Week 1
A.
Cursus → kwantitatief onderzoek → empirisch-analytische benadering
Wetenschappelijk onderzoek:
● Kennis over verschijnselen voor theorievorming
● Empirische uitspraken → zintuiglijk
● Systematische benadering → controleerbaar & repliceerbaar
● Voortbouwen op werk van voorgangers (cumulatief)
Wetenschap = systematische theorievorming
Fundamenteel wo vs praktijkgericht wo
- Fundamenteel
- Kennisprobleem
- Ontwikkeling/toetsing van theorieën
- Praktijkgericht
- Praktijkproblemen
- Besluitvorming
- Niet het probleem oplossen, maar kennis vergaren die gebruikt kan worden om
een oplossing te vinden
Onderscheid tussen fundamenteel wo en praktijkgericht wo best lastig te maken, zeker in
sociale wetenschappen
Empirische cyclus
Fundamenteel wo
1. Oberservatie
- Onderzoeker ontdekt kennisprobleem
2. Inductie
- Algemene uitspraken/theorieën zoeken en inlezen
- Globaal
3. Deductie
- Inzoomen op specifiek probleem
- Als het voor grote groep geldt, geldt het ook voor klein deel van de grote groep
- Hypothese vormen
- Specifiek → dus toetsbaar
4. Toetsing
5. Evaluatie
- Terugkijken op resultaten van toetsingsfase
- Conclusie
,Observatie → inductie: kwalitatief: ontwikkelen van theorieën
Deductie → toetsing: kwantitatief: nadruk op de toetsing
Theorie = een samenhangend stelsel van uitspraken waarmee empirische wetmatigheden
beschreven, verklaard of voorspeld kunnen worden
- Geen losstaande feiten
- Deductief-nomologisch model
- Specifiek afleiden van algemene situatie
- Logisch toetsbare hypotheses
Mixed methods → combinatie kwalitatief en kwantitatief
Methode afhankelijk van wat je wil onderzoeken → ene methode niet objectief beter dan ander
2 benaderingen:
1. Empirisch-analytisch
- Kwantitatief
- Nomothetische kennis → kennis waarin wetten geformuleerd worden
- Conclusie is generaliserend → voor hele populatie geldend
- Onderzoeker kijkt en observeert van buitenaf
- Derdepersoonsperspectief
2. Empirisch-interpretatief
- Kwalitatief
- Onderzoekers proberen te kijken vanuit ogen van persoon die ze onderzoeken
- Eerstepersoonsperspectief
Probleemstelling:
● Vraagstelling
○ Wat wil je weten?
● Doelstelling
○ Waarom?
● Theoretisch raamwerk
○ Conceptueel model → schematische weergave
○ Wat is er al bekend? → voorgaande onderzoeken
○ Gegevens:
■ Bestaand, vragenlijsten, observatie
Vraagstellingen:
- Beschrijvend
- Frequentievraag
- Hoeveel? Hoe vaak?
- Verschilvraag
- Groepen
- Voor-na
, - In welke mate/in hoeverre is er een verschil tussen …?
- Samenhangvraag
- In hoeverre is er een relatie tussen …?
- Voorspellend
- Causaal
- Verklarend
- Causaal
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen:
- Aansluiting bij probleem- en doelstelling
- Onderzoekbaar
- Bevat belangrijke kenmerken van onderzoek
- Antwoord meer dan ‘ja/nee’
Vermijden:
- ‘Waarom’ / ‘hoe komt het’ / ‘hoe kunnen we’ - vragen
- Ethische & esthetische vragen
- Ethisch: goed/fout
- Esthetisch: wat is mooi?
Onderzoekseenheden en -kenmerken
Onderzoekseenheden: op wie/wat heeft het betrekking?
- Benoemen in onderzoeksvraag
Onderzoekskenmerken: wat ga je meten?
- Ook in onderzoeksvraag
Operationaliseren = conpect omzetten naar concreet meetbare termen
Concept:
- Eenvoudig kenmerk
- 1 variabele
Construct
- Ingewikkeld kenmerk
- Abstract/complex begrip
- Meerdere variabelen
Onderzoeksmethoden ahv vb. lengte:
● Direct
○ Ik ben 195cm
● Indirect
○ Ik zou goed kunnen volleyballen
○ Ik neem twee traptreden tegelijk
○ Mijn voeten steken vaak uit mijn bed
A.
