Sociologie: H5: rol en zelf
Kernvraag: hoe wordt voorspelbaarheid gegenereerd? Hoe scheppen we orde?
Orde = afwezigheid van chaos, behoudt tot mogelijk naleven regels
Een rol is:
- Bundel v verwachtingen (rechten en plichten)
- Kenmerk v positie, niet van bekleder (voor iedereen dezelfde verwachtingen)
- Doorgaans gespecifieerd voor stabiele relaties of verhoudingen (bv vaderrol,
student..)
Rollenset
Studentenrol: met welke persoon in contact en welke verwachtingen zijn er?
4 groepen mensen contact (zie schema): iedereen heeft verwachtingen van elkaar, in elke
richting
Aan rol zijn andere rollen gebonden (web van zinvol met elkaar verbonden posities =
rollenset)
- Mensen vervullen doorgaans meerdere rollen (student, leider jeugdbeweging…)
- Rolconflicten: (tussen verwachtingen v je rol)
Conflicten tussen rollen (verwachtingen verbonden met rollen komen niet overeen –
student: studeren – ook werknemer: moet werken = in conflict)
Conflicten over de invulling van een rol (onaangepast aan wet veranderingen bv
sommige mensen zijn ongeneselijk ziek: euthanasie wetgeving – alleen voor
volwassenen – debat ‘en wat met kinderen’ – rollen helpen om moeilijkheid debat te
begrijpen, kind zijn is rol met kernelement handelingsonbekwaamheid – beslissing
niet ten volle nemen = handig instrument om te begrijpen wrm discussies moeilijk
liggen)
- Rollen verbonden met wederzijdse verwachtingen: waarom worden die
verwachtingen ingelost? (waarom hebben we sociale orde uiteindelijk?)
, De portier als prof (twee groepen die elk iets anders dachten over prof als werkman)
De cursus interesseert niemand echt De cursus interesseert sommigen wel
Prof kan examineren Luisteren ook meer naar ‘experts’ op TV
en in café
Daarom luisteren naar prof niet naar Die nemen nochtans ook geen examen
portier af
- Er zijn veel te veel mensen die iets tegen je willen zeggen (onmogelijk om ernaar te luisteren) – niet
inschatten of kennis betrouwbaar is –> rollen bedenken (herkenbaar bv prof vs werkman laten ons
toe om verwachtingen te stellen)
Belang rol: 2 perspectieven
steunt op: positie/macht (rol is aanpassen Rol is handig, vervult functie ons te laten
aan degene met macht) weten wat we kunnen verwachten
(verwachtingen hoeven niet extern aan ons
te blijven – verwachtingen geen
drangelement meer)
Mensen vertonen rolgedrag omdat ze Mensen vertonen rolgedrag omdat ze in die
handelen conform de verwachtingen v de verwachtingen werden gesocialiseerd
machtigen
= Twee verschillende theorieën
Die verschillende verklaringen aanreiken voor rolgedrag en voor een hele reeks
andere verschijnselen
- Conflictsociologie
- Functionalisme
Functionalisme
- Nadruk ligt op functies die verschijnselen vervullen
- Veeleer wederzijdse aanpassing (A <-> B) dan causaliteit (A -> B) (houden elkaar in
evenwicht en afstemmen op elkaar)
- Aandacht gaat als vanzelf naar samenhang
- Paar voorbeelden;
1) Functionalistische gezinstheorie
Gezin vervult econ functies, beide moeten dus op elkaar afgestemd (samenhang)
bv opkomst v fabrieksarbeid – verandering in gezin (opkomst kostwinnersmodel:
vader werken, vrouwen thuis) = functionele relatie (evenwicht)
Traditioneel, nucleair gezin (TNG) pas bij industriële economie
Als TNG verdwijnt, dient gezocht naar functionele equivalenten
(weinig kinderen, tijdskrediet, opvang…)
Functionalisten gaan nooit voorspelling doen over in welke richting evenwicht
gaat – is contingent – weten we niet
Kernvraag: hoe wordt voorspelbaarheid gegenereerd? Hoe scheppen we orde?
