Hoe zien de botten eruit?
Op je hoofd is de schedel
Bij je mond is de onderkaak
Op je schouder is het sleutelbeen
Net onder je schouder is je schouderblad
In het midden van je ribben is je borstbeen
De botjes rond je borst waar je er heel veel van hebt zijn je ribben
Het bovenste deel van je arm is je opperarmbeen
Onder je borst bij je buik zit de wervelkolom de wervelkolom heeft 7 halswervels, 12
borstwervels 5 lendenwervels en daaronder nog het heiligbeen en het staartbeen.
Rond je heupen zit je heupbeen
Je rechter deel van je onderarm het dikke gedeelte is je spaakbeen.
Het linker deel en het dunnere deel van je onderarm is je ellepijp.
Bij je hand zitten alle botjes van de hand.
Je bovenbeen wordt ook wel je dijbeen genoemd.
Bij je knieën zit je knieschijf om je knieën te beschermen.
Het linker dunne deel van je onderbeen heet je kuitbeen
En het rechterdeel wat dikkere deel heet je scheenbeen
En bij je voet zitten de botjes van de voet
De ribben zitten aan de borstwervels vast.
Het heiligbeen en staartbeen zijn vergroeide wervels.
Het heiligbeen zit aan de heupbeenderen vast.
De botjes van de hand bestaan uit: bovenaan de vingerkootjes. In het midden de
middenhandsbeentjes. En onderaan de handwortelbeentjes.
De botjes van de voet bestaan uit: bovenaan de teenkootjes. In het midden de
middenvoetsbeentjes. En onderaan de voetwortelbeentjes.
Samenvatting van de teksten
In je lichaam zitten 206 beenderen of botten. Samen vormen ze je skelet of beenderstelsel.
De botten in je hoofd vormen je schedel
, Je schedel wordt gedragen door de wervelkolom. Het borstbeen, de ribben en de wervels
waar de ribben aan vastzitten, vormen samen de borstkast. De wervelkolom loopt door je
romp naar beneden, tussen je heupbeenderen door. Je heupbeenderen horen bij je bekken.
Je armen en benen noem je ook wel je ledenmaten.
4 functies van het skelet: stevigheid geven. Zonder botten zou je lichaam in elkaar zakken.
Vorm geven. De vorm van je lichaam hangt af van de bouw van je skelet. Zo geven de
botten van je schedel vorm aan je hoofd. Bescherming geven. Delen van je skelet
beschermen kwetsbare organen, je schedel beschermt bijvoorbeeld je hersenen. Beweging
mogelijk maken. Aan botten zitten spieren vast. Dankzij de botten met spieren kun je
bewegen.
Het grootste deel van het bot bestaat uit beenweefsel. Beenweefsel bestaat uit beencellen,
die in ringen groeien. Dat maakt het bot stevig.
In het bot zitten ook bloedvaatjes en zenuwen. Via de bloedvaatjes krijgen de beencellen de
stoffen die ze nodig hebben en door de zenuwen kun je pijn voelen in je botten.
In het middenstuk van het bot zit een holle ruimte met beenmerg.
De beencellen maken een stevige stof met veel kalk en een beetje lijmstof. Die stof liggen
tussen de beencellen. Kalk maakt je botten hard en lijmstof een beetje buigzaam.
De langwerpige, ronde en dunne botten, zoals je dijbeen en opperarmbeen, heten
pijpbeenderen. In pijpbeenderen zit geel beenmerg, waarin vet opgeslagen wordt, er zijn
ook platte beenderen, bijvoorbeeld je heupbeenderen en borstbeen. In platte beenderen zit
rood beenmerg. Hierin worden je bloedcellen gevormd.
Het puntje van je neus en je oorschelp zijn zacht en buigzaam , ze bestaan uit kraakbeen.
Kraakbeenweefsel bestaat uit groepjes kraakbeencellen. Met daarin geleiachtige stof. Die
stof bestaat uit veel lijmstof en weinig kalk. Dus kraakbeen is precies andersom qua
verdeling van kalk en lijm. Kraakbeen is daardoor veel buigzamer dan een bot. Door
kraakbeen aan het uiteinde van een bot kun je makkelijker bewegen. Ribben zitten
bijvoorbeeld met kraakbeen aan het borstbeen vast. Waardoor je ribben flexibel worden en
meebewegen bij het ademen.
Het skelet van een pasgeboren baby bestaat bijna helemaal uit kraakbeen. Door alle lijmstof
is het babyskelet zo buigzaam, dat de baby zijn tenen in zijn mond kan doen. Het skelet is
wel erg buigzaam maar niet stevig. Baby’s kunnen nog niet rechtop staan, doordat de botten
in hun benen dan doorbuigen.
Als een baby ouder wordt verandert het kraakbeen in de botten langzaam in been. Dat
noem je verbening. Het skelet van jonge kinderen is al zo stevig, dat ze kunnen staan, lopen
en rennen. Doordat de botten nog veel lijmstof bevatten, zijn ze nog buigzaam en breken ze
niet snel. Door die buigzame botten zijn kinderen lenig en bewegen ze soepel.
De verbening van het skelet gaat tijdens het opgroeien verder. Er is dan alleen nog
kraakbeen te vinden vlak onder de uiteinden van de pijpbeenderen: de groeischijven.
