3.1 WAT IS OPERATIONALISERING?................................................................................................................. 1
3.2 WAT ZIJN DE MEETNIVEAUS? ................................................................................................................... 2
3.2.1 NOMINAAL:..................................................................................................................................................2
3.2.2 ORDINAAL:...................................................................................................................................................3
3.2.3 INTERVAL:.....................................................................................................................................................3
3.2.4 RATIO:......................................................................................................................................................... 3
3.3 WAT IS DE BETEKENIS VAN DEZE MEETNIVEAUS?......................................................................................3
3.4. WAT ZIJN DE CONSEQUENTIES VAN HET SURVEY-ONDERZOEK?................................................................3
.......................................................................................................................................................................... 4
3.5 BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT......................................................................................................... 4
Terugkoppeling naar hoofdstuk 1
Fase 3: de operationalisering
= meetbaar maken van een begrip
Vb. Geslacht, leeftijd vs. intelligentie, persoonlijkheid
Bijvoorbeeld: 'stresske meten van les 1' kan op verschillende manieren gevraagd worden
o 'Wat is die stress?'
o Ander gebruik van bevragingen; smileys, bewoordingen, percentages,…
o = breder dan welke soort praktische methodiek
3.1 Wat is operationalisering?
Operationalisering = precies aangeven hoe we een begrip zullen meten; welk criterium hanteren
we om diverse waarden toe te kennen aan een variabele?
Soms gemakkelijk (bv. gewicht), soms moeilijker (bv. Intelligentie)
Denkoefening: operationalisering ‘stresske statistiek’
Variabele = eigenschap/kenmerk van een onderzoekseenheid en kan diverse waarden aannemen
Waarden = individuele uitslagen op een variabele
Discreet: mogelijkheid tot tellen
, Continu: er zit zeer veel tussen de grote eenheden die belangrijk zijn (vb. 1,567 kg,…)
Kwantitatieve variabelen: getallen/scores
Discrete variabele: aantal waarden = beperkt en is sprongsgewijs
Continue variabele: twee opeenvolgende waarden kunnen willekeurig klein worden
Kwalitatieve variabelen: indeling in categorieën (antwoord ja/nee, vb. vraag hoogste behaalde
diploma, vb. vraag naar bepaalde rang,…)
3.2 Wat zijn de meetniveaus?
Om statistische bewerkingen uit te kunnen voeren, is het kennen van het meetniveau van
een variabele van essentieel belang!
Burgerlijke staat, leeftijd, gewicht, lengte,... worden allemaal anders uitgedrukt
= gevolg van meetniveau
--> NOIR (als hulpmiddel - volgorde is zeer belangrijk!)
3.2.1 Nominaal:
o Bv. burgerlijke stand of bloedgroep (kan bvb ook niet gemeten worden, O is bvb niet beter dan B)
Categorieën
Rangorde --> We kunnen daar in het algemeen geen volgorde in brengen.
Meeteenheid --> Kan niet gemeten worden
Nulpunt --> bvb 0 kg; kan hier niet worden gebruikt in nominaal
o Dichotome variabele (twee antwoordmogelijkheden)
Bv. bent u getrouwd?
o Alle nominale variabelen zijn kwalitatief van aard (er kunnen wel getallen aan gekoppeld
worden)
o Belangrijk: waarden moeten
1. Exhaustief zijn = elke deelnemer moet kunnen geplaatst worden
2. Mutueel zijn = elke deelnemer kan in slechts 1 categorie geplaatst worden
--> Vermijden van overlapping in vraagstelling (vb. Navragen beroep: leraar
- docent = zijn gelijkaardig)
--> Vermijden van uitsluiting in vraagstelling (vb. Werklozen en
zelfstandigen vallen niet onder een beroep)