Dyscalculie
Inleiding
Verband tussen taal en rekenen?
Zonder taal niet rekenen, rekentaalbegrippen
Rekenen is handelen o.b.v. taal
Verband tussen lezen, spellen en rekenen?
Vraagstukken begrijpen
Werkrichting
Verband tussen IQ en rekenen? Sterker verband dan bij IQ en lezen, want rekenen abstracter
Aandacht en concentratie
Verband tussen kleuteronderwijs en rekenen?
Voorbereiding
Tellen, rekentaalbegrippen
Rekentekens ‘+’, ‘=’ (.-4=5), ‘3’ (hoeveelheid)
Symboolbewustzijn
Rekenonderwijs op school:
3de kleuter: rekentaalbegrippen (meer/minder/groot/klein), specifieke rekenvoorwaarden
(rangschikken groot naar klein voorbereiding getallenrij), 1-10, inzicht hoeveelheden,
voorbereidend inzicht getallenrij
1ste leerjaar: 1-20, manipuleren met materiaal (kwadraatstructuur, MAB-structuur)
Functie logopedist: zoekt naar de oorzaak van het probleem (basisniveau; waar het is misgelopen)
voorbereidende rekenvoorwaarden onderzoeken (concept voor-na moeilijk getalpositie getallenrij)
Functie taakleerkracht: zelfde oefeningen als in de klas, maar op een ander tempo.
Nu met materiaal en taal gewerkt!
Rekendoos (kwadraatmateriaal) 1e leerjaar
MAB-materiaal (Multi Arithmetic Blocks) 2de leerjaar; inzicht honderdveld belangrijk voor sommen
tot 100
1
,Waarom deze cursus?
Dyscalculie: een specifieke ontwikkelingsstoornis op gebied van de rekenvaardigheid. Voorspeller dyscalculie:
het tellen (kleuterperiode). Rekenen niet geautomatiseerd (1 e leerjaar): getalsplitsingen. Voor de bevalling zich
al neurologisch uiten.
Geen wereld zonder cijfers
Budgetbeheer/op tijd zijn/beroep; verpleegkundige…
Dyscalculie is niet beperkt tot de schoolleeftijd en de schooluren
Stoornis vrij ingrijpend!
Rekenen is meer dan iets kunnen (competentie) emotie en cognitie (durven en willen) ermee gepaard
Kunnen rekenen: kennis en vaardigheden die we op school, thuis en op straat leren
Durven rekenen: durven de stap te zetten met risico op falen (het is juist of fout) faalangst
Willen rekenen: behoefte hebben om juist te zijn
Rekenen gaat om WELBEVINDEN, BETROKKENHEID en COMPETENTIES.
Juiste gevoelens zorgen ervoor dat de problemen NIET vergroten en worden opgelost.
Onjuiste gevoelens leiden tot verergeren van het probleem.
Dyscalculie veel gevolgen:
Gevolgen in secundair onderwijs en volwassen leeftijd
40 tot 80% van jongeren ontwikkelt gedragsproblemen
Invloed zelfbeeld
Invloed totale gezinsfunctioneren
Psychosociaal functioneren
2
,Psychologische stromingen over rekenen of rekendidactiek
Handelingsleerpsychologie uit RUSLAND visie in therapie
Gal’perin (geestelijke vader): heel wat leren door het lijfelijk ervaren
Davydov: omzetting in de trapsgewijze procedure (toepassing op rekenen)
Basisprincipes uit handelingsleertheorie
Van Parreren (vertaling Russisch naar Nederlands)
o Soorten leerprocessen
Inzichtbevorderend leren (positief leerproces: hangt schuil achter
handelingsleertheorie)
Beroep op regels, begrippen en oplossingsmethodes om een oplossing voor
een probleem te vinden. Als therapeut regels expliciet aanleren.
Leren van feitenkennis (niet positief en negatief)
Feiten die op zichzelf belangrijk zijn of bepaalde regels die voor het
inzicchtbevorderend leren belangrijk zijn, op zichzelf boeiend.
