Inleiding in de forensische
psychologie
(500868)
Hoorcollege 1 tot en met 11
,Hoorcollege 1.
Forensische psychologie bestaat al sinds de oudheid, en houdt zich bezig
met afwijkend (antisociaal) gedrag, persoonlijkheid, cognitief, preventie en
interventie, diagnostiek en ook wordt er gekeken naar snijvlakken met
andere takken van psychologie (medisch, biologisch, ontwikkelings-,
sociale psychologie).
maar pas later, in de Middeleeuwen werd er door de rechters rekening
gehouden met geestesziekten. Personen met geestesziekten werden
onder curatele van familie gesteld. Dit betekende dat familie
verantwoordelijk was en dus ook machtiging had voor opsluiting.
Voor de verlichting waren er drie bewegingsrichtingen:
- Dolhuizen: dit was een voorbode voor de forensische zorg.
- Bezeten: mensen met geestesziekten zouden bezeten zijn, zij gingen
daarom mee op bedevaartstochten en er was sprake van
heksenvervolging.
- Johannes Wier (1515-1588): delicten hebben te maken met
stoornissen en stoornissen kunnen we relateren een bepaalde
hersendisfuncties. Dit was een voorbode van forensische
wetenschappers.
In de verlichting was iedereen hetzelfde voor de wet. Later, in 1886, kwam
de invoering van het Wetboek van Strafrecht. Er kwam meer aandacht
voor psychische stoornissen. Door middel van de natuurwetenschappelijk
methode keek men naar deze stoornissen en ook werden er wettelijke
regelingen opgesteld voor deze mensen.
In de 19e eeuw sprak Pinel over ‘manie sans delire’, gemoedstoestand
zonder aantasting van het verstand. Als iemand met een normaal IQ een
delict pleegt, is dit toe te wijden aan een stoornis.
Voor de 19e/20e eeuw werd er geen verschil gemaakt tussen kinderen en
volwassenen als het ging om strafrecht. Iedereen, ongeacht leeftijd, kon
dezelfde straf krijgen. In 1905 werden de Kinderwetten ingevoerd: onder
de 18 geen straf. Het strafrecht staat dan in het teken van de verschuiving
naar de moderne strafrechtschool, het belang van de dader staat dan
voorop, in plaats van het belang van de daad. Straf is dan gericht op
herstel en verbetering.
In de 20e eeuw deed Hamel een voorstel: voor lichte vergrijpen zou een
maatregel volgen, bij zware vergrijpen een behandeling/verpleging van
langere duur en bij zeer zware gevallen een terbeschikkingstelling van de
regering. De personen zouden een behandeling van 10 jaar krijgen en
daarna verdere overweging. Maar dit was een voorstel en is nooit ofcieel
ingevoerd. In 1928 kwamen de Psychopatenwetten, mensen konden nu
tbs krijgen. Maar doordat er zoveel mensen in een instelling werden
geplaatst, kwam in 1933 de Stopwet. Vanaf toen werd er voortaan
gekeken naar de ernst van een delict voordat men in een instelling
geplaatst zou worden.
, Na de tweede wereldoorlog werd er een commissie opgericht: naoorlogs
strafrecht. Mensen in deze commissie hadden vaak tijdens de WO2 zelf in
de gevangenis gezeten en wisten daarom hoe het werkte in de
gevangenis. Ook ontstond op de Utrechtse school het tbs zoals we die nu
nog steeds kennen. Er wordt gestreefd naar betere zorg voor gevangenen
en speciale zorg voor gedetineerde met een psychische stoornis. Rond
1955 ontstonden er longstay-afdelingen, voor zij die niet meer behandeld
konden worden. Zij werden op deze afdeling geplaatst.
In 1971 ontstond een veranderde tijdgeest met meer nadruk op
zelfbeschikking en tolerantie van leefstijlen.
Bij het strafen en behandelen van gedetineerde wordt gekeken naar het
delict en wat voor indruk te persoon maakt, denk daarbij aan stoornissen.
