SAMENVATTING 103
“HC’s 1-7”
HOORCOLLEGE 1
Juiste keuze van farmacon:
Werkzame stof / Farmacon: is een chemische of biologische verbinding die in het lichaam bepaalde
fysiologische parameters of het ziektebeeld wijzigt.
Farmacon substraat interacties:
Denk aan:
• Membranen
o hoe gemakkelijk kan het farmacon door de bloedvaatwanden, intercellulaire
membranen, cellen over celmembranen,
• Weefsel & Organen
o het farmacon moet goed in weefsels/organen kunnen binnendringen
• Enzymen
o het farmacon kan enzymen tegen komen die het farmacon inactiveren, afbreken.
• Eiwitbinding
o bindingen met eiwitten, is het beschikbaar om de bindingen te maken.
• Receptoren
o voor een goede affiniteit tussen de receptor en het farmacon.
Of het zal lukken hangt af van de toedieningsvorm en van de fysische eigenschappen van het
farmacon:
Fysische eigenschappen:
- Lipofiliteit
o Lipofiel? Hydrofiel? Geladen? Log P?
- Grootte
o Hoe groot zijn de moleculen?
- pKa
o Positief? Negatief?
Toedieningsvormen:
- Ze zijn nodig om het farmacon te helpen met het reis door het lichaam heen.
o Hiervoor heb je de juiste hulpstoffen voor nodig.
Juiste keuze van hulpstoffen:
Geneesmiddel: farmacologische actieve stof (API) geformuleerd in een toedieningsvorm.
- Formulering: kwantitatieve samenstelling van de toedieningsvorm: API + Hulpstoffen
o Hulpstoffen = excipients
De rol van de toedieningsvorm:
• Maakt farmacon hanteerbaar en toedienbaar (te weinig stof om te ‘pakken’, dus dan niet
doseerbaar, vaak ook moeilijk oplosbaar).
• Kan toedieningsgemak vergroten (bijvoorbeeld: ‘sustained/slow release’, minder
toedieningen vergroot therapietrouw, bijvoorbeeld oraal, SC, IM)
• Kan slechte smaak of geur verbergen.
• Kan voortijdige afbraak voorkomen (bijvoorbeeld in zure pH maag, ‘delayed release’, geen
afgifte voordat dunne darm is bereikt.)
• Kan maag beschermen (‘delayed release’, bijvoorbeeld ‘enteric coating’).
• Prettig alternatief voor injectie (bijvoorbeeld zetpil, sublinguaal, geen first pass effect).
1
, Lokale toediening:
Het beste zou zijn: het toedienen op de plaats waar effect moet optreden.
• Sterke en snelle werking
• Bijwerkingen afwezig/minimaal
Lokale toediening → lokale effect als doel
• Soms kan het een systemische effect (via de bloed gaan) als doel (bijvoorbeeld in de neus, of
op de huid, dan gaat het in het bloed, dus het wordt systemisch).
o Nasaal
o Transdermaal
MAAR: Lokale toediening kan lang niet altijd: veel plaatsen niet direct bereikbaar
➔ Dan transport via bloed “systemisch effect’.
Orale toediening
Route van voorkeur
Voordelen:
• Eenvoudig en pijnloos in te nemen / toe te dienen
• Gemakkelijk
• Hoeft niet steriel te zijn
• Snelle productie van grote hoeveelheden
• Afgifte te beïnvloeden
Maar: orale toediening lukt niet altijd
• Farmacon onvoldoende of te langzaam opgenomen (geabsorbeerd)
• Farmacon afgebroken in het maagdarmkanaal (mdk)
• patiënt-gerelateerde factoren: bewusteloos, weigert medewerking, maagdarmkanaal
functioneert niet.
Parenterale toediening (buiten het maagdarmkanaal om):
Voordelen:
• Direct en snel in het lichaam
• Omzeiling maagdarmkanaal
Effect:
• Systemisch effect (via bloed)
Nadelen:
• Onaangenaam (pijn/angst)
• Veelal onherroepelijk
• Infectiegevaar (steriele TV)
• Kan vaak niet thuis zelf doen → Kostbaar
2
, Intraveneuze toediening – geen absorptiefase:
• Snelle werking (wel vaak kort)
o Hoeft niet te reizen door het maagdarmkanaal.
• Maximale beschikbaarheid
Intramusculair toediening:
- 90 garden in de spieren
Subcutaan toediening:
- 45 graden in de huid
Intradermaal:
- 10-15 graden in de huid
Biofarmacie:
Een geheel nieuw aspect van bereiding van geneesmiddelen doet haar intrede:
• Interactie van het farmacon met toedieningsvorm / lichaam.
o Reis van het farmacon na orale toediening van een tablet.
