Straffen
Week 1
Straf is volgens de formele definitie een als zodanig bedoeld door de overheid toegebracht
leed op grond van een in het strafwetboek als delict omschreven normschending. De
Nederlandse rechter is de enige aangewezen persoon die vrijheidsbenemende sancties op
mag leggen, maar ook het OM en de politie hebben bevoegdheden om straffen op te
leggen. Voor straf moet er sprake zijn van een opzettelijke leedtoevoeging, een reactie die is
veroorzaakt door en zijn grondslag vindt in een gedraging die afkeuring verdient en die
verwijtbaar is en er zal met de pijnlijke straf meestal een verder gelegen doel worden
nagestreefd. Straf is dus samengevat een weloverwogen opzettelijke toevoeging van leed
aan een ander, dat op zichzelf achterwege had kunnen blijven, op grond van een verwijtbare
gedraging, die afkeuring verdient en ter bereiking van een bepaald doel of bepaalde doelen
plaatsvindt.
Straf beperkt zich echter niet tot het strafrecht van de overheid, daarnaast is er het
privaatrecht maar ook particuliere organisaties kennen punitieve praktijken zoals het
straffen op school of binnen het gezin.
Straffen en maatregelen zijn twee soorten strafrechtelijke sancties, reacties op
ongeoorloofd gedrag. Het verschil tussen straffen en maatregelen is gelegen in het doel dat
ermee wordt beoogd. Met de oplegging van een straf wordt in de eerste plaats vergelding
beoogd, de veroordeelde wordt getroffen in een belang dat hem dierbaar is. Ook zal de straf
preventie tot doel hebben, de dader moet worden afgeschrikt om hetzelfde feit nogmaals
te plegen, dit is speciale preventie. Ook is er generale preventie, de anderen die van de
gedraging hebben gehoord moeten ervan worden weerhouden om in het voorbeeld te
volgen. Straffen zijn op te delen in hoofdstraffen en bijkomende straffen, onder de
hoofdstraffen vallen de gevangenisstraf, hechtenis, de taakstraf en de geldboete. Onder de
bijkomende straffen vallen de ontzetting uit bepaalde rechten, verbeurdverklaring en
openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Maatregelen hebben tot doel het beveiligen
van de samenleving of het bewerkstelligen van rechtsherstel. Maatregelen kunnen ook
worden opgelegd zonder dat de rechter heeft geconstateerd dat de verdachte een strafbaar
feit heeft gepleegd. De maatregelen zijn de onttrekking aan het verkeer,
ontnemingsmaatregel, schadevergoedingsmaatregel, plaatsing in een psychiatrisch
ziekenhuis, terbeschikkingstelling, ISD-maatregel, en de vrijheidsbeperkende maatregel.
Maar het sanctiestelsel is al diffuser geworden waardoor de doelen van straffen en
maatregelen breder kunnen zijn geworden.
In de wet is geregeld dat feiten slechts strafbaar zijn in door de wet aangegeven gevallen, dit
is het legaliteitsbeginsel. De wet geeft ook aan welke soort straf er voor ieder strafbaar feit
is toegelaten en hoe hoog de straf maximaal mag zijn. Hierdoor wordt de rechter ingeperkt
in zijn straftoemetingsbeslissing. Ook is het van belang dat de straf in gelijke verhouding
staat tot het delict, dit is het proportionaliteitsbeginsel. Daarnaast wordt er bij het
opleggen van een straf rekening gehouden met strafverzwarende- en verlichtende
omstandigheden.