Daarna wordt besloten wat voorop staat: strafen of behandelen. Om een
besluit te nemen over een passende maatregel moet er worden voldaan
aan criteria van:
- Proportionaliteit: maatregel moet in verhouding staan tot het te
voorkomen gevaar.
- Subsidiariteit: een ingrijpende maatregel is alleen toelaatbaar als
met een lichtere niet kan worden volstaan.
- Efectiviteit: de behandeling of maatregel moet afectief zijn in het
afwenden van gevaar.
Als er een delict wordt gepleegd waarbij men minstens 4 jaar
gevangenisstraf kan opleggen, is tbs van belang. Er moet sprake zijn van
(verminderde) ontoerekeningsvatbaarheid, de dader is dan niet (helemaal)
verantwoordelijk, door een psychische stoornis. Tbs wordt opgelegd als
niet behandelen leidt tot herhaling van het delict: behandeling is dus
noodzakelijk. Door behandelen neemt de kans op herhaling af, het
recidiverisico wordt verminderd. Tbs is dus een behandelmaatregel en
geen strafmaatregel. Het directe doel is beveiliging van de samenleving.
Er is daarom ook aandacht voor resocialisatie. Verlof is onderdeel van het
tbs-stelsel, omdat het uiteindelijk doel is om terug te keren in de
samenleving.
In 2006 is er de opdracht gegeven om de werking van tbs te onderzoeken.
Er moet gekeken worden naar risico’s en efecten van de tbs-
behandelingen, de aansluiting tussen justietiele en reguliere zorg. Ook
moeten er meer voorzieningen op maat zijn.
De tbs-behandeling is herstelgericht. De cliënt mag meebeslissen (shared-
desicion making) in hoe de behandeling zal verlopen. Er wordt gewerkt in
verschillende fases, waarbij in de eerste fase vaak de nadruk ligt op
motivatie.
Er zijn verschillende typen verlof, die de persoon voorbereiden op ontslag.
- Begeleid
- Onbegeleid
- Transmuraal
- Proefverlof
psychologie
(500868)
Hoorcollege 1 tot en met 11
,Hoorcollege 1.
Forensische psychologie bestaat al sinds de oudheid, en houdt zich bezig
met afwijkend (antisociaal) gedrag, persoonlijkheid, cognitief, preventie en
interventie, diagnostiek en ook wordt er gekeken naar snijvlakken met
andere takken van psychologie (medisch, biologisch, ontwikkelings-,
sociale psychologie).
maar pas later, in de Middeleeuwen werd er door de rechters rekening
gehouden met geestesziekten. Personen met geestesziekten werden
onder curatele van familie gesteld. Dit betekende dat familie
verantwoordelijk was en dus ook machtiging had voor opsluiting.
Voor de verlichting waren er drie bewegingsrichtingen:
- Dolhuizen: dit was een voorbode voor de forensische zorg.
- Bezeten: mensen met geestesziekten zouden bezeten zijn, zij gingen
daarom mee op bedevaartstochten en er was sprake van
heksenvervolging.
- Johannes Wier (1515-1588): delicten hebben te maken met
stoornissen en stoornissen kunnen we relateren een bepaalde
hersendisfuncties. Dit was een voorbode van forensische
wetenschappers.
In de verlichting was iedereen hetzelfde voor de wet. Later, in 1886, kwam
de invoering van het Wetboek van Strafrecht. Er kwam meer aandacht
voor psychische stoornissen. Door middel van de natuurwetenschappelijk
methode keek men naar deze stoornissen en ook werden er wettelijke
regelingen opgesteld voor deze mensen.
In de 19e eeuw sprak Pinel over ‘manie sans delire’, gemoedstoestand
zonder aantasting van het verstand. Als iemand met een normaal IQ een
delict pleegt, is dit toe te wijden aan een stoornis.