Cursus → kwantitatief onderzoek → empirisch-analytische benadering
Wetenschappelijk onderzoek:
● Kennis over verschijnselen voor theorievorming
● Empirische uitspraken → zintuiglijk
● Systematische benadering → controleerbaar & repliceerbaar
● Voortbouwen op werk van voorgangers (cumulatief)
Wetenschap = systematische theorievorming
Fundamenteel wo vs praktijkgericht wo
- Fundamenteel
- Kennisprobleem
- Ontwikkeling/toetsing van theorieën
- Praktijkgericht
- Praktijkproblemen
- Besluitvorming
- Niet het probleem oplossen, maar kennis vergaren die gebruikt kan worden om
een oplossing te vinden
Onderscheid tussen fundamenteel wo en praktijkgericht wo best lastig te maken, zeker in
sociale wetenschappen
Empirische cyclus
Fundamenteel wo
1. Oberservatie
- Onderzoeker ontdekt kennisprobleem
2. Inductie
- Algemene uitspraken/theorieën zoeken en inlezen
- Globaal
3. Deductie
- Inzoomen op specifiek probleem
- Als het voor grote groep geldt, geldt het ook voor klein deel van de grote groep
- Hypothese vormen
- Specifiek → dus toetsbaar
4. Toetsing
5. Evaluatie
- Terugkijken op resultaten van toetsingsfase
- Conclusie
,Observatie → inductie: kwalitatief: ontwikkelen van theorieën
Deductie → toetsing: kwantitatief: nadruk op de toetsing
Theorie = een samenhangend stelsel van uitspraken waarmee empirische wetmatigheden
beschreven, verklaard of voorspeld kunnen worden
- Geen losstaande feiten
- Deductief-nomologisch model
- Specifiek afleiden van algemene situatie
- Logisch toetsbare hypotheses
Mixed methods → combinatie kwalitatief en kwantitatief
Methode afhankelijk van wat je wil onderzoeken → ene methode niet objectief beter dan ander
2 benaderingen:
1. Empirisch-analytisch
- Kwantitatief
- Nomothetische kennis → kennis waarin wetten geformuleerd worden
- Conclusie is generaliserend → voor hele populatie geldend
- Onderzoeker kijkt en observeert van buitenaf
- Derdepersoonsperspectief
2. Empirisch-interpretatief
- Kwalitatief
- Onderzoekers proberen te kijken vanuit ogen van persoon die ze onderzoeken
- Eerstepersoonsperspectief
Probleemstelling:
● Vraagstelling
○ Wat wil je weten?
● Doelstelling
○ Waarom?
● Theoretisch raamwerk
○ Conceptueel model → schematische weergave
○ Wat is er al bekend? → voorgaande onderzoeken
○ Gegevens:
■ Bestaand, vragenlijsten, observatie
Vraagstellingen:
- Beschrijvend
- Frequentievraag
- Hoeveel? Hoe vaak?
- Verschilvraag
- Groepen
- Voor-na
, - In welke mate/in hoeverre is er een verschil tussen …?
- Samenhangvraag
- In hoeverre is er een relatie tussen …?
- Voorspellend
- Causaal
- Verklarend
- Causaal
Goede kwantitatieve onderzoeksvragen:
- Aansluiting bij probleem- en doelstelling
- Onderzoekbaar
- Bevat belangrijke kenmerken van onderzoek
- Antwoord meer dan ‘ja/nee’
Vermijden:
- ‘Waarom’ / ‘hoe komt het’ / ‘hoe kunnen we’ - vragen
- Ethische & esthetische vragen
- Ethisch: goed/fout
- Esthetisch: wat is mooi?
Onderzoekseenheden en -kenmerken
Onderzoekseenheden: op wie/wat heeft het betrekking?
- Benoemen in onderzoeksvraag
Onderzoekskenmerken: wat ga je meten?
- Ook in onderzoeksvraag
Operationaliseren = conpect omzetten naar concreet meetbare termen
Concept:
- Eenvoudig kenmerk
- 1 variabele
Construct
- Ingewikkeld kenmerk
- Abstract/complex begrip
- Meerdere variabelen
Onderzoeksmethoden ahv vb. lengte:
● Direct
○ Ik ben 195cm
● Indirect
○ Ik zou goed kunnen volleyballen
○ Ik neem twee traptreden tegelijk
○ Mijn voeten steken vaak uit mijn bed