Inhoudsopgave
Hoorcollege 1 Voorplantingsstelsel................................................................................................................ 1
Hoorcollege 2 Zwangerschap en ontwikkeling foetus...................................................................................12
Hoorcollege 3 Lactatie................................................................................................................................. 21
Hoorcollege 4 Groeidiagrammen.................................................................................................................. 28
Hoorcollege 5 groei en ontwikkeling............................................................................................................ 33
Hoorcollege 6 Ouder worden........................................................................................................................ 45
Hoorcollege 1 Voorplantingsstelsel
maandag 15 april 2019
13:24
1
,11.3.2 Glandotrope hormonen
De adenohypofyse maakt dit hormoon. Deze hormonen werken in op andere hormoonklieren in het
lichaam. Vier glandotrope hormonen zijn:
1. Thyroïdstimulerend hormoon (TSH, schildklier stimulerend hormoon). Dit hormoon zorgt ervoor
dat schildklierhormonen worden geproduceerd. De schildklierhormonen in het bloed werken
remmend op de TSH-productie in de adenohypofyse.
2. Adrenocorticotroop hormoon (ACTH, bijnierschors stimulerend hormoon). Deze bevordert de
aanmaak van cortiscosteroïden (schorshormonen). Deze remmen ook weer de ACTH-productie.
3. Follikelstimulerend hormoon (FSH). Bij de vrouw stimuleert dit hormoon de ontwikkeling van de
follikels in de eierstokken en bij de man bevordert het de vorming van zaadcellen in de zaadballen.
4. Luteïniserend hormoon (LH) en het interstitiële cellen stimulerend hormoon (ICSH). Deze zijn
chemisch elkaars evenbeeld. Bij de vrouw wordt gesproken van het LH hormoon. Deze stimuleert de
follikelrijping en vervolgens de ovulatie. Na de ovulatie stimuleert LH de ontwikkeling van het gele
lichaam uit de lege ei follikel. Bij de man is het ICSH hormoon, dit stimuleert de leydigcellen
(interstitiële cellen) in de zaadballen tot aanmaak van het mannelijke geslachtshormoon testosteron.
3 en 4 worden ook wel gonadotrope hormonen genoemd, omdat ze een stimulerende werking op de
mannelijke en vrouwelijke gonaden hebben, de zaadballen en eierstokken. De concentratie van deze
hormonen worden door middel van regelkringen met het negatieve terugkoppelingsmechanisme
binnen nauwe grenzen gehouden.
11.9 Geslachtsklieren
De gonaden (geslachtsklieren) zijn de ovaria (eierstokken) bij de vrouw en de testes (zaadballen) bij
de man. Deze bevatten ook endocrien weefsel dat een aantal hormonen aan het bloed afgeeft. De
ovaria maken oestrogenen en progesteron en de testes vormen androgenen. De productie en afgifte
wordt gereguleerd door de gonadotrope hormonen.
Oestrogenen
Hier zijn drie typen van: oestradiol, oestron en oestriol. Bij vruchtbare vrouwen speelt oestradiol de
belangrijkste rol. Oestrogenen stimuleren de groei en ontwikkeling van de primaire en secundaire
geslachtskenmerken bij de vrouw. Ook spelen deze een rol bij de menstruatie en bij de rijping van de
eicellen.
Progesteron
Deze is vooral betrokken bij de groei van het baarmoederslijmvlies. Wanneer geen eicel in de
baarmoeder innestelt, neemt de progesterongehalte af en wordt het baarmoederslijmvlies
afgestoten. Als er wel zwangerschap optreedt, zorgt het progesteron ervoor dat het
baarmoederslijmvlies goed doorbloed en intact blijft. Het wordt daarom ook wel
zwangerschaps(beschermend)hormoon genoemd.
Androgenen
Testosteron is het belangrijkste androgene hormoon. Deze stimuleert de ontwikkeling en groei van
de primaire en secundaire geslachtsorganen bij de man. Ook voor bevordering van de zaadcellen en
heeft invloed op de stofwisseling. Het stimuleert de eiwitaanmaak en de spiergroei bij veel plaatsen
in het lichaam. Dit is de anabole werking van testosteron. Daarom hebben mannen ook weer eiwit en
minder vet dan vrouwen.
