10 voor biologie
H21 – AFWEER
Je hebt 3 afweerlinies (84J):
1e afweerlinie aangeboren externe aspecifieke afweer (huid, lichaamsholtes):
- Lysozym in je mond en keel breekt celwand van bacteriën af.
- In de maag heerst een laag pH & eiwit verterende enzymen, die het
celmembraan beschadigen.
- In de dikke darm komt de bacterie autochtone bacteriën tegen, die
stoffen uitscheiden om de bacterie te bestrijden. Sommige bacteriën
kapselen zich in tot een spore.
- Je huid is een fysische barrière, bestaand uit verhoornde cellen.
Melkzuren en vetzuren verlagen het pH van de huid, waardoor
bacteriegroei remt.
- Bacteriën worden tegengehouden door je neusharen en
neusslijmvlies.
- Ogen worden schoongehouden met traanvocht, dat lysozym bevat.
e
2 afweerlinie aangeboren interne aspecifieke afweer (bepaalde witte bloedcellen,
zoals macrofagen, granulocyten, dendritische cellen en 'natural
killer'- cellen, ontstekingsreactie en koorts)
3e afweerlinie verworven specifieke afweer (antigeen > Thymus- en Beenmerg-
lymfocyten. B-cellen maken antistoffen > geheugencellen). Dit is je
immuunsysteem.
Besmetting is wanneer een ziekteverwekkend micro-organisme je lichaam is binnengedrongen.
Infectie houdt in dat de ziekteverwekker zich kan vermenigvuldigen. Besmetting tot infectie heet
incubatietijd. De verschillende typen leukocyten zijn:
lymfocyten (27%)
dendritische cellen en monocyten (4%);
granulocyten (64%)
'natural killer'-cellen (4%)
mestcellen (1%)
Granulocyten en monocyten kunnen amoeboïde bewegingen maken en van vorm veranderen.
Hierdoor kunnen ze het bloedvat verlaten op de geïnfecteerde plek. Monocyten buiten de
bloedvaten worden macrofagen genoemd. Ze ruimen bacteriën op door fagocytose (fagocyten).
Granulocyten + fagocytose > pus. Macrofagen leven langer. Ze herkennen bacteriën door
immunoglobuline G op de buitenwand.
Dendritische cellen controleren voortdurend op aanwezigheid van antigenen. Dendritische cellen
‘melden’ dit door stoffen te maken (cytokines en chemokines) en door het antigeen te presenteren
aan de 3e afweerlinie.
Natural-killer cellen kunnen lichaamscellen aanvallen, bijv. bij een virusinfectie, door de
viruseiwitten op de wand te herkennen. Ze maken de virus-lichaamscel van binnen kapot d.m.v.
agressieve eiwitten (perforine). Cellen besmet door een virus geven het eiwit interferon af,
waardoor naburige cellen beschermd zijn. Beschadigde cellen geven een signaal af. Dit heet
chemotaxis. Ook geven ze histamine af, waardoor bloedvaten verwijden. De combinatie van deze
H21 – AFWEER
Je hebt 3 afweerlinies (84J):
1e afweerlinie aangeboren externe aspecifieke afweer (huid, lichaamsholtes):
- Lysozym in je mond en keel breekt celwand van bacteriën af.
- In de maag heerst een laag pH & eiwit verterende enzymen, die het
celmembraan beschadigen.
- In de dikke darm komt de bacterie autochtone bacteriën tegen, die
stoffen uitscheiden om de bacterie te bestrijden. Sommige bacteriën
kapselen zich in tot een spore.
- Je huid is een fysische barrière, bestaand uit verhoornde cellen.
Melkzuren en vetzuren verlagen het pH van de huid, waardoor
bacteriegroei remt.
- Bacteriën worden tegengehouden door je neusharen en
neusslijmvlies.
- Ogen worden schoongehouden met traanvocht, dat lysozym bevat.
e
2 afweerlinie aangeboren interne aspecifieke afweer (bepaalde witte bloedcellen,
zoals macrofagen, granulocyten, dendritische cellen en 'natural
killer'- cellen, ontstekingsreactie en koorts)
3e afweerlinie verworven specifieke afweer (antigeen > Thymus- en Beenmerg-
lymfocyten. B-cellen maken antistoffen > geheugencellen). Dit is je
immuunsysteem.
Besmetting is wanneer een ziekteverwekkend micro-organisme je lichaam is binnengedrongen.
Infectie houdt in dat de ziekteverwekker zich kan vermenigvuldigen. Besmetting tot infectie heet
incubatietijd. De verschillende typen leukocyten zijn:
lymfocyten (27%)
dendritische cellen en monocyten (4%);
granulocyten (64%)
'natural killer'-cellen (4%)
mestcellen (1%)
Granulocyten en monocyten kunnen amoeboïde bewegingen maken en van vorm veranderen.
Hierdoor kunnen ze het bloedvat verlaten op de geïnfecteerde plek. Monocyten buiten de
bloedvaten worden macrofagen genoemd. Ze ruimen bacteriën op door fagocytose (fagocyten).
Granulocyten + fagocytose > pus. Macrofagen leven langer. Ze herkennen bacteriën door
immunoglobuline G op de buitenwand.
Dendritische cellen controleren voortdurend op aanwezigheid van antigenen. Dendritische cellen
‘melden’ dit door stoffen te maken (cytokines en chemokines) en door het antigeen te presenteren
aan de 3e afweerlinie.
Natural-killer cellen kunnen lichaamscellen aanvallen, bijv. bij een virusinfectie, door de
viruseiwitten op de wand te herkennen. Ze maken de virus-lichaamscel van binnen kapot d.m.v.
agressieve eiwitten (perforine). Cellen besmet door een virus geven het eiwit interferon af,
waardoor naburige cellen beschermd zijn. Beschadigde cellen geven een signaal af. Dit heet
chemotaxis. Ook geven ze histamine af, waardoor bloedvaten verwijden. De combinatie van deze