Memoriseren (negatief)
Letterlijk reproduceren
Automatiseren (belangrijk) als het niet lukt om te automatiseren stoppen
tafelkaart
Iets doen zonder er nog bij na te denken (fietsen, getalsplitsingen).
Inzichtbevorderend leren moet uiteindelijk resulteren in automatiseren!
Leren leren
Doeltreffende leerstrategieën vinden om te leren, weten hoe je leert
(moeilijk proces, want verwoordingsproces gestoord)
o Inzichtbevorderend leren (a.d.h.v. begrippen en regels)
Inzicht = individueel gebeuren
Therapeut: behulpzaam zijn door voorafgaande leerprocessen aan te
brengen (begrippen duiden, regels uitleggen en oplossingsmethodes)
Kenmerken inzichtelijk gedrag:
Ontstaat plots en in zijn geheel (‘aha’)
Eenmaal dat er inzicht is blijven toepassen in licht gewijzigde situaties
Inrichting van situatie op een andere manier opvatten (8x7 18x7 ‘dat kan ik’)
Leren van begrippen en regels
Begrip: abstract-symbolisch gegeven
Abstract want verwijst naar een paar kenmerken uit de totaliteit van alle mogelijke
kenmerken (boom: kruin-stam-wortel) INHOUD (inhoud boom kleiner dan inhoud
dennenboom; + dennenappels, dennennaalden…)
Alle concrete voorwerpen die in dat begrip kunnen ingesloten liggen OMVANG
Des te kleiner de inhoud van een begrip, des te abstracter het begrip zal zijn
inhoud zo goed mogelijk duiden zodat het minder abstract is (omtrek: omtrekken
met je vinger, % pro-cent)
Symbool: niet of nauwelijks voorstellen (tafel concreet voorwerp voorstellen)
3
, Regel: legt verbanden tussen meer dan 1 begrip
Begrippen aanleren:
Zelfontdekkingsmethode: toevallige ervaringen niet ideaal, want niet alles kan zo
geleerd worden
Trapsgewijze vorming: materieel niveau verbaal niveau mentaal niveau
Leren van oplossingsmethodes (behulpzaam, niet tot oplossing)
Ruimer dan een regel, voorschriften nodig
Algoritme: leidt tot correcte oplossing (therapie zelfde algoritmes als in de klas)
Heuristiek: niet automatisch tot goede oplossing maar wel op weg geholpen. Leert je
planmatig werken (maak er een tekening van en pas de formule toe)
Algemene denkmethode: niet vakgebonden (denk goed na voor je begint)
Aanbrengen oplossingsmethodes
Banende werkwijze: voorbeelden geven en zelf laten ontdekken hoe de
oplossingsmethodes in elkaar steken (zelf laten verwoorden wat het goed en fout
deed om zo tot een bepaalde oplossing te komen bevordert creativiteit en
generalisatie)
Sturende werkwijze: systematisch de stappen aanbrengen om tot een goede
oplossing te komen, voortonen en voorzeggen (niet bevorderend creativiteit en
generalisatie, gestructureerd en orthodidactisch beter, vergt minder tijd en meer
geordende kennis komen tot een goede oplossing)
Leerproblemen aanvankelijk sturende en daarna overgang banende werkwijze =
banend sturen.
Wendbaarheid van het geleerde
Transfer
18x7 niet veel moeilijker dan 8x7 inzicht in honderdveld makkelijk
optellen
Fouten tegen wendbaarheid:
Niet het gewenste abstractieniveau bereiken
Tekort aan oplossingsmethodes
Te geringe eisen aan denkwerk
o Het geheugen/memoriseren
Sporen vastleggen in hersenen clusters vormen = sporensysteem
Tussen verschillende sporensystemen weinig connectie = systeemscheiding
Kenmerken systeemscheiding:
Individueel verschillend
Belangrijke en onbelangrijke info
Wisselende activiteit
Sporensysteem zo lang inactief dat men het niet meer kan oproepen = vergeten
Helemaal niet meer werkzaam = klontering geheugeninhouden opnieuw leren waarbij
instructies zo kort en duidelijk mogelijk gehouden worden.