15 Voorplantingsstelsel
15.1 Geslachtskenmerken
De typische vrouwelijke en mannelijke kenmerken worden geslachtskenmerken genoemd. De
primaire geslachtskenmerken zijn al bij de geboorte aanwezig. Bij de vrouw zijn dit: vulva, ovaria
2
,(eierstokken), tubae uterinae (eileiders), uterus (baarmoeder) en vagina. Bij de man zijn dit de penis,
testes (zaadballen), epididymes (bijballen), ducti deferentes (zaadleiders) en prostaat. De secundaire
geslachtskenmerken komen onder invloed van geslachtshormonen tijdens de groei tot ontwikkeling.
15.2 Vrouwelijke geslachtsorganen
De vrouwelijke geslachtsorganen (genitalia) liggen zowel inwendig als uitwendig. De genitalia externa
(uitwendige) liggen in de schaamstreek dit zijn vulva. De delen van de vulva zijn de grote en kleine
schaamlippen, de venusheuvel, de kittelaar en de voorhof. De genitalia interna bevinden zich in het
kleine bekken, dit zijn de eierstokken, de eileiders, de baarmoeder en de schede.
Vulva
Labia majora = grote schaamlippen, de bevatten in verhouding veel vetweefsel maar ook zweet, geur
en talgklieren.
Aan elke kant bevindt zich de bartholinklier, die bij seksuele prikkeling slijm afscheidt.
Perineum = bilnaad
Mons veneris = venusheuvel. Dit is een verdikking door de onderliggende symfyse en deels door een
grote hoeveelheid onderhuids vetweefsel.
Labia minora = kleine schaamlippen. Deze bevatten geen onderhuids vetweefsel. Ze sluiten de
vestibulum vaginae (voorhof) af. In de plooien en bij de kittelaar kan zich smegma ophopen, dit is een
witte substantie die bestaat uit afgestorven huidcellen en talg uit talgklieren in de huid van de
schaamlippen. Dit kan een ontsteking vormen.
De voorhof is bij vrouwen die nog maagd zijn afgesloten door het hymen (maagdenvlies).
De clitoris is enkele centimeters groot. Deze bestaat uit twee zwellichamen, die vanaf de symfyse
met een knik naar de voorhof lopen. Daar eindigen ze in een verdikking, de glans clitoridis ( de eikel
van de kittelaar).
Preputium clitoridis = voorhuid van de kittelaar.
Eierstokken
De beide ovaria (eierstokken) liggen intraperitoneaal links en rechts tegen de rand van het kleine
bekken, direct onder de bekkeningang. Deze produceren de vrouwelijke geslachtscellen en
vrouwelijke geslachtshormonen. Daarom worden deze de gonaden (geslachtsklieren) genoemd. Het
oppervlak hiervan bestaat uit eencellig epitheel, bedekt met peritoneum viscerale. Daarbinnen
bevindt zich bindweefsel dat in het centrum losmatig is en bloed- en lymfevaten en zenuwen bevat.
Cortex ovaria is het dichtere bindweefsel daar omheen. Hierin bevinden zich veel ei follikels in
verschillende rijpingsstadia.
Eifollikel = onrijpe eicel die wordt omgeven door een of meerdere lagen cellen (follikelcellen). De
eierstokken bevatten 400.000 eifollikels. Deze zijn er al voor de geboorte. Hiervan zullen 500 rijp
worden. De rijpe eicel barst open en stoot de eicel uit.
Ovulatie (eisprong) = het vrijkomen van een eicel
De follikelcellen van een rijpende eifollikel produceren oestrogeen, onder invloed van FSH uit de
adenohypofyse.
Graaffollikel = rijpe eifollikel die op het punt staat een eicel af te geven is met vocht gevuld blaasje.
