-
01
De witte bloedcellen – immuniteitssysteem
1
-
02
De natuurlijke immuniteit: Tweede lijn
1
-
03
Soort WBC:
1
-
04
Bestrijding/ vernietiging van…
1
-
05
Gealarmeerd door…
1
-
06
Afbraak
1
-
07
Opmerkingen?
1
-
08
Neutrofiele granulocyten (microfagen)
1
-
09
Nagenoeg alle pathogenen
1
-
10
Chemische signaalstoffen in celmembraan van pathogeen (antigeen) of beschadigde cel (prostaglandines)
1
-
11
Omgeven pathogeen met pseudopodiën (schijnvoetjes)
1
-
12
Opgeslorpt via fagocytose en vernietigd via lytische enzymen
1
-
13
Sterven dan zelf af
1
-
14
Etter bestaat uit heel wat dode neutrofiele granulocyten
1
-
15
Leeft enkele dagen
1
-
16
Macrofagen
1
-
17
Nagenoeg alle pathogenen
1
-
18
Chemische signaalstoffen in celmembraan van pathogeen (antigeen) of beschadigde cel (prostaglandines)
1
-
19
Micro-organismen worden ook opgeruimd door fagocytose maar sterven zelf niet
1
-
20
Ontwikkelen zich uit monocyten in de mild, lever en de lymfeklieren
1
-
21
Leeft in bepaalde organen en weefsels permanent
1
-
22
Eosine granulocyten
1
-
23
Meercellige, parasitaire organismen (spoelworm)
1
-
24
Omsingelen het pathogeen en besproeien het met celafbrekende enzymen
1
-
25
Opruimen van antigeen-antilichaamcomplex na een aanval
1
-
26
Soort WBC:
1
-
27
Bestrijding/ vernietiging van…
1
-
28
Gealarmeerd door…
1
-
29
Afbraak
1
-
30
Opmerkingen?
1
-
31
Natural killercellen (NK-cellen)
2
-
32
Doden van allerhande (antigeen aspecifiek) door virus geïnfecteerde cellen en tumorcellen
2
-
33
Chemische signaalstoffen (interferonen) afgescheiden door beschadigde cel
2
-
34
Aanval met perforines (brede kanalen) waardoor de geïnfecteerde cel leeg loopt
2
-
35
Waarschuwen van naburige (gezonde) cellen die antivirale eiwitten aanmaken
2
-
36
Mestcellen of mastocyten
2
-
37
Doden van allergenen en pathogenen (ontstekings- en allergische reacties)
2
-
38
Chemische signaalstoffen (interferonen, prostaglandines,…) afgescheiden door allergeen (pollen) of antigeen (op membraan van een pathogeen)
2
-
39
B-lymfocyt vormt zich om tot plasmacellen. Plasmacellen maken antilichamen aan. Antilichamen binden zich op membraan van een mestcel. Mestcel stort pakketjes histamine uit.
2
-
40
Histamine zorgt voor:
2
-
41
- verwijding bloedvaten (roodheid + warmte)
2
-
42
- verhoogde doorlaatbaarheid vaten (zwelling + pijn + soms gestoorde functie)
2
-
43
Basofiele granulocyten
2
-
44
Doden van allergenen en pathogenen (ontstekings- en allergische reacties)
2
-
45
Idem mestcellen:
2
-
46
Chemische signaalstoffen (interferonen, prostaglandines,…) afgescheiden door allergeen (pollen) of antigeen (op membraan van een pathogeen)
2
-
47
Idem mestcellen
2
-
48
Naast histamine ook leukotrieën (langdurige werking) in granulen uitgestort
2
-
49
De verworden immuniteit: B-lymfocyten
3
-
50
Soort WBC:
3
-
51
Bestrijding van…
3
-
52
Gealarmeerd door…
3
-
53
Afbraak
3
-
54
Opmerkingen?
3
-
55
B-lymfocyten
3
-
56
Een bepaalde bacterie, virus of toxine met antilichamen “vanop afstand”
3
-
57
Maken antistoffen, antilichamen of immunoglobulines aan die in het bloedplasma, de lymfe en het weefselvocht achterblijven
3
-
58
Humorale immuniteit
3
-
59
Maken antistoffen aan
3
-
60
Plasmacellen
3
-
61
Geactiveerde B-lymfocyt die aanvalt met antilichamen
3
-
62
B-geheugencellen
3
-
63
1ste contact: B-lymfocyt omgeschoold tot ‘geheugen’
3
-
64
2de contact: B-geheugencel wordt omgezet in actieve plasmacel
3
-
65
De verworden immuniteit: T-lymfocyten
3
-
66
Soort WBC:
3
-
67
Bestrijding/ vernietiging van…
3
-
68
Gealarmeerd door…
3
-
69
Afbraak
3
-
70
Opmerkingen?
3
-
71
T-lymfocyten
3
-
72
Specifieke met virus geïnfecteerde cellen en tumorcellen met cytokines en perforines “ter plekke”
3
-
73
Produceren ofwel cytokines die de B-lymfocyten aanzetten tot produceren antilichamen
3
-
74
Produceren ofwel celdodende stoffen (perforines) waarmee het een lichaamsvreemde stof meteen kan aanvallen
3
-
75
Cellulaire immuniteit
3
-
76
Produceren cytokines of perforines
3
-
77
Soort WBC:
3
-
78
Bestrijding/ vernietiging van…
3
-
79
Gealarmeerd door…
3
-
80
Afbraak
3
-
81
Opmerkingen?
3
-
82
Cytotoxische T-cellen
3
-
83
Cfr Natural Killercellen
3
-
84
Doden van 1 bepaalde soort (antigeen-specifiek) door virus geïnfecteerde cellen en tumorcellen
3
-
85
Chemische signaalstoffen (interferonen) afgescheiden door beschadigde cel
3
-
86
Aanval met perforines (brede kanalen) die de cel doen leeglopen
3
-
87
T-geheugencellen
3
-
88
1ste contact: cytotoxische T-cellen en T-helpercellen omgeschoold tot geheugen
3
-
89
2de contact: T-geheugencel wordt omgezet in actieve cytotoxische T-cel
3
-
90
T-helpercellen
3
-
91
Chemische signaalstoffen van de macrofagen
3
-
92
T-helpercellen delen massaal en activeren de vermenigvuldiging van:
3
-
93
- specifieke cytotoxische T-cellen
3
-
94
- specifieke B-lymfocyten (plasmacellen)
3
-
95
Sleutelrol tussen aspecifiek en specifiek, maar kunnen zelf niet aanvallen
3
-
96
T-suppressorcellen
3
-
97
Uitschakelen van het immuunsysteem na de infectie
3