusie, actief transport
Door endotheelcellen, spleten ertussen
- Opbouw capillair:
➔ Enkel tunica intima is aanwezig
➔ Diameter: 8 m
- Capillairnetten:
➔ Capillair is hier steeds onderdeel van
➔ Arteriële en veneuze zijde van een netwerk
- Arteriole – 10 capillairen – venulen – veneuze systeem
- Precapillaire sfincter:
➔ Ring van glad spierweefsel, werken cyclisch binnen het netwerk (vasomotie)
➔ Autonomie regeling via input van gemeten concentratie stoffen, opgeloste gassen
- Anastomose: verbinding tussen 2 buizen
- Arterioveneuze anastomose: omzeilt het capillair vaatnetwerk
VENEN
- Voert bloed terug naar het hart, indeling obv inwendige diameter:
- Venulen:
➔ Geen tunica media
➔ Diameter: kleiner dan 50 m
- Middelgrote venen:
➔ Diameter: 2-9mm
➔ Bevat glad spierweefsel
➔ Tunica adventitia: langwerpige bundels elastisch en collagene vezels
- Grote venen:
➔ Vena cava inferior
➔ Vena cava superior
- Venen:
➔ Dunne wand, minder onderhevig aan hoge drukken
➔ Retour in lichaamscirculatie ondervindt hinder oiv zwaartekracht
➔ Hulpmiddelen:
Kleppen in ledematen, verhinderen terugval bloed
Spierpomp
Adempomp:
➢ Inademing veroorzaakt negatieve druk in mediastinum
➢ Oprekking van VC en atria, grotere aanzuigingskracht, betere return
Bindweefselkoker rond arterie en vene
, FYSIOLOGIE VAN DE BLOEDSOMLOOP
- Primaire functie: handhaving van doorbloeding van capillairen in weefsels
- Normaal: doorbloeding gelijk aan HMV:
➔ Stijging HMV geeft stijging doorbloeding capillairen
➔ Daling HMV geeft daling doorbloeding capillairen
- Twee beïnvloedende factoren:
➔ Druk
Rechtevenredig
➢ Druk stijgt: doorbloeding stijgt
➢ Druk daalt: doorbloeding daalt
Vloeistoffen kunnen NIET samengedrukt worden
Vloeistofdruk wordt in alle richtingen verder geleid
Drukverschil: stroom van hoge druk naar lage druk
Hoe hoger drukverschil hoe groter de stroomsnelheid
Grootste drukverschil in GROTE bloedsomloop:
➢ Tussen aortastam en rechter atrium: 100 mmHg
➢ Duwt bloed door de arteriolen en capillaire vaatnetwerken
Drukverschil is nodig voor doorstroming
Drukverschil tussen aortastam en rechter atrium wordt bepaald door 3
componenten:
➢ De gemeten arteriële druk
➢ De capilaire druk
➢ De veneuze druk
➔ Weerstand
Omgekeerd evenredig
➢ Weerstand stijgt, doorbloeding daalt
➢ Weerstand daalt, doorbloeding stijgt
De kracht die zich tegen beweging verzet
In bloedvaten:
➢ RR moet totale perifere weerstand overwinnen
➢ Weerstand van arteriële systeem: perifere weerstand, veroorzaakt door:
1) Vaatweerstand
2) Viscositeit
3) Turbulentie