Moresprudentie
H1 Herkennen
Methodisch perspectief: welke methode is het beste?
Empirisch perspectief: hoe valt de beslissing feitelijk uit?
Ethisch perspectief: normen/waarden
Normatieve professionaliteit: herkennen van morele keuzes
Moresprudentie: vastleggen van uitkomst van morele discussies
Drie wereld model:
Cognitief perspectief: feiten, waarheid
Normatief perspectief: normen/waarden, juistheid
Subjectief perspectief: gevoelens, waarachtigheid
Analogie: anderen vergelijken met onszelf
3 soorten beweringen:
feitelijk
normatief (ik wil, bv eerlijkheid)
expressief (emoties)
3 morele vergissingen:
emotivisme (te subjectief)
naturalisme (te cognitief)
moralisme (te normatief)
Moraal: alle normen en waarden
Ethiek: situatie bestuderen aan de hand van normen en waarden
Meta-ethiek: reflectie op ethiek
3 fasen geweten:
preconventioneel stadium: straf/beloning
conventioneel stadium: de groep
postconventioneel stadium: eigen keuze
Morele relevantie: wilsvrijheid en verantwoordelijkheid
, Existentialisme: vrijheid
Determinisme: wetten
Interdeterminisme: beide
3 niveaus urgentie:
moreel dilemma: 2 handelingsalternatieven die verbonden zijn aan
essentiële waarden, vaak 2 kwaden
moreel probleem: duidelijke keuze
morele kwestie: geen druk
4 soorten morele kwesties:
individuele rechten/welzijn cliënt
algemeen welzijn samenleving
gelijkheid, diversiteit, onderdrukking
beroepsrol
3 ontsnappingsstrategieën moraal:
restauratie: te snel afhandelen
moreel relativisme: moraal wordt verwaarloosd
geweten wegdrukken
H2 Normatief
3 hoofdstromen ethiek:
gevolgenethiek (utilitisme): gevolgen handeling, welzijn als waarde,
ieder persoon telt even zwaar, zo veel mogelijk mensen baat bij gevolg,
beperken lijden
plichtethiek (regels):
status opsteller regel (god)
redelijkheid regel
democratische totstandkoming regel
autonoom handelen door:
hypothetisch imperatief: ik wil x dus ik doe y
absoluut imperatief: bepaalt doel van handelen (handel volgens
grondregel waarvan je zou willen dat het algemene wet wordt,
mensheid als middel en doel, iedereen moet handelen als wetgevend lid
van universele doelen)
H1 Herkennen
Methodisch perspectief: welke methode is het beste?
Empirisch perspectief: hoe valt de beslissing feitelijk uit?
Ethisch perspectief: normen/waarden
Normatieve professionaliteit: herkennen van morele keuzes
Moresprudentie: vastleggen van uitkomst van morele discussies
Drie wereld model:
Cognitief perspectief: feiten, waarheid
Normatief perspectief: normen/waarden, juistheid
Subjectief perspectief: gevoelens, waarachtigheid
Analogie: anderen vergelijken met onszelf
3 soorten beweringen:
feitelijk
normatief (ik wil, bv eerlijkheid)
expressief (emoties)
3 morele vergissingen:
emotivisme (te subjectief)
naturalisme (te cognitief)
moralisme (te normatief)
Moraal: alle normen en waarden
Ethiek: situatie bestuderen aan de hand van normen en waarden
Meta-ethiek: reflectie op ethiek
3 fasen geweten:
preconventioneel stadium: straf/beloning
conventioneel stadium: de groep
postconventioneel stadium: eigen keuze
Morele relevantie: wilsvrijheid en verantwoordelijkheid
, Existentialisme: vrijheid
Determinisme: wetten
Interdeterminisme: beide
3 niveaus urgentie:
moreel dilemma: 2 handelingsalternatieven die verbonden zijn aan
essentiële waarden, vaak 2 kwaden
moreel probleem: duidelijke keuze
morele kwestie: geen druk
4 soorten morele kwesties:
individuele rechten/welzijn cliënt
algemeen welzijn samenleving
gelijkheid, diversiteit, onderdrukking
beroepsrol
3 ontsnappingsstrategieën moraal:
restauratie: te snel afhandelen
moreel relativisme: moraal wordt verwaarloosd
geweten wegdrukken
H2 Normatief
3 hoofdstromen ethiek:
gevolgenethiek (utilitisme): gevolgen handeling, welzijn als waarde,
ieder persoon telt even zwaar, zo veel mogelijk mensen baat bij gevolg,
beperken lijden
plichtethiek (regels):
status opsteller regel (god)
redelijkheid regel
democratische totstandkoming regel
autonoom handelen door:
hypothetisch imperatief: ik wil x dus ik doe y
absoluut imperatief: bepaalt doel van handelen (handel volgens
grondregel waarvan je zou willen dat het algemene wet wordt,
mensheid als middel en doel, iedereen moet handelen als wetgevend lid
van universele doelen)