Nederlands: Leesvaardigheid + beeldspraak en
stijlfiguren
Wat zijn stijlfiguren?
Formuleringen die gebruikt worden om bij jou als lezer een effect te bereiken.
Welke stijlfiguren kennen wij allemaal?
Tegenstelling, herhaling, paradox, opsomming, pleonasme, tautologie, hyperbool, retorische
vraag.
Tegenstelling:
Tekst(delen) zijn tegenovergesteld van elkaar. Bv: heden/verleden + goed/slecht +
leven/dood
Herhaling:
Een woord(groep) wordt vrijwel ongewijzigd herhaald.
Paradox:
Een tegenstelling waarbij tegengestelde begrippen toch met elkaar verbonden zijn.
Bijv: Weggaan is een soort blijven.
Opsomming:
Een opsomming van namen, feiten of andere gegevens
Pleonasme:
Een vanzelfsprekende eigenschap van een begrip wordt nog eens EXTRA genoemd.
Bijv: Rood bloed, witte sneeuw, ronde cirkel.
Tautologie:
Eenzelfde begrip wordt meerdere malen met een synoniem uitgedrukt. Bv: blij en verheugd.
Hyperbool:
Sterke overdrijving. Bijvoorbeeld: ´Ik sta al UREN op je te wachten!´
Retorische vraag: Is geen echte vraag omdat het antwoord algemeen bekend wordt
verondersteld. Dit wordt gebruikt om de lezer te verrassen of aan het denken te zetten.
Beeldspraak: Welke vormen kennen we?
Vergelijking-met-als, vergelijking-zonder-als, metafoor, metonymia, personificatie.
Vergelijking met als:
Het object (letterlijk) en het beeld (figuurlijk) worden beide genoemd en door bepaalde
worden (als, zoals, gelijk, zo …. als) met elkaar verbonden. Bv: De vuurtoren staat als
trouwe wachter bij de haven.
Vergelijking zonder als:
stijlfiguren
Wat zijn stijlfiguren?
Formuleringen die gebruikt worden om bij jou als lezer een effect te bereiken.
Welke stijlfiguren kennen wij allemaal?
Tegenstelling, herhaling, paradox, opsomming, pleonasme, tautologie, hyperbool, retorische
vraag.
Tegenstelling:
Tekst(delen) zijn tegenovergesteld van elkaar. Bv: heden/verleden + goed/slecht +
leven/dood
Herhaling:
Een woord(groep) wordt vrijwel ongewijzigd herhaald.
Paradox:
Een tegenstelling waarbij tegengestelde begrippen toch met elkaar verbonden zijn.
Bijv: Weggaan is een soort blijven.
Opsomming:
Een opsomming van namen, feiten of andere gegevens
Pleonasme:
Een vanzelfsprekende eigenschap van een begrip wordt nog eens EXTRA genoemd.
Bijv: Rood bloed, witte sneeuw, ronde cirkel.
Tautologie:
Eenzelfde begrip wordt meerdere malen met een synoniem uitgedrukt. Bv: blij en verheugd.
Hyperbool:
Sterke overdrijving. Bijvoorbeeld: ´Ik sta al UREN op je te wachten!´
Retorische vraag: Is geen echte vraag omdat het antwoord algemeen bekend wordt
verondersteld. Dit wordt gebruikt om de lezer te verrassen of aan het denken te zetten.
Beeldspraak: Welke vormen kennen we?
Vergelijking-met-als, vergelijking-zonder-als, metafoor, metonymia, personificatie.
Vergelijking met als:
Het object (letterlijk) en het beeld (figuurlijk) worden beide genoemd en door bepaalde
worden (als, zoals, gelijk, zo …. als) met elkaar verbonden. Bv: De vuurtoren staat als
trouwe wachter bij de haven.
Vergelijking zonder als: