Hoofdstuk 2: Methodologie in sociologisch onderzoek
6 Basiscategorieën van kennis: - Gezond verstand
- Kennis gebaseerd op autoriteit
- Ervaringskennis
- Traditionele kennis
- Niet-rationele kennis
- Wetenschappelijke kennis
Wetenschappelijke methode: Een systematische georganiseerde opeenvolgingen van stappen die
een maximale objectiviteit en betrouwbaarheid moet garanderen.
Methodologie: Een strategie bij het uitvoeren van sociologisch onderzoek.
Positivisten: Menselijk gedrag meten op een objectieve manier. Hypotheses kunnen getest
worden door empirische observaties.
Interpretivisten: Onderzoeker moet zoveel mogelijk een insider worden in het dagelijkse leven
van een onderzoeksobject.
Kwantitatief onderzoek: verzameling en presentatie van numerieke data
Hoeveel en hoe groot vragen
Kwalitatief onderzoek: Het begrijpen van sociale situaties en de betekenissen die mensen hechten
aan sociaal gedrag.
Hoe en waarom vragen
Wat vragen
Onderzoeksmethode: systematische wijze voor het uitvoeren van onderzoek.
Experiment: Onderzoeksmethode die oorzaak en gevolg onderzoekt onder sterk gecontroleerde
condities. Het verzamelt bewijs om een hypothese te verwerpen of aan te nemen.
-onafhankelijke variabele <--> afhankelijke variabele
-Initiële waarde van de afhankelijke variabele
-Afhankelijke variabele blootstellen aan onafhankelijke variabele
-Opnieuw meten van afhankelijke variabele en zien of er verandering opgetreden is
Survey: Onderzoeksmethode waarbij onderzoeksobjecten een serie van vragen in een
vragenlijst of een interview beantwoorden.
-Schriftelijke vragenlijst (verkeerd antwoorden)
-Mondelinge interviews (sociale wenselijkheidsissues)
-Open vragen (op exploratieve wijze meer te weten komen over bepaalde zaken)
Participerende observaties: Onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker op systematische wijze
mensen observeert tijdens hun routinebezigheden.
=>Reactief effect: Onderzoeksobjecten weten dat ze onderzocht worden dus gaan ze zich
anders gedragen.
Secundaire analyse: Hierbij zijn de datagegevens verzameld niet door de onderzoeker zelf maar
zijn deze afkomstig van registratiegegevens van andere instanties of van het
onderzoeksubject zelf.
=>Hawthorne effect: Weten dat men onderzocht wordt verandert het gedrag al.
6 Basiscategorieën van kennis: - Gezond verstand
- Kennis gebaseerd op autoriteit
- Ervaringskennis
- Traditionele kennis
- Niet-rationele kennis
- Wetenschappelijke kennis
Wetenschappelijke methode: Een systematische georganiseerde opeenvolgingen van stappen die
een maximale objectiviteit en betrouwbaarheid moet garanderen.
Methodologie: Een strategie bij het uitvoeren van sociologisch onderzoek.
Positivisten: Menselijk gedrag meten op een objectieve manier. Hypotheses kunnen getest
worden door empirische observaties.
Interpretivisten: Onderzoeker moet zoveel mogelijk een insider worden in het dagelijkse leven
van een onderzoeksobject.
Kwantitatief onderzoek: verzameling en presentatie van numerieke data
Hoeveel en hoe groot vragen
Kwalitatief onderzoek: Het begrijpen van sociale situaties en de betekenissen die mensen hechten
aan sociaal gedrag.
Hoe en waarom vragen
Wat vragen
Onderzoeksmethode: systematische wijze voor het uitvoeren van onderzoek.
Experiment: Onderzoeksmethode die oorzaak en gevolg onderzoekt onder sterk gecontroleerde
condities. Het verzamelt bewijs om een hypothese te verwerpen of aan te nemen.
-onafhankelijke variabele <--> afhankelijke variabele
-Initiële waarde van de afhankelijke variabele
-Afhankelijke variabele blootstellen aan onafhankelijke variabele
-Opnieuw meten van afhankelijke variabele en zien of er verandering opgetreden is
Survey: Onderzoeksmethode waarbij onderzoeksobjecten een serie van vragen in een
vragenlijst of een interview beantwoorden.
-Schriftelijke vragenlijst (verkeerd antwoorden)
-Mondelinge interviews (sociale wenselijkheidsissues)
-Open vragen (op exploratieve wijze meer te weten komen over bepaalde zaken)
Participerende observaties: Onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker op systematische wijze
mensen observeert tijdens hun routinebezigheden.
=>Reactief effect: Onderzoeksobjecten weten dat ze onderzocht worden dus gaan ze zich
anders gedragen.
Secundaire analyse: Hierbij zijn de datagegevens verzameld niet door de onderzoeker zelf maar
zijn deze afkomstig van registratiegegevens van andere instanties of van het
onderzoeksubject zelf.
=>Hawthorne effect: Weten dat men onderzocht wordt verandert het gedrag al.