Van verwerking naar werkzaamheid:
Het moet er in: Verwerking in TV
• Farmaceutische recepteerkunde Farmacon
• Artsenijbereidkunde
• Formuleren Hulpstoffen
▪ Bindmiddel
▪ Glijmiddel
▪ Vulstof
▪ Desintegratiemiddel
▪ Grensvlak actieve stof
▪ Viscosteitsverhogende stof
▪ Conserveermiddel
Bij fysisch-chemische eigenschappen:
De fysisch-chemische eigenschappen bepalen welke hulpstoffen je nodig hebt.
Het moet eruit: In het lichaam:
• Biofarmacie Uiteenvallen
Oplossen
Absorptie
Verdeling
Eliminatie
Receptor interactie
Uiteenvallen: uiteenvallen in kleiner deeltjes
Oplossen: oplossen in het maagdarmkanaal sappen
Absorptie: absorptie door het maagdarmkanaal
Verdeling: verdeling in het bloed → gaat door het lichaam heen
Eliminatie: uitscheiden in lever en nieren
Receptor interactie: interactie van het farmacon met de receptoren voor een goede werking
3
, Farmacokinetische fase vs. Tijd:
Blauwe lijn = intraveneus toediening:
- Er zit 100% van het farmacon in het bloed
- Gaat door organen, cellen wordt uitgescheiden → neemt met de tijd af
Rood lijn = orale toediening:
- Moet eerst oplossen en geabsorbeerd worden door het maagdramkanaal → stijging met de
tijd in het grafiek
- Gaat door organen, cellen wordt uitgescheiden → neemt met de tijd af.
Groene lijn = farmacon die lang aanhoudende spiegel in het bloed heeft.
- Te langzaam afgifte van het farmacon
De 3 fasen na orale toediening:
• Farmaceutische fase
o Uiteenvallen
o Bevochtigen poederdeeltjes
o Oplossen
• Farmacokinetische fase:
o Opname in bloed (absorptie)
o Verdeling
o Eliminatie
• Farmacodynamische fase:
o Receptor interactie
Farmaceutische Beschikbaarheid (FB):
Fractie van de dosis van het farmacon die in een voor absorptie geschikte vorm (opgelost) uit een
toedieningsvorm vrijkomt.
• Oplossen maat in maagdarmkanaal sappen.
o Als het farmacon 100% oplost in het maagdarmkanaal sappen = 100%
farmaceutische beschikbaarheid = 1
4
“HC’s 1-7”
HOORCOLLEGE 1
Juiste keuze van farmacon:
Werkzame stof / Farmacon: is een chemische of biologische verbinding die in het lichaam bepaalde
fysiologische parameters of het ziektebeeld wijzigt.
Farmacon substraat interacties:
Denk aan:
• Membranen
o hoe gemakkelijk kan het farmacon door de bloedvaatwanden, intercellulaire
membranen, cellen over celmembranen,
• Weefsel & Organen
o het farmacon moet goed in weefsels/organen kunnen binnendringen
• Enzymen
o het farmacon kan enzymen tegen komen die het farmacon inactiveren, afbreken.
• Eiwitbinding
o bindingen met eiwitten, is het beschikbaar om de bindingen te maken.
• Receptoren
o voor een goede affiniteit tussen de receptor en het farmacon.
Of het zal lukken hangt af van de toedieningsvorm en van de fysische eigenschappen van het
farmacon:
Fysische eigenschappen:
- Lipofiliteit
o Lipofiel? Hydrofiel? Geladen? Log P?
- Grootte
o Hoe groot zijn de moleculen?
- pKa
o Positief? Negatief?
Toedieningsvormen:
- Ze zijn nodig om het farmacon te helpen met het reis door het lichaam heen.
o Hiervoor heb je de juiste hulpstoffen voor nodig.
Juiste keuze van hulpstoffen:
Geneesmiddel: farmacologische actieve stof (API) geformuleerd in een toedieningsvorm.
- Formulering: kwantitatieve samenstelling van de toedieningsvorm: API + Hulpstoffen
o Hulpstoffen = excipients
De rol van de toedieningsvorm:
• Maakt farmacon hanteerbaar en toedienbaar (te weinig stof om te ‘pakken’, dus dan niet
doseerbaar, vaak ook moeilijk oplosbaar).
• Kan toedieningsgemak vergroten (bijvoorbeeld: ‘sustained/slow release’, minder
toedieningen vergroot therapietrouw, bijvoorbeeld oraal, SC, IM)
• Kan slechte smaak of geur verbergen.
• Kan voortijdige afbraak voorkomen (bijvoorbeeld in zure pH maag, ‘delayed release’, geen
afgifte voordat dunne darm is bereikt.)
• Kan maag beschermen (‘delayed release’, bijvoorbeeld ‘enteric coating’).
