Inhoudsopgave
1 Inleiding...................................................................................................................................................... 2
2 Dierlijke cel................................................................................................................................................. 4
3 Voortplanting en ontwikkeling.................................................................................................................... 6
4 Biologische diversiteit............................................................................................................................... 10
5 Protozoa (eencellige eukaryoten).............................................................................................................. 13
6 Porifera (Sponzen).................................................................................................................................... 16
7 Cnidaria.................................................................................................................................................... 18
8 Platyhelmintes (platwormen).................................................................................................................... 19
9 Nematoda (spoelwormen)........................................................................................................................ 23
10 Mollusca (weekdieren)............................................................................................................................ 26
11 Annelida (wormen)................................................................................................................................. 29
12 Arthropoda: inleiding.............................................................................................................................. 31
13 Arthropoda: Arachnida (spinachtigen)..................................................................................................... 35
14 Arthropoda: Subph. Crustacea (schaaldieren)..........................................................................................37
15 Arthropoda: Subph. Insecta..................................................................................................................... 40
16 Chordata: inleiding.................................................................................................................................. 41
17 Chordata: Classis Chondrychtyes............................................................................................................. 44
18 Chordata: Classis Osteichtyes.................................................................................................................. 44
19 Chordata: Classis Amphibia..................................................................................................................... 46
20 Chordata: Classis Reptilia........................................................................................................................ 48
21 Chordata: Classis Aves............................................................................................................................. 49
22 Chordata: Classis Mammalia.................................................................................................................... 51
23 Echinodermata........................................................................................................................................ 55
24 Dierenecologie........................................................................................................................................ 55
1
,Dierkunde samenvatting 1e BA BMW
1 Inleiding
Eigenschappen om leven te karakteriseren:
Unieke chemische samenstelling. Voornamelijk uit nucleïnezuren, proteïne, koolhydraten en
lipiden macromoleculen
Hiërarchische organisatieniveaus. Bv individu kan zich verplaatsten door spieren, hoewel
spieren zelf zich niet verplaatsen, etc. (molecule, cellen, weefselsn organen, indivuduen, …)
Voortplanting. Erfelijkheid & variatie
Genetische code. DNA bestaat uit lange keten nucleotiden.
Metabolisme. Voedingsstoffen opnemen uit omgeving, energie komt vrij & wordt weer
gebruikt,..
Ontwikkeling: levenscyclus organisme
1.1 Prokaryoten
Onvolledige celbouw: geen organellen, geen kern
1.1.1 Eubacteria
- Eenvoudigste & primitiefste, onafhankelijke
- Zowel foto-autotrofe als chemo-autotrofe en heterotrofe
- Zowel bewegelijke vormen als niet
- Saprotroof of parasitair
- Problematische systematiek
3 groepen
Cyanobacteria/blauwwieren
o in water
o fotosynthesische
o eventueel in kolonies
o stelling: chloroplast is primitieve cyanobacterie die als endosymbiont in eukaryote
cellen is gaan leven
Proteobacteria/purperbacteriën
o sommige fotosynthesisch
o stelling: endosymbiontische relatie met eukaryoten tot mitochondria
o bv: Salmonella, Yersina, Escherina, Campylobacter