4
Inleiding
Verband tussen taal en rekenen?
Zonder taal niet rekenen, rekentaalbegrippen
Rekenen is handelen o.b.v. taal
Verband tussen lezen, spellen en rekenen?
Vraagstukken begrijpen
Werkrichting
Verband tussen IQ en rekenen? Sterker verband dan bij IQ en lezen, want rekenen abstracter
Aandacht en concentratie
Verband tussen kleuteronderwijs en rekenen?
Voorbereiding
Tellen, rekentaalbegrippen
Rekentekens ‘+’, ‘=’ (.-4=5), ‘3’ (hoeveelheid)
Symboolbewustzijn
Rekenonderwijs op school:
3de kleuter: rekentaalbegrippen (meer/minder/groot/klein), specifieke rekenvoorwaarden
(rangschikken groot naar klein voorbereiding getallenrij), 1-10, inzicht hoeveelheden,
voorbereidend inzicht getallenrij
1ste leerjaar: 1-20, manipuleren met materiaal (kwadraatstructuur, MAB-structuur)
Functie logopedist: zoekt naar de oorzaak van het probleem (basisniveau; waar het is misgelopen)
voorbereidende rekenvoorwaarden onderzoeken (concept voor-na moeilijk getalpositie getallenrij)
Functie taakleerkracht: zelfde oefeningen als in de klas, maar op een ander tempo.
Nu met materiaal en taal gewerkt!
Rekendoos (kwadraatmateriaal) 1e leerjaar
MAB-materiaal (Multi Arithmetic Blocks) 2de leerjaar; inzicht honderdveld belangrijk voor sommen
tot 100
1
,Waarom deze cursus?
Dyscalculie: een specifieke ontwikkelingsstoornis op gebied van de rekenvaardigheid. Voorspeller dyscalculie:
het tellen (kleuterperiode). Rekenen niet geautomatiseerd (1 e leerjaar): getalsplitsingen. Voor de bevalling zich
al neurologisch uiten.
Geen wereld zonder cijfers
Budgetbeheer/op tijd zijn/beroep; verpleegkundige…
Dyscalculie is niet beperkt tot de schoolleeftijd en de schooluren
Stoornis vrij ingrijpend!
Rekenen is meer dan iets kunnen (competentie) emotie en cognitie (durven en willen) ermee gepaard
Kunnen rekenen: kennis en vaardigheden die we op school, thuis en op straat leren
Durven rekenen: durven de stap te zetten met risico op falen (het is juist of fout) faalangst
Willen rekenen: behoefte hebben om juist te zijn
Rekenen gaat om WELBEVINDEN, BETROKKENHEID en COMPETENTIES.
Juiste gevoelens zorgen ervoor dat de problemen NIET vergroten en worden opgelost.
Onjuiste gevoelens leiden tot verergeren van het probleem.
Dyscalculie veel gevolgen:
Gevolgen in secundair onderwijs en volwassen leeftijd
40 tot 80% van jongeren ontwikkelt gedragsproblemen
Invloed zelfbeeld
Invloed totale gezinsfunctioneren
Psychosociaal functioneren
2
,Psychologische stromingen over rekenen of rekendidactiek
Handelingsleerpsychologie uit RUSLAND visie in therapie
Gal’perin (geestelijke vader): heel wat leren door het lijfelijk ervaren
Davydov: omzetting in de trapsgewijze procedure (toepassing op rekenen)
Basisprincipes uit handelingsleertheorie
Van Parreren (vertaling Russisch naar Nederlands)
o Soorten leerprocessen
Inzichtbevorderend leren (positief leerproces: hangt schuil achter
handelingsleertheorie)
Beroep op regels, begrippen en oplossingsmethodes om een oplossing voor
een probleem te vinden. Als therapeut regels expliciet aanleren.
Leren van feitenkennis (niet positief en negatief)
Feiten die op zichzelf belangrijk zijn of bepaalde regels die voor het
inzicchtbevorderend leren belangrijk zijn, op zichzelf boeiend.