Deze veranderd onder invloed van LH van uiterlijk en functie.
Corpus luteum = geel lichaam, eifollikel die dan een geel korrelige massa heeft. Is een kleine
hormoonklier die ook progesteron produceert. Als de eicel bevrucht vergaat het corpus luteum en
wordt er in de volgende menstruele cyclus een nieuwe eifollikel rijp.
Eileiders
De tuba uterina (eileider) is ongeveer 10 cm, grotendeels opgebouwd uit glad spierweefsel. Deze
vormt een open verbinding tussen het uitwendige milieu in de uterus en het inwendige milieu in de
buikholte. De binnenkant is bekleed met trilhaarepitheel en vertoont plooien in de lengterichting. Dit
zorgt voor een vloeistofstroming in de richting van de uterus.
3
, Baarmoeder
De uterus (baarmoeder) is een gespierd orgaan dat midden in het kleine bekken ligt. Het brede
koepelvormige deel boven de uitmondingen van de eileiders wordt de fundus uteri genoemd,
daaronder zit het corpus uteri (baarmoederlichaam). Dat het grootste deel van de uterus uitmaakt.
Cervix = baarmoederhals
Cavum uteri = baarmoederholte, holte in de baarmoeder, binnen fundes en corpus
Cervixkanaal, verbindt de baarmoederholte met de vagina.
Ostium uteri = baarmoedermond
Met uitzondering van de cervix ligt de uterus intraperitoneaal.
Endometrium = baarmoederslijmvlies, deze is dun, goed doorbloede bindweefsellaag, bedekt met
trilhaarepitheel en veel slijmkliercellen. Deze vergaat gedurende de menstruele cyclus veranderingen
in dikte en bouw.
Myometrium = spierwand, dit is de dikste laag van de baarmoederwand. Is opgebouwd uit glad
spierweefsel.
Perimetrium = de buitenste laag van de uterus.
Vagina
Bestaat uit drie lagen: slijmvlieslaag van meerlagig plaveiselepitheel, een gladde spierlaag en een laag
elastisch bindweefsel.
In de vagina leven de döderleinbacillen. Deze zetten voor hun energiestofwisseling glucose om in
melkzuur.
15.3 Mannelijke geslachtsorganen
Uitwendige: penis en de balzak met de zaadballen en de bijballen
Inwendige: zaadblaasjes, de cowperklieren en de prostaat
Penis
Radix penis = wortel
Corpus penis = penisschacht
De penis bevat drie zwellichamen. Elk zwellichaam is omgeven door een stevige bindweefselmantel.
Het dunste zwellichaam is het corpus spongiosum penis.
Cowperklieren produceren tijdens de paring slijm dat via dunne afvoergangen in de urethra
terechtkomt. De twee andere zwellichamen worden de corpora cavernosa penis genoemd.
Glans penis = eikel
Preputium penis = voorhuid
Ook de man produceert smegma. Dit bevindt zich vooral onder de voorhuid. Bij seksuele prikkeling
wordt de arteriële bloedtoevoer naar de zwellichamen sterk verhoogd. Tegelijk vernauwen de venen,
waardoor het bloed in de zwellichamen blijft zitten.
Zaadballen
Meervoud = testes
Enkelvoud = testis
Deze produceren de zaadcellen en een mannelijk hormoon. De testes liggen onder de symfyse in het
scrotum (balzak). De testis is verbonden met de buikholte door de funiculus spermaticus
(zaadstreng). Rond de zaadstreng en in de wand van het scrotum bevindt zich de m. cremaster. Deze
ontspant wanneer de temperatuur in of rond het scrotum oploopt.
In de zeer gespecialiseerde epitheel van de zaadbuisjes worden de spermatozoa (zaadcellen)
gevormd. Rijpe spermatozoa gaan via de zaadbuisjes naar een centraal punt van de testis, waar een
netwerk van kanaaltjes bevindt (rete testis).
Leydigcellen = interstiële cellen, deze liggen in het bindweefsel tussen de zaadbuisjes. Produceren
testosteron.