Voor de 19e/20e eeuw werd er geen verschil gemaakt tussen kinderen en
volwassenen als het ging om strafrecht. Iedereen, ongeacht leeftijd, kon
dezelfde straf krijgen. In 1905 werden de Kinderwetten ingevoerd: onder
de 18 geen straf. Het strafrecht staat dan in het teken van de verschuiving
naar de moderne strafrechtschool, het belang van de dader staat dan
voorop, in plaats van het belang van de daad. Straf is dan gericht op
herstel en verbetering.
In de 20e eeuw deed Hamel een voorstel: voor lichte vergrijpen zou een
maatregel volgen, bij zware vergrijpen een behandeling/verpleging van
langere duur en bij zeer zware gevallen een terbeschikkingstelling van de
regering. De personen zouden een behandeling van 10 jaar krijgen en
daarna verdere overweging. Maar dit was een voorstel en is nooit ofcieel
ingevoerd. In 1928 kwamen de Psychopatenwetten, mensen konden nu
tbs krijgen. Maar doordat er zoveel mensen in een instelling werden
geplaatst, kwam in 1933 de Stopwet. Vanaf toen werd er voortaan
gekeken naar de ernst van een delict voordat men in een instelling
geplaatst zou worden.
, Na de tweede wereldoorlog werd er een commissie opgericht: naoorlogs
strafrecht. Mensen in deze commissie hadden vaak tijdens de WO2 zelf in
de gevangenis gezeten en wisten daarom hoe het werkte in de
gevangenis. Ook ontstond op de Utrechtse school het tbs zoals we die nu
nog steeds kennen. Er wordt gestreefd naar betere zorg voor gevangenen
en speciale zorg voor gedetineerde met een psychische stoornis. Rond
1955 ontstonden er longstay-afdelingen, voor zij die niet meer behandeld
konden worden. Zij werden op deze afdeling geplaatst.
In 1971 ontstond een veranderde tijdgeest met meer nadruk op
zelfbeschikking en tolerantie van leefstijlen.
Bij het strafen en behandelen van gedetineerde wordt gekeken naar het
delict en wat voor indruk te persoon maakt, denk daarbij aan stoornissen.
Daarna wordt besloten wat voorop staat: strafen of behandelen. Om een
besluit te nemen over een passende maatregel moet er worden voldaan
aan criteria van:
- Proportionaliteit: maatregel moet in verhouding staan tot het te
voorkomen gevaar.
- Subsidiariteit: een ingrijpende maatregel is alleen toelaatbaar als
met een lichtere niet kan worden volstaan.
- Efectiviteit: de behandeling of maatregel moet afectief zijn in het
afwenden van gevaar.
Als er een delict wordt gepleegd waarbij men minstens 4 jaar
gevangenisstraf kan opleggen, is tbs van belang. Er moet sprake zijn van
(verminderde) ontoerekeningsvatbaarheid, de dader is dan niet (helemaal)
verantwoordelijk, door een psychische stoornis. Tbs wordt opgelegd als
niet behandelen leidt tot herhaling van het delict: behandeling is dus
noodzakelijk. Door behandelen neemt de kans op herhaling af, het
recidiverisico wordt verminderd. Tbs is dus een behandelmaatregel en
geen strafmaatregel. Het directe doel is beveiliging van de samenleving.
Er is daarom ook aandacht voor resocialisatie. Verlof is onderdeel van het
tbs-stelsel, omdat het uiteindelijk doel is om terug te keren in de
samenleving.
In 2006 is er de opdracht gegeven om de werking van tbs te onderzoeken.
Er moet gekeken worden naar risico’s en efecten van de tbs-
behandelingen, de aansluiting tussen justietiele en reguliere zorg. Ook
moeten er meer voorzieningen op maat zijn.
De tbs-behandeling is herstelgericht. De cliënt mag meebeslissen (shared-
desicion making) in hoe de behandeling zal verlopen. Er wordt gewerkt in
verschillende fases, waarbij in de eerste fase vaak de nadruk ligt op
motivatie.
Er zijn verschillende typen verlof, die de persoon voorbereiden op ontslag.
- Begeleid
- Onbegeleid
- Transmuraal
- Proefverlof