Spirocheten
o lange spiraalvormige
o stelling: via endosymbiose aanleiding tot ontstaan bewegingsorganellen in eukaryote
cellen
o bv: ziekte van Lyme, syphilis, L.canicola (hond),…
groene zwavelbacterien
fravobacterien en bacteroiden
gram-positieve bacterien
o dikke celwand
o bv: Bacillus, Clostridum, Streptomyces
1.1.2 Archaebacteria (Archaea)
- Anaëroob, sommige aëroob
- Sommige autotroof (fotosynthese
2
,Dierkunde samenvatting 1e BA BMW
- Eigen bacteriofage virussen
3 groepen:
Methanogene
- compleet anaëroob. Reduceren CO2 tot CH4 (koeienmaag, boden oceanen)
- leven in ruimtes waar vrije zuurstof ontbreekt
Extreem halofiele
- leven in zeer hoge zoutconcentraties
- kleuren roos, ter bescherming UV
Thermofiele non-methanogne
- leven in extreem zure omstandigheden of hete zwavelhoudende bronnen
- vorm kan erg verschillen: kokken, bacillen, filamenten, discusvorming
1.2 Eukaryoot
Volledige celbouw (oa celkern en organellen: volledige cellulaire infrastructuur)
1.2.1 Protista
- Unicellulair, eventueel kolonievormend
- Foto-autotroof, sommige niet heterotroof
- Vroeger opgesplitst in 2 subdelen: eencellige foto-autotrofe Algae en heterotrofe Protozoa
1.2.2 Fungi
- Geen fotosynthesische pigmenten heterotroof
- Meestal sapofraag, sommige zelfs dodelijke parasieten
- 2 phyla:
o Myxomycophyta (slijmzwammen, zonder celwanden)
o Eumycophyta (echte zwammen met stijve celanden)
1.2.3 Plantae
- Multicellulair
- Foto-autotrofe
- Stijve celwanden
- Opslag koolhydraten als zetmeel
1.2.4 Animalia
- Multicellulair
- Heterotrofe
- Slaan koolhydraten op als glucogeen
- Geen celwand intercellulaire verbindingen zijn dus mogelijk
- Door spieren en zenuwcellen, autonoom verplaatsen
- Seksuele voortplanting klievingspatronen blastula gastrula
1.3 Andere
1.3.1 Virussen
- Kleine eenvoudige organismen, geen cellen
- Geen eigen metabolisme
- Opgebouwd uit genoom met eiwitmantel
- Dubbele gespiraliseerde DNA-streng soms enkele soms RNA spreken we van DNA of RNA
virussen
3
,Dierkunde samenvatting 1e BA BMW
- Verplicht intercellulaire parasieten van Bacteria, Archea of Eukarya, kunnen enkel binnenin
gastheer voorplanten
1.3.2 Viroiden
- Nog kleiner en eenvoudiger
- Kleine cirkelvormige RNA-molecules die in plantcellen voorkomen
- Brengen normale werking cellen in de war en veroorzaken zo ziektebeeld bij plant
1.3.3 Prionen
- Bestaan uit nucleïnezuren infectieuze eiwitten
- Veroorzaken hersenaandoeningen: scrapie, dolle-koeienziekte, Creutzfeld-Jacob,..
- Verspreid via voedsel
1.4 Verschillende organisatieniveaus
Moleculaire en cellulaire basis
Weefsels en organen
o Morfologie: studie van vormen
o Fysiologie: studie van de functies
Individu en populaties
Dier en zijn omgeving
Interactie tussen niveaus
2 Dierlijke cel
Dierlijke cel heeft geen celwand, wel een celmembraan
Centriolen spelen rol bij celdeling en bewegingsorganellen; cilia en flagella
4
, Dierkunde samenvatting 1e BA BMW
Cytoplasma/protoplasma bevat naast alle organellen proteïnen, ribocleïnezuren,
vetdruppeltjes, glycogeenpartikels en alle noodzakelijke andere stoffen behalve DNA, dat
geconcentreerd in de kern zit.
2.1 Structuren
2.1.1 Protoplasma
Waterige moleculaire colloïdale oplossing
Moleculen in protoplasma zijn voortdurend in beweging tov elkaar
2.1.2 Plasmamembraan
Houdt verschil tussen inwendig en uitwendig milieu
Differentiële permabiliteit
Semi-permeabel (sommige moleculen kunnen door, andere niet)
o Moleculen en ionen die klein genoeg zijn kunnen door het membraan diffunderen
zonder dat protoplasma er energie voor moet leveren
o Bewegingsrichting wordt bepaaldconcentratiegradiënt van moleculen en ionen aan
beide zijden en door de elektrische gradiënt van het systeem (passief transport)
o Teveel aan grote ionen worden weggepompt door ionenpompen, dit verergt energie,
vandaar actief transport
Endocytosis: vervoer zeer grote opgeloste en onoplosbare moleculen doorheen
plasmamembraan
Membraanreceptoren: macromoleculen, meestal eiwitten
- functie: chemisch signaal herkennen & reactie van protoplasma op gang brengen
2.1.3 Kern
Wordt door nucleusmembraan afgescheiden van protoplasma
Membraan heeft openingen met eiwitten om selectief te transporteren
Aanmaak ribosomen
Niet perse 1 nucleoli per kern
Veel RNA
2.1.4 Chromosomen
Opgebouwd uit ingewikelde fijne chromatinedraad, bestaande uit een proteïnemantel die
dubbele DNA-helix omvat.
Centromeer bestaat uit DNA gedeelte en een kinetochoor (spoeldraadaanhechtingskorrel)
Telomeer = uiteinde chromosoom
4 typen naargelang de locatie:
- telocentrisch: centromeer uiteinde chromosoom
- akrocentrisch: centromeer bijna op uiteinde
- submatecentrisch: centromeer voorbij midden
- metacentrisch: centromeer ongveer in het midden
2.2 Erfelijke informatie
2.2.1 Proteïnen
Cruciale rol:
Bio-katalysatorische functie (enzymen)
Verzekeren transport en opslag
Realiseren antilichamen immunologische afweer
Verzorgen de bouw van de cel structurele organisatie
5