Naam fase Fasen + uitleg
Role- taking 1. Egocentrisch perspectief (0 – 5 jaar) = kinderen zijn
(selman) onbewust van andere perspectief (=egoïstisch)
2. Informationeel perspectief (6 – 8 jaar) = kinderen
kunnen inzien dat anderen andere perspectieven
hebben, maar denken dat het komt omdat ze andere
info hebben
3. Zelf – reflectief perspectief (8 – 10 jaar) = kinderen
kunnen zich verplaatsen in het perspectief van de
andere en weten dat de anderen dat ook kan maar
kunnen beide perspectieven niet in 8 nemen
4. Mutueel perspectief (10 – 12 jaar) = kinderen kunnen
simultaan het perspectief van de andere en dat van
zichzelf beschouwen. Hij kan er daarboven op het
perspectief van een 3e partij zien en weten hoe ieder op
de ander zijn perspectief zal reageren
5. Sociaal perspectief (12 – 15! Jaar) = Het kind kan nu
ook standpunten vergelijken met dat van een sociaal
systeem waarin men functioneert (familie, school,
jeugdbeweging, …)
Psychoseksuel 1. Orale fase (0 – 1 jaar) auto – erotisme (=
e lustbeleving) en incorporatie van het object (= dingen
ontwikkeling: uit de omgeving in hun mond steken)
2. Anale fase (1 – 3 jaar) partiële liefde met inhouding
en uitstoting van het object
3. Fallische fase (3 – 5 jaar) OEDIPUS
4. Latentie fase (6 – 12) rustfase
5. Genitale fase (12 – 20) actieve liefde naar
meisjes/jongens
6. 1ste volwassenheid (20 – 30)
7. Middelbare volwassenheid (30 – 65)
8. Bejaarde leeftijd (65 tot dood)
Egosterktes: 1. Orale fase hoop, vertrouwen VS wantrouwen
2. Anale fase wil(skracht), autonomie VS schaamte
3. Fallische fase doelgericht, initiatief VS schuld
4. Latentie fase bekwaamheid, vaardigheid VS
minderwaardigheid
5. Genitale fase trouw, identiteit VS
identiteitsverwarring
Genitale fase trouw, identiteit VS
identiteitsverwarring Mensen die geen stevige
identiteit ontwikkeling zullen meer risico lopen op
hopeloosheid en depressie later/kiezen voor een
negatieve identiteit (= zwart schaap, delinquent,
loser, …)
MARCIA geeft een aantal fasen:
Identiteitsdiffusie (= nog over niks
nagedacht)
Foreclosure (=waarden overnemen zonder
te overwegen. Cultuur – historisch: vroeger
was er meer foreclosure)
Moratorium (= de overweging fase)
, Identiteit bereikt (= de conclusiefase)
6. De jong volwassenheid kernconflict tussen intimiteit
en solidariteit enerzijds en isolement anderzijds. Veel
eenzaamheid! Liefde (=ego sterkte)
7. Volwassenheid van generativiteit (= jongeren helpen
voor de toekomst) en stelt dit tegenover stagnatie (=
niks doen voor de toekomst). Zorg (= ego sterkte)
8. De ouderdom wijsheid integriteit (= ego sterkte)
Cognitieve 1. Schema = een combinatie van redeneer- en doe
ontwikkelin vaardigheden
g: Piaget: 2. Assimilatie = toepassen van een BEKENDschema
(juist/slecht)
3. Accommodatie = AANPASSEN van denken aan
nieuwe uitdagingen in de omgeving
4. Adaptatie = jezelf in EVENWICHT brengen met de
wereld (= aangeboren tendens!). Hoe? Door
assimilatie en accommodatie breinstructuren en
denkstrategieën ontwikkelen. Adaptatie is het
ontwikkelen van schema’s om de wereld effectief te
kunnen (be-) grijpen
5. Organisatie = je schema’s HERSCHIKKEN
Fasen in de 1. Sensomotorische fase (0 – 18 maanden)
denkontwikkel Van ervaren (beeld, geluid geur, gevoel) naar 1 ste
ing (Piaget): mentale combinaties/voorstellingen
1. Oefenen van reflexen (aangeboren reflexen)
2. Herhaling van toevallige bewegingen (= primaire
circulaire reacties = herhalen van reflexen zodat je
er controle over krijgt) (1 – 4 maanden)
3. Oefenen van gewilde bewegingen (= secundaire
circulaire reacties) (4 – 8 maanden)
4. middel – doelbewegingen (8 -12 maanden) (=
herhalen)
5. Intentionele experimenteren (= tertiaire circulaire
reacties) (12 – 18 maanden) (= gissen & missen)
6. Interne mentale combinaties (= mentale
representatie) (18 – 24 maanden) (Symbolisch
denken, “ik doe alsof”)
2. Pre – operationele fase (18 maanden – 7 jaar)
Van intuïtief denken naar interesse in
observerende wereld
Wat – vragen
Eenvoudige concepten leren begrijpen
Intuïtief denken = verbanden leggen (waarom –
vragen)
Denkfouten:
o Niet omkeerbaar denken
o Intuïtief trandsductief redeneren =
verbanden leggen van zaken die er niet
toe doen
o Animisme = wat ik meemaak, maakt
iedereen mee
o Realisme = Wat ik wil, gebeurt ook