Orde = afwezigheid van chaos, behoudt tot mogelijk naleven regels
Een rol is:
- Bundel v verwachtingen (rechten en plichten)
- Kenmerk v positie, niet van bekleder (voor iedereen dezelfde verwachtingen)
- Doorgaans gespecifieerd voor stabiele relaties of verhoudingen (bv vaderrol,
student..)
Rollenset
Studentenrol: met welke persoon in contact en welke verwachtingen zijn er?
4 groepen mensen contact (zie schema): iedereen heeft verwachtingen van elkaar, in elke
richting
Aan rol zijn andere rollen gebonden (web van zinvol met elkaar verbonden posities =
rollenset)
- Mensen vervullen doorgaans meerdere rollen (student, leider jeugdbeweging…)
- Rolconflicten: (tussen verwachtingen v je rol)
Conflicten tussen rollen (verwachtingen verbonden met rollen komen niet overeen –
student: studeren – ook werknemer: moet werken = in conflict)
Conflicten over de invulling van een rol (onaangepast aan wet veranderingen bv
sommige mensen zijn ongeneselijk ziek: euthanasie wetgeving – alleen voor
volwassenen – debat ‘en wat met kinderen’ – rollen helpen om moeilijkheid debat te
begrijpen, kind zijn is rol met kernelement handelingsonbekwaamheid – beslissing
niet ten volle nemen = handig instrument om te begrijpen wrm discussies moeilijk
liggen)
- Rollen verbonden met wederzijdse verwachtingen: waarom worden die
verwachtingen ingelost? (waarom hebben we sociale orde uiteindelijk?)
, De portier als prof (twee groepen die elk iets anders dachten over prof als werkman)
De cursus interesseert niemand echt De cursus interesseert sommigen wel
Prof kan examineren Luisteren ook meer naar ‘experts’ op TV
en in café
Daarom luisteren naar prof niet naar Die nemen nochtans ook geen examen
portier af
- Er zijn veel te veel mensen die iets tegen je willen zeggen (onmogelijk om ernaar te luisteren) – niet
inschatten of kennis betrouwbaar is –> rollen bedenken (herkenbaar bv prof vs werkman laten ons
toe om verwachtingen te stellen)
Belang rol: 2 perspectieven
steunt op: positie/macht (rol is aanpassen Rol is handig, vervult functie ons te laten
aan degene met macht) weten wat we kunnen verwachten
(verwachtingen hoeven niet extern aan ons
te blijven – verwachtingen geen
drangelement meer)
Mensen vertonen rolgedrag omdat ze Mensen vertonen rolgedrag omdat ze in die
handelen conform de verwachtingen v de verwachtingen werden gesocialiseerd
machtigen
= Twee verschillende theorieën
Die verschillende verklaringen aanreiken voor rolgedrag en voor een hele reeks
andere verschijnselen
- Conflictsociologie
- Functionalisme
Functionalisme
- Nadruk ligt op functies die verschijnselen vervullen
- Veeleer wederzijdse aanpassing (A <-> B) dan causaliteit (A -> B) (houden elkaar in
evenwicht en afstemmen op elkaar)
- Aandacht gaat als vanzelf naar samenhang
- Paar voorbeelden;
1) Functionalistische gezinstheorie
Gezin vervult econ functies, beide moeten dus op elkaar afgestemd (samenhang)
bv opkomst v fabrieksarbeid – verandering in gezin (opkomst kostwinnersmodel:
vader werken, vrouwen thuis) = functionele relatie (evenwicht)
Traditioneel, nucleair gezin (TNG) pas bij industriële economie
Als TNG verdwijnt, dient gezocht naar functionele equivalenten
(weinig kinderen, tijdskrediet, opvang…)
Functionalisten gaan nooit voorspelling doen over in welke richting evenwicht
gaat – is contingent – weten we niet