1
,Het uitdelen van straffen aan plegers van delicten wordt dus verondersteld een passende en
rechtvaardige reactie te zijn op normovertredend gedrag. Maar wat is dan passend en
rechtvaardig? Er is een morele rechtvaardiging voor straf nodig omdat het uitdelen van straf
van overheidswege in zichzelf een moreel problematische praktijk is, het gaat namelijk om
het toevoegen van leed. Buiten de context van het strafrecht wordt die opzettelijke
leedtoevoeging namelijk als slecht bevonden. Doorgaans zijn er twee lagen te onderkennen
in morele theorieën over straf. De eerste laag betreft de algemene rechtvaardiging van de
praktijk van het straffen, hier wordt er een antwoord gegeven op de vraag waarom de
praktijk van straffen goed en gerechtvaardigd zou zijn. De tweede laag betreft antwoorden
op de vraag wie er in aanmerking komen voor straf en op welke wijze er gestraft behoort te
worden, hierin vind je de concrete strafdoelen terug die worden nagestreefd. Dit worden de
rules of allocation genoemd. Er zijn twee invloedrijke benaderingen van de zin en doelen
van straf: utilitaristische en retributivistische theorieën.
Utilitaristische theorieën zijn toekomstgericht en de algemene rechtvaardiging voor de
praktijk van straffen wordt in gevonden van het veronderstelde nut van straffen, de utiliteit,
voor de toekomst. Het gaat hier om het vergroten van het algemeen welzijn. Die utiliteit
rechtvaardigt de straf en weegt dus zwaarder dan het leed dat aan een individu wordt
toegevoegd door middel van straf. Dit zijn ook wel consequentialistische, relatieve of
instrumentalistische theorieën genoemd. Deze theorieën zijn gericht op de reductie van
criminaliteit in de toekomst. Voor die reductie en preventie zijn de individuele en algemene
afschrikking, de rehabilitatie en resocialisatie en de incapacitatie van belang. Een belangrijke
naam binnen het utilitarisme is Jeremy Bentham, hij stelt dat van een criminele handeling
wordt afgezien wanneer de verwachte pijn zwaarder weegt dan het verwachte plezier. Dit is
het idee van de rationele keuze theorie. Straf is echter volgens hem ook een kwaad omdat
het opzettelijk leed toevoegt, en kan dus alleen gerechtvaardigd zijn voor zover het belooft
om ook verder kwaad uit te sluiten middels preventie. Straffen mogen nooit meer zijn dan
wat er nodig is om de beoogde utiliteit te bereiken, er mag geen sprake zijn van nodeloze
leedtoevoeging, en ook mogen straffen niet worden opgelegd wanneer er hier geen enkel
nut van te verwachten valt. Dit is Bentham’s utilitaristische versie van de proportionaliteit,
het uitdelen van straf is geen universele noodzaak of eis.
Beccaria is hier ook van belang, hij was een belangrijke inspiratiebron voor Bentham. Echter
verschilt zijn utilitaristische benadering van straf op een aantal punten van Bentham. Ook hij
beschouwt straf als een kwaad dat nooit zwaarder mag zijn dan strikt nodig voor het
bereiken van het beoogde nut in de preventie van criminaliteit. Het doel van straf is dan ook
de preventie. De voorkeur gaat hier uit naar straffen die de meest efficiënte en duurzame
indruk nalaten op het volk en die de delinquent toch als de minst wrede ondervindt.
Beccaria grijpt terug naar het maatschappelijk contract, wat is afgesloten om de grootst
mogelijk bescherming van ieder individu te bieden en niet om het grootst mogelijke utiliteit
na te streven. Het kleine deel van de individuele vrijheid wat wordt opgeofferd aan het
maatschappelijk contract verschaft de heerser niet het recht om een onschuldige te straffen
ten behoeve van het algemeen welzijn.
Retributivistische theorieën zijn retrospectief en non-consequentionalistisch. De algemene
rechtvaardiging voor de praktijk van straffen ligt in deze theorieën doorgaans in een morele
balans die verstoord is ten gevolge van een misdrijf. Het uitdelen van straf is in zichzelf
gerechtvaardigd, verdiend en moreel goed omdat hiermee die verstoorde balans hersteld
wordt. Straf heeft dus een inherente morele waarde als reactie op criminaliteit die geen
rechtvaardiging nodig heeft in termen van toekomstig nut zoals bij het utilitarisme het geval
2
, is. Dit zijn ook wel absolute- en vergeldingstheorieën. Het straffen van daders is dus
intrinsiek goed.
