Donderdag 27 september 2018: Les 1
Proefexamen november
Inleiding
Figuur 0.1
Economische welvaart stijgt
2 patronen:
Stagnatie (vlakke lijn) è inkomen per hoofd voor alle inwoners is
amper veranderd
Na 1850 è economische groei, inkomen begint ongelijk te groeien
Waarom 1850? Industriële revoluties (eerste stoommachines+massaproductie textiel mogelijk)
In China/Mexico heeft technologie geen invloed gehad.
DIVERSITEIT IN DE ECONOMIE WAS ER ALTIJD
Tweeddeling: westen vs. periferie
Westen = money money
Moet je zeer rijk zijn om lang te leven? (Luik A)
Hoe rijker hoe langer levensverwachting
Opvallend: in arme landen met minder hoog inkomen ook hoog levensverwachting
Redenen: rijke landen betere gezondheidszorg & meer aandacht voor hygiëne
Boek
Blue zones (5) èplaatsen waar mensen enorm lang leven
Er is echt wetenschappelijk onderzoek met geboortecertificaten etc. dus 100% zekerheid
Wealth staat niet in de 3 cirkels (wel groenten, fietsen, eat nuts xp)
Brengt rijkdom welzijn/geluk/tevredenheid
Landen die het rijkst zijn, zijn de mensen het gelukkigst maar ook minder rijke landen nog cava hoog
We zijn vooral rijk geworden door steenkool (rond 1800), aardolie (1880), aardgas (1950) = fossiele
bronnen
Figuur 0.3
Co2 stijgt
Deze is idem als figuur 0.1
Onze rijkdom vandaag is ‘geleend’, blijft in de atmosfeer
We moeten CO2 onder controle houden en dat heeft ook invloed op onze economie
= niet vermarkten van de gekende wereldeconomie
De klimaatuitdaging
Niet alleen een milieuprobleem maar ook een economisch probleem
1
,Hoofdstuk 1: welvaart & marktevenwicht
Hoe gaat het met onze economie?
Belgische economieè goed, zeer veel vacatures dus veel vraag naar arbeid maar er zijn knelpuntberoepen
die bijna nooit worden ingevuld (groot acuut tekort) = ‘het gaat goed maar niet goed genoeg’
Redenen van knelpuntberoepen: 1. Kwantitatief tekort door een te lage uitstroom uit het onderwijs
2. kwalitatief tekort door niet genoeg kandidaten met vaardigheden 3.minder aantrekkelijke
arbeidsomstandigheden
Overheid heeft steeds begrotingstekort dus de publieke schuld blijft elk jaar groeien (zal moeten gedragen
worden door de toekomstige generaties)
Europese commissie maakt zich hier zorgen over
Naast klimaatschuld ook publieke schuld
CONCLUSIE: Er is niet 1 maatstaf voor onze economie
Best via holistisch perspectief beoordelen (niet alleen rekening houden met de symptomen maar
ook kijken welke mechanismen aan de basis van deze symptomen liggen)
de moderne economie is een complex systeem van productie & consumptie waar bedrijven, overheden
&consumenten diverse rollen spelen.
Menselijk kapitaal= je bent consument, investeerder, burger dat de economie doet draaien
Bedrijfseconoom econoom
Deze analyseert de operationele werking van Deze bestudeert het globale economisch systeem
organisaties (bv: bedrijven & overheden) of belangrijke delen van het systeem
Vragen: zijn de productie & de dienstverlening Vb: arbeidseconoom = werking vd arbeidsmarkten
efficiënt? Bereiken de organisaties de juiste “ er is een structureel onevenwicht tussen de vraag
doelgroepen met juiste campagnes & marketing? op de arbeidsmarkt & het aanbod door
werkzoekenden, dit oplossen heeft een kost maar
zorgt voor grote baten “
Heel veel economen ook geïnteresseerd in de toekomst, ‘investeren we genoeg’ è ze beoordelen de
creatie van welvaart vanuit diverse tijdsperspectieven
Kosten-baten analyse
Door informatieproblemen kunnen economen nooit analyses maken die perfect/compleet zijn.
Economen veel aandacht voor het overheidsbeleid, analyses niet alleen voor grote
investeringsprojecten maar ook vb: sociaal beleid, fiscaal beleid…
Welvaart= kwalitatieve maatstaf die meet in welke mate de inzet van schaarse middelen leidt tot de
creatie van economische baten
2 soorten baten: monetaire & niet-monetaire
Monetaire: als hervormingen leiden tot lagere werkloosheid & hogere tewerkstelling dan
spaart de overheid werkloosheidsvergoedingen uit & kunnen bedrijven een hogere omzet
en winst realiseren
Niet-monetaire: als werkdruk daalt dan hebben minder werknemers stress & burn-outs
Via kwalitatieve maatstaven is indicatieve waardering mogelijk
Een goede economie is voor economen een economie die haar potentieel(hoe meer productiefactoren,
hoe hoger het potentieel) optimaal weet om te zetten in hoge welvaart.
