INLEIDING
Overzicht van de modules
• Module 1: Inleiding, historiek en administratie organisatie
• Module 2: Toepassingsgebied
• Module 3: Financiering
• Module 4: Gezondheidszorg
• Module 5: Arbeidsongeschiktheid
• Module 6: Professioneel risico
• Module 7: Werkloosheid
• Module 8: Pensioenen
• Module 9: Expertcollege
Examen
• 50% meerkeuze
• 50% open vragen
• Geschiendenis: Geen precieze data kennen, maar wel kunnen situeren
,DEEL 1: INLEIDING, HISTORIEK EN ADMINISTRATIE ORGANISATIE
INLEIDING
WAT IS SOCIALE ZEKERHEID?
• Terminologie vaag en uiteenlopend
o Sociaal recht
o Sociale zekerheid
o Sociale verzekering
o Sociale risico’s
o Sociaal statuut (zelstandigen)
o Sociale bescherming (ambtenaren)
o Sociale bijstand (Vb leefloon)
o Ook: sociale voorzieningen (huisvesting), arbeidsmarkt en tewerkstelling,
welzijnsrecht → ontwikkeling verzorgingsstaat/sociale welvaartsstaat
• Definitie sociale zekerheid: ANKERPUNTEN in verschillende wetgeving:
o ILO Verdrag nr. 102 betreffende de minimumnormen der sociale zekerheid (negen
sociale risico’s) (1952)
o Europese Verordeningen 883/2004/EG en 987/2009/EG
o Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid (art. 3) (1981) en Wet Kruispuntbank
Sociale Zekerheid (art. 2, 1°) (1990)
o Grondwet (art. 23 srtandstillbeginsel) (1994) (infra)
§ Art. 23: recht op een menswaardig leven
§ Kindergeld/ gezindsbijslag is een BH vd gemeenschappen, en omdat men
vanop federaal niveau niet wou dat dit werd afgeschaft werd dit
ingeschreven in Art. 23
o Wet Handvest Sociaal Verzekerde (art. 2, 1°) (1995)
§ Ruimer: ook overheidspersoneel, zelfstandigen, sociale bijstand
• alomvattende definitie Sociale zekerheid:
Geheel van sociale voorzieningen dat tot doel heeft aan alle burgers op elk ogenblik van hun
bestaan minstens een bestaans minimum te waarborgen
Klassieke sectoren + sociale bijstand = ruime invulling
HOE WORDT SZ GEORGANISEERD?
Onderscheid tss:
1. Loonaanvullende vergoedingen: er is geen loonverlies maar er doet zich een sociaal risico voor en
je krijgt vd overheid een aanvulling om je te ondersteunen.
• Gezondheidszorg
o Beroepsactiviteit of afgeleide rechten
, o Vrijwel de ganse bevolking heeft hier recht op
• Gezinsbijslagen
o Recht van het kind (los van de beroepsact van de ouder/voogd)
2. Loonvervangende uitkeringen: er doet zich een sociaal risico voor en verliest hierdoor zijn loon
(schorsing/ beeindiging Aovk).
• Arbeidsongeschiktheid
o Ziekte en ongeval privéleven
o Arbeidsongeval en beroepsziekte (professioneel risico)
• Werkloosheid
• Ouderdom en overlijden Op basis van beroepsactiviteit
3 grote beroepsgroepen:
• Werknemers Grote verschillen in financieringen
• Zelfstandigen van sociale prestaties prestaties ( vb
• Ambtenaren (=/ overheidspersoneel) werkloosheidsuitkering/ pensioen)
Sociale bijstand = vangnet voor degene die niet obv beroepsact voldoen aan de vw’en van de
klassieke sociale zekerheid
• Onderzoek bestaansmiddelen Versus individuele rechten in de klassieke sociale zekerheid
o Sociale bijstand is niet afhankelijk van het aantal dagen die je afgelopen dagen hebt
gewerkt (klassieke sociale zekerheid) maar hangt af van de bestaansmiddelen
o Dit onderzoek is belangrijk omdat de overheid enkel maar een vangnet zal aanbieden
voor deze die het nodig hebben.
o Voorbeeld: persoon verhuurt 20 eigendommen en ontvangt hiervan huurgelden
§ Persoon werkt niet: bij het onderzoeken van de bestaansmiddelen zal blijken
dat hij over voldoende beschikt dus geen sociale bijstand
§ Persoon werkt: indien deze arbeidsongeschikt wordt dan kijken we niet naar
de inkomsten van de huurgelden maar je krijgt obv je individuele rechten
recht op SZ.
, HOOFDSTUK 1: HISTORIEK BELGISCHE SOCIALE ZEKERHEID
SOCIALE BIJSTAND
Middeleeuwen: goddelijke lot
Later:
• Armenzorg
• Kerken
• Burgerlijke godshuizen en burelen van weldadigheid, initiatief steden en gemeenten
o Burgerlijke godshuizen en burelen van weldadigheid groeien uit tot OCMW
• Commissies voor Openbare Onderstand (wet 10 maart 1925)
o Voorlopers OCMW’s
• OCMW’s (OCMW-Wet 8 juli 1976)
SOCIALE VERZEKERING
• Gildenbussen
• Onderlinge bijstandskassen
o Initiatief arbeiders (soms steun private weldoener): omdat arbeiders werden
blootgesteld aan specifieke risico’s voldeed armenzorg niet meer, ook individueel
sparen was geen optie door te lage loon. Daarom initiatief vanuit de arbeiders klasse
zelf
o Soort vrijwillige onderlinge verzekeringen tss arbeiders
§ Vb het wegvallen van inkomen door overlijden vd kostwinner werd
verzekerd
§ Vb ouderdomrisico
• Overheid: ‘gesubsidieerde vrijheid’
o Steun en subsidiëring in ruil voor meer controle
§ Inzicht en inspraak waarvoor het geld wordt gebruikt
o Oprichting Algemene Lijfrentekas (1848)
§ Ondersteuning voor de opbouw van pensioensrechten
• Ontwikkeling socialistische coöperatieven (Vooruit)
• Belangrijk: oprichting Belgische Werkliedenpartij 1885
INTERMEZZO: AMBTENARENPENSIOENEN: OUDSTE SOCIALE BESCHERMING
• Wet 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen
o Ambtenaren hebben al voor de eerste andere wetgeving een pensioensrecht
• Rustpensioen als beloning voor aan de staat bewezen diensten: idee van ‘uitgesteld loon’
• Dekking invaliditeit
• Pensioenleeftijd 65 jaar
o Nuance: gemiddelde levensverwachting van mannen was 40jaar