lOMoARcPSD|3033091
1. Welke van de volgende leiderschapsstijlen komt niet voor in het pad/doel model
a) Democratisch
b) Ondersteunend
c) Directief
d) Participatief
2. Binnen het Job Characteristics Model geeft ... de mate aan waarin een job vereist
dat men een geheel en volledig identificeerbaar werkstuk aflevert.
a) Task identity
b) Feedback
c) Autonomy
d) Task significance
3. Evalueer volgende uitspraken:
- De span of control geeft de mate van arbeidsverdeling in een organisatie aan
- Het enige doel van een organigram is het bepalen van de hiërarchie in
autoriteit
a) Beide zijn juist
b) Beide zijn fout
c) De eerste is juist, de tweede fout
d) De eerste is fout, de tweede is juist
4. Evalueer volgende uitspraken:
- Chefs zijn volgens het “vertical dyad linage” model betrokken in twee soorten
uitwisselingsrelatie die reeds snel na eerste contacten met medewerkers
wordt gevormd, namelijk ingroup en outgroup exchange
- Volgens het VDLM gaan chefs een aparte leiderschapsstijl otnwikkelen
afhankelijk van de mensen waarmee men omgaat op een bepaald moment
a) Beide uitspraken zijn juist
b) Beide zijn fout
c) Eerste is juist, tweede fout
d) Eerste is fout, tweede juist
5. De klassieke werkorganisatie in de koolmijnen van Durham…
a) Werd door introductie van mechanische hulpmiddelen overhoop gegooid
b) Werd sterk bekritiseerd door vakbonden
c) Was financieel niet meer haalbaar
d) Alle voorgaande zijn juist
6. In tegenstelling tot reinforcers zullen beloningen
a) Altijd het gedrag versterken
b) Sommige gedragingen meer doen voorkomen
c) Niet noodzakelijk gedragingen versterken Meer geapprecieerd worden
, lOMoARcPSD|3033091
7. Bijkomend onderzoek over het model van Turner en Lawrence betreffende
taakkenmerken heeft aangetoond dat:
a) Het product van de geobserveerde waarden voor verschillende taakkenmerken
meer vaide is dan een summatieve totaalscore
b) “goal structur” een bijkomend taakkenmerk is dat moet in rekening gebracht
worden
c) de “associated task attributes even voorspellend zijn voor motivationele
impacct van een job als de requiste task attributes
d) geen van voorgaande is juist
8. Behavior modification
a) Wordt regelmatig toegepast in trainingssituaties
b) Krijgt de kritiek om “cognitie” centraal te stellen
c) Maakt gebruik van principes uit klassieke conditionering
d) Geen van voorgaande is juist
9. Arbeidssatisfactie hangt sterk positief samen met
a) Prestatie
b) Te laat komen
c) Absenteïsme
d) Organisatiebetrokkenheid
10. Evalueer volgende uitspraken:
- Het principe van “homeostase” is belangrijk in een socio-
technische systeembenadering
- Horizontaal uitgebouwde organisaties steunen minder op cross-
functionele relaties
a Beide zijn juist
b Beide zijn fout
c. De eerste is
juist, tweede
fout
d. Eerste is fout,
tweede is juist
11. Evalueer
volgende
uitspraken:
- Er is een tendens dat attituden consistent blijven over tijd en over
verschillende situaties
- Attituden, anders dan waarden zijn, vooral gerelateerd aan gedrag tov
specifieke objecten of situaties
a) Beide juist
b) Beide fout
c) Eerste juist, tweede fout
d) Eerste fout en tweede juist
12. De mate van individuele cognitieve complexiteit (weet niet zeker)
a) Blijft stabiel met het opleidingsniveau
b) Is negatief gerelateerd met de behoefte aan feedback in de job
c) Komt ongeveer overeen met dimensie concreet-abstract denken
d) Geen van voorgaande is juist
1. Welke van de volgende leiderschapsstijlen komt niet voor in het pad/doel model
a) Democratisch
b) Ondersteunend
c) Directief
d) Participatief
2. Binnen het Job Characteristics Model geeft ... de mate aan waarin een job vereist
dat men een geheel en volledig identificeerbaar werkstuk aflevert.
a) Task identity
b) Feedback
c) Autonomy
d) Task significance
3. Evalueer volgende uitspraken:
- De span of control geeft de mate van arbeidsverdeling in een organisatie aan
- Het enige doel van een organigram is het bepalen van de hiërarchie in
autoriteit
a) Beide zijn juist
b) Beide zijn fout
c) De eerste is juist, de tweede fout
d) De eerste is fout, de tweede is juist
4. Evalueer volgende uitspraken:
- Chefs zijn volgens het “vertical dyad linage” model betrokken in twee soorten
uitwisselingsrelatie die reeds snel na eerste contacten met medewerkers
wordt gevormd, namelijk ingroup en outgroup exchange
- Volgens het VDLM gaan chefs een aparte leiderschapsstijl otnwikkelen
afhankelijk van de mensen waarmee men omgaat op een bepaald moment
a) Beide uitspraken zijn juist
b) Beide zijn fout
c) Eerste is juist, tweede fout
d) Eerste is fout, tweede juist
5. De klassieke werkorganisatie in de koolmijnen van Durham…
a) Werd door introductie van mechanische hulpmiddelen overhoop gegooid
b) Werd sterk bekritiseerd door vakbonden
c) Was financieel niet meer haalbaar
d) Alle voorgaande zijn juist
6. In tegenstelling tot reinforcers zullen beloningen
a) Altijd het gedrag versterken
b) Sommige gedragingen meer doen voorkomen
c) Niet noodzakelijk gedragingen versterken Meer geapprecieerd worden
, lOMoARcPSD|3033091
7. Bijkomend onderzoek over het model van Turner en Lawrence betreffende
taakkenmerken heeft aangetoond dat:
a) Het product van de geobserveerde waarden voor verschillende taakkenmerken
meer vaide is dan een summatieve totaalscore
b) “goal structur” een bijkomend taakkenmerk is dat moet in rekening gebracht
worden
c) de “associated task attributes even voorspellend zijn voor motivationele
impacct van een job als de requiste task attributes
d) geen van voorgaande is juist
8. Behavior modification
a) Wordt regelmatig toegepast in trainingssituaties
b) Krijgt de kritiek om “cognitie” centraal te stellen
c) Maakt gebruik van principes uit klassieke conditionering
d) Geen van voorgaande is juist
9. Arbeidssatisfactie hangt sterk positief samen met
a) Prestatie
b) Te laat komen
c) Absenteïsme
d) Organisatiebetrokkenheid
10. Evalueer volgende uitspraken:
- Het principe van “homeostase” is belangrijk in een socio-
technische systeembenadering
- Horizontaal uitgebouwde organisaties steunen minder op cross-
functionele relaties
a Beide zijn juist
b Beide zijn fout
c. De eerste is
juist, tweede
fout
d. Eerste is fout,
tweede is juist
11. Evalueer
volgende
uitspraken:
- Er is een tendens dat attituden consistent blijven over tijd en over
verschillende situaties
- Attituden, anders dan waarden zijn, vooral gerelateerd aan gedrag tov
specifieke objecten of situaties
a) Beide juist
b) Beide fout
c) Eerste juist, tweede fout
d) Eerste fout en tweede juist
12. De mate van individuele cognitieve complexiteit (weet niet zeker)
a) Blijft stabiel met het opleidingsniveau
b) Is negatief gerelateerd met de behoefte aan feedback in de job
c) Komt ongeveer overeen met dimensie concreet-abstract denken
d) Geen van voorgaande is juist