• Prettig alternatief voor injectie (bijvoorbeeld zetpil, sublinguaal, geen first pass effect).
1
, Lokale toediening:
Het beste zou zijn: het toedienen op de plaats waar effect moet optreden.
• Sterke en snelle werking
• Bijwerkingen afwezig/minimaal
Lokale toediening → lokale effect als doel
• Soms kan het een systemische effect (via de bloed gaan) als doel (bijvoorbeeld in de neus, of
op de huid, dan gaat het in het bloed, dus het wordt systemisch).
o Nasaal
o Transdermaal
MAAR: Lokale toediening kan lang niet altijd: veel plaatsen niet direct bereikbaar
➔ Dan transport via bloed “systemisch effect’.
Orale toediening
Route van voorkeur
Voordelen:
• Eenvoudig en pijnloos in te nemen / toe te dienen
• Gemakkelijk
• Hoeft niet steriel te zijn
• Snelle productie van grote hoeveelheden
• Afgifte te beïnvloeden
Maar: orale toediening lukt niet altijd
• Farmacon onvoldoende of te langzaam opgenomen (geabsorbeerd)
• Farmacon afgebroken in het maagdarmkanaal (mdk)
• patiënt-gerelateerde factoren: bewusteloos, weigert medewerking, maagdarmkanaal
functioneert niet.
Parenterale toediening (buiten het maagdarmkanaal om):
Voordelen:
• Direct en snel in het lichaam
• Omzeiling maagdarmkanaal
Effect:
• Systemisch effect (via bloed)
Nadelen:
• Onaangenaam (pijn/angst)
• Veelal onherroepelijk
• Infectiegevaar (steriele TV)
• Kan vaak niet thuis zelf doen → Kostbaar
2
, Intraveneuze toediening – geen absorptiefase:
• Snelle werking (wel vaak kort)
o Hoeft niet te reizen door het maagdarmkanaal.
• Maximale beschikbaarheid
Intramusculair toediening:
- 90 garden in de spieren
Subcutaan toediening:
- 45 graden in de huid
Intradermaal:
- 10-15 graden in de huid
Biofarmacie:
Een geheel nieuw aspect van bereiding van geneesmiddelen doet haar intrede:
• Interactie van het farmacon met toedieningsvorm / lichaam.
o Reis van het farmacon na orale toediening van een tablet.
Van verwerking naar werkzaamheid:
Het moet er in: Verwerking in TV
• Farmaceutische recepteerkunde Farmacon
• Artsenijbereidkunde
• Formuleren Hulpstoffen
▪ Bindmiddel
▪ Glijmiddel
▪ Vulstof
▪ Desintegratiemiddel
▪ Grensvlak actieve stof
▪ Viscosteitsverhogende stof
▪ Conserveermiddel
Bij fysisch-chemische eigenschappen:
De fysisch-chemische eigenschappen bepalen welke hulpstoffen je nodig hebt.
Het moet eruit: In het lichaam:
• Biofarmacie Uiteenvallen
Oplossen
Absorptie
Verdeling
Eliminatie
Receptor interactie
Uiteenvallen: uiteenvallen in kleiner deeltjes
Oplossen: oplossen in het maagdarmkanaal sappen
Absorptie: absorptie door het maagdarmkanaal
Verdeling: verdeling in het bloed → gaat door het lichaam heen
Eliminatie: uitscheiden in lever en nieren
Receptor interactie: interactie van het farmacon met de receptoren voor een goede werking
3
, Farmacokinetische fase vs. Tijd:
Blauwe lijn = intraveneus toediening:
- Er zit 100% van het farmacon in het bloed
- Gaat door organen, cellen wordt uitgescheiden → neemt met de tijd af
Rood lijn = orale toediening:
- Moet eerst oplossen en geabsorbeerd worden door het maagdramkanaal → stijging met de
tijd in het grafiek
- Gaat door organen, cellen wordt uitgescheiden → neemt met de tijd af.
Groene lijn = farmacon die lang aanhoudende spiegel in het bloed heeft.
- Te langzaam afgifte van het farmacon
De 3 fasen na orale toediening:
• Farmaceutische fase
o Uiteenvallen
o Bevochtigen poederdeeltjes
o Oplossen
• Farmacokinetische fase:
o Opname in bloed (absorptie)
o Verdeling
o Eliminatie
• Farmacodynamische fase:
o Receptor interactie
Farmaceutische Beschikbaarheid (FB):
Fractie van de dosis van het farmacon die in een voor absorptie geschikte vorm (opgelost) uit een
toedieningsvorm vrijkomt.
• Oplossen maat in maagdarmkanaal sappen.
o Als het farmacon 100% oplost in het maagdarmkanaal sappen = 100%
farmaceutische beschikbaarheid = 1
4