4
Hoorcollege 1 Voorplantingsstelsel................................................................................................................ 1
Hoorcollege 2 Zwangerschap en ontwikkeling foetus...................................................................................12
Hoorcollege 3 Lactatie................................................................................................................................. 21
Hoorcollege 4 Groeidiagrammen.................................................................................................................. 28
Hoorcollege 5 groei en ontwikkeling............................................................................................................ 33
Hoorcollege 6 Ouder worden........................................................................................................................ 45
Hoorcollege 1 Voorplantingsstelsel
maandag 15 april 2019
13:24
1
,11.3.2 Glandotrope hormonen
De adenohypofyse maakt dit hormoon. Deze hormonen werken in op andere hormoonklieren in het
lichaam. Vier glandotrope hormonen zijn:
1. Thyroïdstimulerend hormoon (TSH, schildklier stimulerend hormoon). Dit hormoon zorgt ervoor
dat schildklierhormonen worden geproduceerd. De schildklierhormonen in het bloed werken
remmend op de TSH-productie in de adenohypofyse.
2. Adrenocorticotroop hormoon (ACTH, bijnierschors stimulerend hormoon). Deze bevordert de
aanmaak van cortiscosteroïden (schorshormonen). Deze remmen ook weer de ACTH-productie.
3. Follikelstimulerend hormoon (FSH). Bij de vrouw stimuleert dit hormoon de ontwikkeling van de
follikels in de eierstokken en bij de man bevordert het de vorming van zaadcellen in de zaadballen.
4. Luteïniserend hormoon (LH) en het interstitiële cellen stimulerend hormoon (ICSH). Deze zijn
chemisch elkaars evenbeeld. Bij de vrouw wordt gesproken van het LH hormoon. Deze stimuleert de
follikelrijping en vervolgens de ovulatie. Na de ovulatie stimuleert LH de ontwikkeling van het gele
lichaam uit de lege ei follikel. Bij de man is het ICSH hormoon, dit stimuleert de leydigcellen
(interstitiële cellen) in de zaadballen tot aanmaak van het mannelijke geslachtshormoon testosteron.
3 en 4 worden ook wel gonadotrope hormonen genoemd, omdat ze een stimulerende werking op de
mannelijke en vrouwelijke gonaden hebben, de zaadballen en eierstokken. De concentratie van deze
hormonen worden door middel van regelkringen met het negatieve terugkoppelingsmechanisme
binnen nauwe grenzen gehouden.
11.9 Geslachtsklieren
De gonaden (geslachtsklieren) zijn de ovaria (eierstokken) bij de vrouw en de testes (zaadballen) bij
de man. Deze bevatten ook endocrien weefsel dat een aantal hormonen aan het bloed afgeeft. De
ovaria maken oestrogenen en progesteron en de testes vormen androgenen. De productie en afgifte
wordt gereguleerd door de gonadotrope hormonen.
Oestrogenen
Hier zijn drie typen van: oestradiol, oestron en oestriol. Bij vruchtbare vrouwen speelt oestradiol de
belangrijkste rol. Oestrogenen stimuleren de groei en ontwikkeling van de primaire en secundaire
geslachtskenmerken bij de vrouw. Ook spelen deze een rol bij de menstruatie en bij de rijping van de
eicellen.
Progesteron
Deze is vooral betrokken bij de groei van het baarmoederslijmvlies. Wanneer geen eicel in de
baarmoeder innestelt, neemt de progesterongehalte af en wordt het baarmoederslijmvlies
afgestoten. Als er wel zwangerschap optreedt, zorgt het progesteron ervoor dat het
baarmoederslijmvlies goed doorbloed en intact blijft. Het wordt daarom ook wel
zwangerschaps(beschermend)hormoon genoemd.
Androgenen
Testosteron is het belangrijkste androgene hormoon. Deze stimuleert de ontwikkeling en groei van
de primaire en secundaire geslachtsorganen bij de man. Ook voor bevordering van de zaadcellen en
heeft invloed op de stofwisseling. Het stimuleert de eiwitaanmaak en de spiergroei bij veel plaatsen
in het lichaam. Dit is de anabole werking van testosteron. Daarom hebben mannen ook weer eiwit en
minder vet dan vrouwen.