Er bestaan binnen het retributivisme wel enkele stromingen die grote verschillen kennen in
de mening waarom juist straf de meest geschikte reactie op normovertredend gedrag is. Het
negatief retributivisme berust op het (negatieve) principe dat alleen zij die schuldig zijn
gestraft mogen worden en dat de straf niet zwaarder mag zijn dan dat evenredigheid
toelaat. Straf is dus geen noodzakelijke reactie op criminaliteit, het is toegestaan indien het
verenigbaar is met dit principe. Het straffen van onschuldigen om zo potentiele daders af te
schrikken wordt hier verboden. Echter wordt er hier geen antwoord gegeven op de vraag
waarom straf nou is toegestaan. Het positief retributivisme is wel volledig in de
verantwoording van straf. Er wordt hier gesteld dat ‘gerechtigheid’ eist dat straf uitgedeeld
wordt aan de plegers van delicten, er bestaat een morele noodzaak of plicht om te straffen
aan de hand van het maximum dat het negatief retributivisme stelt. Kant stelde dat het
straffen van daders een categorisch imperatief is, het is een morele noodzaak. Er wordt hier
niet gekeken naar de goede of slechte effecten van straf. Hier is bij de zwaarte van de
straffen de lex talionis van belang, het gaat hier om oog om oog en tand om tand.
Binnen verenigingstheorieën worden elementen uit zowel het utilitarisme als het
retributivisme gecombineerd. Dit zijn ook wel gemengde of hybride theorieën en er kunnen
twee vormen worden onderscheiden. Ten eerste is er de utiliteit, het bevorderen van het
algemeen welzijn, als algemene rechtvaardiging voor de praktijk. Alleen de schuldigen
mogen gestraft worden en dit mag alleen in evenredigheid met de ernst van het feit en de
schuld van de dader. Hier is het negatieve retributieve principe omarmd als een limiterend
beginsel. Dan is er ten tweede de retributie als algemene rechtvaardiging voor de praktijk.
Het uitdelen van straf aan plegers van delicten tot de bovengrens van het negatieve principe
is hier niet langer een morele plicht. De utilitaire overwegingen staan toe dat er minder
gestraft wordt en er zelfs van straf afgezien mag worden, vergelding vormt het wezen van
de straf. De ondergrens is dat alleen die personen die schuldig aan een misdrijf worden
bevonden in aanmerking komen voor straf.
Daarnaast is er tenslotte het alternatief paradigma van herstelrecht, waarbij wordt beoogd
het traditionele strafrechtsysteem wat wordt gedomineerd door vergelding en rehabilitatie
te vervangen door een systeem waarbij de nadruk ligt op conflictoplossing door middel van
herstellen of compenseren van geleden schade.
Er bestaan verschillende doelen die worden gepoogd te bereiken met straffen: vergelding,
herstellen van onrecht, afschrikking, incapacitatie, rehabilitatie en resocialisatie. Deze
doelen hebben invloed op wie er wordt gestraft, het type straf dat er wordt opgelegd en de
zwaarte van deze straf. Maar ook is het van belang wat de details van de concrete casus zijn
wanneer er wordt gekeken naar welk strafdoel als het belangrijkste wordt gezien.
Von Hirsch (2009) heeft het over evenredig straffen, het desert perspective: de straf moet
evenredig zijn aan de zwaarte van het gepleegde delict. Deze benadering valt onder het
retributivisme. Desert staat voor verdiende loon en dit wordt gezien als een centrale eis van
rechtvaardigheid bij straffen. Het gaat hier vooral om de just uitkomsten: de nadruk ligt hier
op wat de dader verdient voor het begane delict en niet zozeer op hoe de straf toekomstig
gedrag van de dader zelf of van anderen beïnvloedt. Ook geeft deze benadering
duidelijkheid, de straffer hoeft slechts de ernst van het delict en de mate van de schuld van
de dader te overwegen en hoeft geen rekening te houden met het preventieve aspect van
3