¹ economie met hoge werkloosheid waarin dominante bedrijven recordwinsten boeken
2
,Global competitiveness Index(GCI) gepubliceerd door het WEF = hoe hoog is de competiviteit van uw
economie, hoe hoger hoe beter
12 ruime economische domeinen met 150 indicatoren die je in 3 groepen kan zetten:
1. Basisvereisten è de kwaliteit vd nationale instituties, de infrastructuur, de macro
economische omgeving, de gezondheidszorg & het basisonderwijs
2. Efficiëntiestimuli è efficiënte werking markten,kwaliteit hoger onderwijs, ruime
technologische readiness (belangrijk om toekomstige kansen te benutten!)
3. Innovatie en sofisticatie è gebruik nieuwe technologieën in het bedrijfsleven & en het
algemeen innovatievermogen
Zwitserland het hoogst, België op plaats 20 (vroeger plaats 17 dus we gaan wel beetje achteruit)
Zo’n rapport is belangrijk! Je kan de pijnpunten van landen zien
problemen België: problematische macro-economische omgeving door de zwakke
begrotingsdiscipline van onze regering & de hoge uitstaande schuld (3de pillar)
wel goed: gezondheidszorg, kwaliteit basisonderwijs, sofisticatie vh bedrijfsleven
Landen die het meest competitief zijn gaan het meest economische groeiboeken
CONCLUSIE: als je economische groei wilt moet je werken aan je pijnpunten en hoger scoren op GCI
Welvaart; een interdisciplinaire zoektocht
Niet alleen fysieke productie van materiële goederen & diensten maar ook heel ruim kijken naar werking
van systeem, het is interdisciplinair.
Ze willen ook maatschappelijk relevant zijn
*artikel over 3 meeste doodsoorzaken in US & puntje 3 is medische fouten (250’000 =10%) * = Amerikanen
houden dit bij, in België niet dit zorgt voor inefficiëntie in het systeem
Slecht= weinig onderzoek naar hoe we dit kunnen verbeteren
CONCLUSIE: onze gezondheidszorg is goed maar het kan beter
Chronische aandoeningen
Aka lifestyle diseases
Waar? Vroeger vooral rijke landen maar vandaag overal
Veel mensen overlijden hieraan
Westen: 35% gezondheidszorguitgaven
Factuur van deze diseases is zeer hoog en dit excl. obesitas & depressies
De helft van deze aandoeningen is gewoon te vermijden door gezonder te leven maar dit gebeurt gewoon
niet
<2% budget wordt besteed aan preventiebestedingen = NEGATIEF!
Er is niet 1 unieke oplossing voor de opmars van chronische aandoeningen , er is een interdisciplinaire
aanpak nodig!
Welvaart uit markttransacties
Vraag & aanbod kunnen elkaar fysiek maar ook digitaal (eBay…) ontmoeten
Vraag= consumenten
Aanbod= producenten
Maar niet noodzakelijk (vb: tweedehandsmarkt verkopen consumenten goederen die ze niet
3
, zelf geproduceerd hebben.
transactie= wanneer kopers en verkopers het eens worden over de prijs en de hoeveelheid
Individueel consumentensurplus uit een markttransactie = Dit is de vraagkant!
Hier is iedereen die interesse heeft in het product (wie geen interesse heeft dus niet bereid is te betalen
zie je hier niet)
Unieke marktprijs= 60
Jij wou 100 betalen
è Positief voor u, je bespaart 40 = individueel consumentensurplus (rode pijl) voor iedereen boven de
gebroken blauwe lijn
Unieke marktprijs= 60
Jij wou 50 betalen
è Gaat niet, je bent niet in de markt
Die driehoek met de rode pijl = is het totale consumentensurplus
Hoe lager de prijs, hoe hoger de gevraagde hoeveelheid = de wet van de vraag
Voorbeeld om aanbodkant in te leiden
3D-printer: 5000 euro (voor 1000 objecten)
Je gaat printer commercieel gebruiken
Kapitaalkost (= vaste kost) per item: €5 (1000 x 5)
Materiaalkost per item (= marginale kost*): €4
*= bijkomende productiekost per extra geproduceerde eenheid
Totale kostprijs per product: €9
Stel iemand komt zegt ik kan maar €7 geven
2 opties:
1.Nee sorry da ga nie
2. toch doen want de printer is al gebruikt, je gaat nooit meer de volledige prijs kunnen
recupereren, je moet proberen zoveel mogelijk van uw kapitaalkost proberen recupereren. Je gaat nog
steeds 3 euro per item van uw kapitaalkost terugverdienen (7-4= 3)
Let op er is natuurlijk nog steeds onzekerheid! Let let op! Als ze 2 euro aanbieden= neen! (minst 4 euro)
Je gaat altijd met uw marginale kost naar de markt!