15 Voorplantingsstelsel
15.1 Geslachtskenmerken
De typische vrouwelijke en mannelijke kenmerken worden geslachtskenmerken genoemd. De
primaire geslachtskenmerken zijn al bij de geboorte aanwezig. Bij de vrouw zijn dit: vulva, ovaria
2
,(eierstokken), tubae uterinae (eileiders), uterus (baarmoeder) en vagina. Bij de man zijn dit de penis,
testes (zaadballen), epididymes (bijballen), ducti deferentes (zaadleiders) en prostaat. De secundaire
geslachtskenmerken komen onder invloed van geslachtshormonen tijdens de groei tot ontwikkeling.
15.2 Vrouwelijke geslachtsorganen
De vrouwelijke geslachtsorganen (genitalia) liggen zowel inwendig als uitwendig. De genitalia externa
(uitwendige) liggen in de schaamstreek dit zijn vulva. De delen van de vulva zijn de grote en kleine
schaamlippen, de venusheuvel, de kittelaar en de voorhof. De genitalia interna bevinden zich in het
kleine bekken, dit zijn de eierstokken, de eileiders, de baarmoeder en de schede.
Vulva
Labia majora = grote schaamlippen, de bevatten in verhouding veel vetweefsel maar ook zweet, geur
en talgklieren.
Aan elke kant bevindt zich de bartholinklier, die bij seksuele prikkeling slijm afscheidt.
Perineum = bilnaad
Mons veneris = venusheuvel. Dit is een verdikking door de onderliggende symfyse en deels door een
grote hoeveelheid onderhuids vetweefsel.
Labia minora = kleine schaamlippen. Deze bevatten geen onderhuids vetweefsel. Ze sluiten de
vestibulum vaginae (voorhof) af. In de plooien en bij de kittelaar kan zich smegma ophopen, dit is een
witte substantie die bestaat uit afgestorven huidcellen en talg uit talgklieren in de huid van de
schaamlippen. Dit kan een ontsteking vormen.
De voorhof is bij vrouwen die nog maagd zijn afgesloten door het hymen (maagdenvlies).
De clitoris is enkele centimeters groot. Deze bestaat uit twee zwellichamen, die vanaf de symfyse
met een knik naar de voorhof lopen. Daar eindigen ze in een verdikking, de glans clitoridis ( de eikel
van de kittelaar).
Preputium clitoridis = voorhuid van de kittelaar.
Eierstokken
De beide ovaria (eierstokken) liggen intraperitoneaal links en rechts tegen de rand van het kleine
bekken, direct onder de bekkeningang. Deze produceren de vrouwelijke geslachtscellen en
vrouwelijke geslachtshormonen. Daarom worden deze de gonaden (geslachtsklieren) genoemd. Het
oppervlak hiervan bestaat uit eencellig epitheel, bedekt met peritoneum viscerale. Daarbinnen
bevindt zich bindweefsel dat in het centrum losmatig is en bloed- en lymfevaten en zenuwen bevat.
Cortex ovaria is het dichtere bindweefsel daar omheen. Hierin bevinden zich veel ei follikels in
verschillende rijpingsstadia.
Eifollikel = onrijpe eicel die wordt omgeven door een of meerdere lagen cellen (follikelcellen). De
eierstokken bevatten 400.000 eifollikels. Deze zijn er al voor de geboorte. Hiervan zullen 500 rijp
worden. De rijpe eicel barst open en stoot de eicel uit.
Ovulatie (eisprong) = het vrijkomen van een eicel
De follikelcellen van een rijpende eifollikel produceren oestrogeen, onder invloed van FSH uit de
adenohypofyse.
Graaffollikel = rijpe eifollikel die op het punt staat een eicel af te geven is met vocht gevuld blaasje.