Memoriseren (negatief)
Letterlijk reproduceren
Automatiseren (belangrijk) als het niet lukt om te automatiseren stoppen
tafelkaart
Iets doen zonder er nog bij na te denken (fietsen, getalsplitsingen).
Inzichtbevorderend leren moet uiteindelijk resulteren in automatiseren!
Leren leren
Doeltreffende leerstrategieën vinden om te leren, weten hoe je leert
(moeilijk proces, want verwoordingsproces gestoord)
o Inzichtbevorderend leren (a.d.h.v. begrippen en regels)
Inzicht = individueel gebeuren
Therapeut: behulpzaam zijn door voorafgaande leerprocessen aan te
brengen (begrippen duiden, regels uitleggen en oplossingsmethodes)
Kenmerken inzichtelijk gedrag:
Ontstaat plots en in zijn geheel (‘aha’)
Eenmaal dat er inzicht is blijven toepassen in licht gewijzigde situaties
Inrichting van situatie op een andere manier opvatten (8x7 18x7 ‘dat kan ik’)
Leren van begrippen en regels
Begrip: abstract-symbolisch gegeven
Abstract want verwijst naar een paar kenmerken uit de totaliteit van alle mogelijke
kenmerken (boom: kruin-stam-wortel) INHOUD (inhoud boom kleiner dan inhoud
dennenboom; + dennenappels, dennennaalden…)
Alle concrete voorwerpen die in dat begrip kunnen ingesloten liggen OMVANG
Des te kleiner de inhoud van een begrip, des te abstracter het begrip zal zijn
inhoud zo goed mogelijk duiden zodat het minder abstract is (omtrek: omtrekken
met je vinger, % pro-cent)
Symbool: niet of nauwelijks voorstellen (tafel concreet voorwerp voorstellen)
3
, Regel: legt verbanden tussen meer dan 1 begrip
Begrippen aanleren:
Zelfontdekkingsmethode: toevallige ervaringen niet ideaal, want niet alles kan zo
geleerd worden
Trapsgewijze vorming: materieel niveau verbaal niveau mentaal niveau
Leren van oplossingsmethodes (behulpzaam, niet tot oplossing)
Ruimer dan een regel, voorschriften nodig
Algoritme: leidt tot correcte oplossing (therapie zelfde algoritmes als in de klas)
Heuristiek: niet automatisch tot goede oplossing maar wel op weg geholpen. Leert je
planmatig werken (maak er een tekening van en pas de formule toe)
Algemene denkmethode: niet vakgebonden (denk goed na voor je begint)
Aanbrengen oplossingsmethodes
Banende werkwijze: voorbeelden geven en zelf laten ontdekken hoe de
oplossingsmethodes in elkaar steken (zelf laten verwoorden wat het goed en fout
deed om zo tot een bepaalde oplossing te komen bevordert creativiteit en
generalisatie)
Sturende werkwijze: systematisch de stappen aanbrengen om tot een goede
oplossing te komen, voortonen en voorzeggen (niet bevorderend creativiteit en
generalisatie, gestructureerd en orthodidactisch beter, vergt minder tijd en meer
geordende kennis komen tot een goede oplossing)
Leerproblemen aanvankelijk sturende en daarna overgang banende werkwijze =
banend sturen.
Wendbaarheid van het geleerde
Transfer
18x7 niet veel moeilijker dan 8x7 inzicht in honderdveld makkelijk
optellen
Fouten tegen wendbaarheid:
Niet het gewenste abstractieniveau bereiken
Tekort aan oplossingsmethodes
Te geringe eisen aan denkwerk
o Het geheugen/memoriseren
Sporen vastleggen in hersenen clusters vormen = sporensysteem
Tussen verschillende sporensystemen weinig connectie = systeemscheiding
Kenmerken systeemscheiding:
Individueel verschillend
Belangrijke en onbelangrijke info
Wisselende activiteit
Sporensysteem zo lang inactief dat men het niet meer kan oproepen = vergeten
Helemaal niet meer werkzaam = klontering geheugeninhouden opnieuw leren waarbij
instructies zo kort en duidelijk mogelijk gehouden worden.
4