Op je hoofd is de schedel
Bij je mond is de onderkaak
Op je schouder is het sleutelbeen
Net onder je schouder is je schouderblad
In het midden van je ribben is je borstbeen
De botjes rond je borst waar je er heel veel van hebt zijn je ribben
Het bovenste deel van je arm is je opperarmbeen
Onder je borst bij je buik zit de wervelkolom de wervelkolom heeft 7 halswervels, 12
borstwervels 5 lendenwervels en daaronder nog het heiligbeen en het staartbeen.
Rond je heupen zit je heupbeen
Je rechter deel van je onderarm het dikke gedeelte is je spaakbeen.
Het linker deel en het dunnere deel van je onderarm is je ellepijp.
Bij je hand zitten alle botjes van de hand.
Je bovenbeen wordt ook wel je dijbeen genoemd.
Bij je knieën zit je knieschijf om je knieën te beschermen.
Het linker dunne deel van je onderbeen heet je kuitbeen
En het rechterdeel wat dikkere deel heet je scheenbeen
En bij je voet zitten de botjes van de voet
De ribben zitten aan de borstwervels vast.
Het heiligbeen en staartbeen zijn vergroeide wervels.
Het heiligbeen zit aan de heupbeenderen vast.
De botjes van de hand bestaan uit: bovenaan de vingerkootjes. In het midden de
middenhandsbeentjes. En onderaan de handwortelbeentjes.
De botjes van de voet bestaan uit: bovenaan de teenkootjes. In het midden de
middenvoetsbeentjes. En onderaan de voetwortelbeentjes.
Samenvatting van de teksten
In je lichaam zitten 206 beenderen of botten. Samen vormen ze je skelet of beenderstelsel.
De botten in je hoofd vormen je schedel
, Je schedel wordt gedragen door de wervelkolom. Het borstbeen, de ribben en de wervels
waar de ribben aan vastzitten, vormen samen de borstkast. De wervelkolom loopt door je
romp naar beneden, tussen je heupbeenderen door. Je heupbeenderen horen bij je bekken.
Je armen en benen noem je ook wel je ledenmaten.
4 functies van het skelet: stevigheid geven. Zonder botten zou je lichaam in elkaar zakken.
Vorm geven. De vorm van je lichaam hangt af van de bouw van je skelet. Zo geven de
botten van je schedel vorm aan je hoofd. Bescherming geven. Delen van je skelet
beschermen kwetsbare organen, je schedel beschermt bijvoorbeeld je hersenen. Beweging
mogelijk maken. Aan botten zitten spieren vast. Dankzij de botten met spieren kun je
bewegen.
Het grootste deel van het bot bestaat uit beenweefsel. Beenweefsel bestaat uit beencellen,
die in ringen groeien. Dat maakt het bot stevig.
In het bot zitten ook bloedvaatjes en zenuwen. Via de bloedvaatjes krijgen de beencellen de
stoffen die ze nodig hebben en door de zenuwen kun je pijn voelen in je botten.
In het middenstuk van het bot zit een holle ruimte met beenmerg.
De beencellen maken een stevige stof met veel kalk en een beetje lijmstof. Die stof liggen
tussen de beencellen. Kalk maakt je botten hard en lijmstof een beetje buigzaam.
De langwerpige, ronde en dunne botten, zoals je dijbeen en opperarmbeen, heten
pijpbeenderen. In pijpbeenderen zit geel beenmerg, waarin vet opgeslagen wordt, er zijn
ook platte beenderen, bijvoorbeeld je heupbeenderen en borstbeen. In platte beenderen zit
rood beenmerg. Hierin worden je bloedcellen gevormd.
Het puntje van je neus en je oorschelp zijn zacht en buigzaam , ze bestaan uit kraakbeen.
Kraakbeenweefsel bestaat uit groepjes kraakbeencellen. Met daarin geleiachtige stof. Die
stof bestaat uit veel lijmstof en weinig kalk. Dus kraakbeen is precies andersom qua
verdeling van kalk en lijm. Kraakbeen is daardoor veel buigzamer dan een bot. Door
kraakbeen aan het uiteinde van een bot kun je makkelijker bewegen. Ribben zitten
bijvoorbeeld met kraakbeen aan het borstbeen vast. Waardoor je ribben flexibel worden en
meebewegen bij het ademen.
Het skelet van een pasgeboren baby bestaat bijna helemaal uit kraakbeen. Door alle lijmstof
is het babyskelet zo buigzaam, dat de baby zijn tenen in zijn mond kan doen. Het skelet is
wel erg buigzaam maar niet stevig. Baby’s kunnen nog niet rechtop staan, doordat de botten
in hun benen dan doorbuigen.
Als een baby ouder wordt verandert het kraakbeen in de botten langzaam in been. Dat
noem je verbening. Het skelet van jonge kinderen is al zo stevig, dat ze kunnen staan, lopen
en rennen. Doordat de botten nog veel lijmstof bevatten, zijn ze nog buigzaam en breken ze
niet snel. Door die buigzame botten zijn kinderen lenig en bewegen ze soepel.
De verbening van het skelet gaat tijdens het opgroeien verder. Er is dan alleen nog
kraakbeen te vinden vlak onder de uiteinden van de pijpbeenderen: de groeischijven.