Deze veranderd onder invloed van LH van uiterlijk en functie.
Corpus luteum = geel lichaam, eifollikel die dan een geel korrelige massa heeft. Is een kleine
hormoonklier die ook progesteron produceert. Als de eicel bevrucht vergaat het corpus luteum en
wordt er in de volgende menstruele cyclus een nieuwe eifollikel rijp.
Eileiders
De tuba uterina (eileider) is ongeveer 10 cm, grotendeels opgebouwd uit glad spierweefsel. Deze
vormt een open verbinding tussen het uitwendige milieu in de uterus en het inwendige milieu in de
buikholte. De binnenkant is bekleed met trilhaarepitheel en vertoont plooien in de lengterichting. Dit
zorgt voor een vloeistofstroming in de richting van de uterus.
3
, Baarmoeder
De uterus (baarmoeder) is een gespierd orgaan dat midden in het kleine bekken ligt. Het brede
koepelvormige deel boven de uitmondingen van de eileiders wordt de fundus uteri genoemd,
daaronder zit het corpus uteri (baarmoederlichaam). Dat het grootste deel van de uterus uitmaakt.
Cervix = baarmoederhals
Cavum uteri = baarmoederholte, holte in de baarmoeder, binnen fundes en corpus
Cervixkanaal, verbindt de baarmoederholte met de vagina.
Ostium uteri = baarmoedermond
Met uitzondering van de cervix ligt de uterus intraperitoneaal.
Endometrium = baarmoederslijmvlies, deze is dun, goed doorbloede bindweefsellaag, bedekt met
trilhaarepitheel en veel slijmkliercellen. Deze vergaat gedurende de menstruele cyclus veranderingen
in dikte en bouw.
Myometrium = spierwand, dit is de dikste laag van de baarmoederwand. Is opgebouwd uit glad
spierweefsel.
Perimetrium = de buitenste laag van de uterus.
Vagina
Bestaat uit drie lagen: slijmvlieslaag van meerlagig plaveiselepitheel, een gladde spierlaag en een laag
elastisch bindweefsel.
In de vagina leven de döderleinbacillen. Deze zetten voor hun energiestofwisseling glucose om in
melkzuur.
15.3 Mannelijke geslachtsorganen
Uitwendige: penis en de balzak met de zaadballen en de bijballen
Inwendige: zaadblaasjes, de cowperklieren en de prostaat
Penis
Radix penis = wortel
Corpus penis = penisschacht
De penis bevat drie zwellichamen. Elk zwellichaam is omgeven door een stevige bindweefselmantel.
Het dunste zwellichaam is het corpus spongiosum penis.
Cowperklieren produceren tijdens de paring slijm dat via dunne afvoergangen in de urethra
terechtkomt. De twee andere zwellichamen worden de corpora cavernosa penis genoemd.
Glans penis = eikel
Preputium penis = voorhuid
Ook de man produceert smegma. Dit bevindt zich vooral onder de voorhuid. Bij seksuele prikkeling
wordt de arteriële bloedtoevoer naar de zwellichamen sterk verhoogd. Tegelijk vernauwen de venen,
waardoor het bloed in de zwellichamen blijft zitten.
Zaadballen
Meervoud = testes
Enkelvoud = testis
Deze produceren de zaadcellen en een mannelijk hormoon. De testes liggen onder de symfyse in het
scrotum (balzak). De testis is verbonden met de buikholte door de funiculus spermaticus
(zaadstreng). Rond de zaadstreng en in de wand van het scrotum bevindt zich de m. cremaster. Deze
ontspant wanneer de temperatuur in of rond het scrotum oploopt.
In de zeer gespecialiseerde epitheel van de zaadbuisjes worden de spermatozoa (zaadcellen)
gevormd. Rijpe spermatozoa gaan via de zaadbuisjes naar een centraal punt van de testis, waar een
netwerk van kanaaltjes bevindt (rete testis).
Leydigcellen = interstiële cellen, deze liggen in het bindweefsel tussen de zaadbuisjes. Produceren
testosteron.
4