Role- taking 1. Egocentrisch perspectief (0 – 5 jaar) = kinderen zijn
(selman) onbewust van andere perspectief (=egoïstisch)
2. Informationeel perspectief (6 – 8 jaar) = kinderen
kunnen inzien dat anderen andere perspectieven
hebben, maar denken dat het komt omdat ze andere
info hebben
3. Zelf – reflectief perspectief (8 – 10 jaar) = kinderen
kunnen zich verplaatsen in het perspectief van de
andere en weten dat de anderen dat ook kan maar
kunnen beide perspectieven niet in 8 nemen
4. Mutueel perspectief (10 – 12 jaar) = kinderen kunnen
simultaan het perspectief van de andere en dat van
zichzelf beschouwen. Hij kan er daarboven op het
perspectief van een 3e partij zien en weten hoe ieder op
de ander zijn perspectief zal reageren
5. Sociaal perspectief (12 – 15! Jaar) = Het kind kan nu
ook standpunten vergelijken met dat van een sociaal
systeem waarin men functioneert (familie, school,
jeugdbeweging, …)
Psychoseksuel 1. Orale fase (0 – 1 jaar) auto – erotisme (=
e lustbeleving) en incorporatie van het object (= dingen
ontwikkeling: uit de omgeving in hun mond steken)
2. Anale fase (1 – 3 jaar) partiële liefde met inhouding
en uitstoting van het object
3. Fallische fase (3 – 5 jaar) OEDIPUS
4. Latentie fase (6 – 12) rustfase
5. Genitale fase (12 – 20) actieve liefde naar
meisjes/jongens
6. 1ste volwassenheid (20 – 30)
7. Middelbare volwassenheid (30 – 65)
8. Bejaarde leeftijd (65 tot dood)
Egosterktes: 1. Orale fase hoop, vertrouwen VS wantrouwen
2. Anale fase wil(skracht), autonomie VS schaamte
3. Fallische fase doelgericht, initiatief VS schuld
4. Latentie fase bekwaamheid, vaardigheid VS
minderwaardigheid
5. Genitale fase trouw, identiteit VS
identiteitsverwarring
Genitale fase trouw, identiteit VS
identiteitsverwarring Mensen die geen stevige
identiteit ontwikkeling zullen meer risico lopen op
hopeloosheid en depressie later/kiezen voor een
negatieve identiteit (= zwart schaap, delinquent,
loser, …)
MARCIA geeft een aantal fasen:
Identiteitsdiffusie (= nog over niks
nagedacht)
Foreclosure (=waarden overnemen zonder
te overwegen. Cultuur – historisch: vroeger
was er meer foreclosure)
Moratorium (= de overweging fase)
, Identiteit bereikt (= de conclusiefase)
6. De jong volwassenheid kernconflict tussen intimiteit
en solidariteit enerzijds en isolement anderzijds. Veel
eenzaamheid! Liefde (=ego sterkte)
7. Volwassenheid van generativiteit (= jongeren helpen
voor de toekomst) en stelt dit tegenover stagnatie (=
niks doen voor de toekomst). Zorg (= ego sterkte)
8. De ouderdom wijsheid integriteit (= ego sterkte)
Cognitieve 1. Schema = een combinatie van redeneer- en doe
ontwikkelin vaardigheden
g: Piaget: 2. Assimilatie = toepassen van een BEKENDschema
(juist/slecht)
3. Accommodatie = AANPASSEN van denken aan
nieuwe uitdagingen in de omgeving
4. Adaptatie = jezelf in EVENWICHT brengen met de
wereld (= aangeboren tendens!). Hoe? Door
assimilatie en accommodatie breinstructuren en
denkstrategieën ontwikkelen. Adaptatie is het
ontwikkelen van schema’s om de wereld effectief te
kunnen (be-) grijpen
5. Organisatie = je schema’s HERSCHIKKEN
Fasen in de 1. Sensomotorische fase (0 – 18 maanden)
denkontwikkel Van ervaren (beeld, geluid geur, gevoel) naar 1 ste
ing (Piaget): mentale combinaties/voorstellingen
1. Oefenen van reflexen (aangeboren reflexen)
2. Herhaling van toevallige bewegingen (= primaire
circulaire reacties = herhalen van reflexen zodat je
er controle over krijgt) (1 – 4 maanden)
3. Oefenen van gewilde bewegingen (= secundaire
circulaire reacties) (4 – 8 maanden)
4. middel – doelbewegingen (8 -12 maanden) (=
herhalen)
5. Intentionele experimenteren (= tertiaire circulaire
reacties) (12 – 18 maanden) (= gissen & missen)
6. Interne mentale combinaties (= mentale
representatie) (18 – 24 maanden) (Symbolisch
denken, “ik doe alsof”)
2. Pre – operationele fase (18 maanden – 7 jaar)
Van intuïtief denken naar interesse in
observerende wereld
Wat – vragen
Eenvoudige concepten leren begrijpen
Intuïtief denken = verbanden leggen (waarom –
vragen)
Denkfouten:
o Niet omkeerbaar denken
o Intuïtief trandsductief redeneren =
verbanden leggen van zaken die er niet
toe doen
o Animisme = wat ik meemaak, maakt
iedereen mee
o Realisme = Wat ik wil, gebeurt ook