4
,Hoe verklaren we dat de prijs van elektriciteit gelijk is aan 0?
Te maken met de marginale kost, het aanbod dus, als die gelijk is aan 0.
(Vb.: windturbine marginale kost= 0 want zon stuurt geen factuur naar aarde ea xp)
Individueel producentensurplus uit een markttransactie = dit is de aanbodkant
Marktprijs= 60
Jij wou verkopen aan 40
è Jij maakt winst, positief voor u=
producentensurplus (verticale rode pijl)
Hoe efficiënter je bent, hoe meer je je aan de
LINKERkant bevindt
Vraag, aanbod en marktevenwicht: maximale efficiëntie?
Stel prijs in de markt = 80
Alleen mensen die zich bovenaan bevinden (die >80
wouden betalen) zullen kopen dus de vraag zal 55
zijn(?) è groot onevenwicht omdat van de productie
van 140 zullen er slechts 55 worden aangekocht
Bij prijs in de markt = 60 zijn vraag & aanbod gelijk =
interessant = marktevenwicht
Rode pijl= surplus
Welvaart in de markt is de zoektocht naar het surplus!!
CS+PS = welvaart
Maximale welvaart = maximale efficiëntie
5
,Zelfregulerende markten; spontane evolutie van evenwicht naar evenwicht
Indien vraag stijgt maar aanbod idem blijft = niet goed
Toename vraag è toename prijs ètoename aanbod
We springen van evenwicht naar evenwicht, dit gebeurt automatisch (overheid ofzo zegt niks, markten
reageren op prikkels)
Afname vraagèafname prijs è afname aanbod
Het vinden van een marktevenwicht is gebaseerd op winstmotief è bij toename vd vraag maken
aanbieders winst op de bijkomende productie tot het nieuwe marktevenwicht bereikt is
DIT IS DE ZELFREGULERENDE WERKING VAN DE MARKT
Aanbieders tussen de Q’s komen in de markt
Indien bv de prijs gaat tot Q3 is iedereen daarboven buiten de markt want ze gaan niet kunnen
verkopen.
Indien de markt krimpt = verdwijnt uw markt/bedrijf = NEGATIEF want je bent afhankelijk van de
marktkrachten dus er is ONZEKERHEID
Zelfregulerende markt heeft zowel voordelen (bij groei) als nadelen (bij krimping)
Wat doet de overheid? Hij gaat in een paar markten interveniëren (NBMS etc.)
Vroeger kwam de overheid vaak tussen in de markt
Prijsinterventie door de overheid (p1 ivp p2 -> vraagoverschot /Q1Q4/; recept voor welvaartsverliezen?
Vb.: bij huur kan overheid zeggen we gaan de huurprijs
reguleren (in België niet) = niet efficiënt volgens veel
economen
Vb.: we gaan prijs beperken tot p1 maar er ontstaat zo
vraagoverschot want er zijn niet genoeg woningen.
Oplossing? We gaan het aanbod subsidiëren (degene
die niet in de markt zijn omdat de prijs gelijk is aan p1
krijgen extra geld zodat ze wel in de markt komen) =
dom
6
, Welvaartsverlies = iets in de markt brengen dat zeer veel kost maar weinig waard is
Tussen Q2 en Q4 moet je 2 vragen stellen:
1. Wat is de marktwaarde van het aanbod tussen Q2 & Q4?
2. Wat is de kostprijs?
Je ziet dat het meer kost dan dat het waard is (iets met driehoek)
Vrijdag 28 september 2018: les 2
Eerste 12 min gemist (1 dia) hij heeft een schema getekend
Meest belangrijke markt, gekoppeld a/d markt van goederen en diensten = de arbeidsmarkt
Doordat de markten voor goederen en dienste zelfregulerend zijn,moeten de arbeids-en
kapitaalmarkten ook zelfregulerend zijn
Teken een grafiek waarin de prijs van elektriciteit gelijk is aan 0:
Aanbod= rangschikking van productie van goedkoopst naar duurst
Om de prijs te weten moeten aanbod & vraag elkaar kruisen
P
V
A
Q
Stel als de prijs van de elektriciteit niet gelijk was aan nul= dan zou de vraag het aanbod in het bovenste
stuk moeten kruisen!
de dynamiek van concurrentie op de markt
hoe lager de marginale kost è hoe groter het verschil met de uniforme marktprijs è hoe hoger het
surplus/de marginale winst voor de producent
tot wat kan de concurrentiestrijd leiden?
1. kwaliteitsverliezen die niet transparant zijn
vb: AAA batterijen
2. een continu verbetering vd productkwaliteit
3. onwenselijk gedrag
vb: om productiekosten te verlagen , je productie verplaatsen naar landen met zeer slechte
arbeidsomstandigheden
hoe hoger het risico è hoe hoger het rendement
7