Samenvatting onderzoeken
Kennistoets kwartel 5 orthopedie 1
Evidence Based Physiotherapy and Literature Research
De student is in staat de verschillende categorieën van klinische vragen te beschrijven, aan te geven
welk onderzoeksdesign het meest geschikt is voor het beantwoorden van een bepaalde klinische
vraag. De student kan beschrijven wat primaire en secundaire studies zijn en kan hier voorbeelden
van geven.
De student is in staat de kenmerken van de meest gebruikte onderzoeksdesigns te beschrijven en kan
aangeven welk design hoger of lager is in vergelijking met een ander design in de hiërarchie van
evidente.
Hoofdstuk 3: De onderzoeksopzet, 3.1,3.2&3.3
Meest gebruikte onderzoeks-indelingen in de gezondheidszorg:
- Indelingen op basis van het doel dat je met het onderzoek wilt bereiken
o Definiërend: de bepalende kenmerken van het onderwerp geef je aan
o Beschrijvend: de eigenschappen van het onderwerp breng je in kaart
o Vergelijkend: verschillen tussen twee of meerdere groepen, situates of
instrumenten onderzoeken
o Verklarend: richt op oorzaken van gevonden verschillen of verbanden
o Voorspellend: gevolgen van het onderwerp bekijken
o Evaluerend: effect van een bepaalde intervente of maatregel evalueren
o Voorschijvend: bedoeld om maatregelen of richtlijnen op te stellen
o Explorend: waarbij je op zoek gaat naar verbanden of verklaringen
o Toetsend: een theorie of verwachtngen wilt toetsen of het effect van een bepaalde
intervente of maatregel onderzoekt
- Indeling op basis van het soort gegevens dat je verzamelt
o Kwalitatief onderzoek: hierbij gaat het om gegevens over de beleving, ervaringen of
verwachtngen van de proefpersonen. Kwalitateve gegevens worden meestal
verzameld met methoden als interviews, observates en focusgroepdiscussies.
o Kwantitatief onderzoek: hierbij zijn de uitkomsten makkelijk in cijfers uit te drukken.
Aantal proefpersonen meestal hoger dan bij kwalitatef onderzoek.
- Indelingen op basis van het tjdpad van je onderzoek
o Wanneer er sprake is van slechts één meetmoment wordt dit een dwarsdoosnede-
onderzoek, transversaal onderzoek of cross-sectioneel onderzoek genoemd. Alle
gegevens verzamel je op hetzelfde moment.
o Longitudinaal onderzoek: de periode bevat dataverzameling van meerdere
meetmomenten. Je noemt dit onderzoek ook wel: ‘follow-uponderzoek’.
Prospectief: je kijkt vooruit in de tjd
Retrospectief: de uitkomst is al opgetreden en je kijkt terug in de tjd om
erachter te komen welke variabelen op de uitkomst van invloed waren.
- Indeling op basis van het onderzoeksdesign
o Experimenteel: de onderzoeker verandert bewust iets in de onderzoeksgroep: de
intervente
o Observationeel: de onderzoeker beperkt zich tot het verrichten van waarnemingen
en metngen; er wordt niet ingegrepen.
,Tot de experimentele onderzoeksdesigns behoren het experiment, het quasi-experiment en het pre-
experiment.
Experiment:
Bij een experiment deel je de proefpersonen op basis van toeval in twee groepen: de experimentele
groep (interventegroepp en de controlegroep. De experimentele groep stel je bloot aan een
bepaalde interventie (een medicijn, een voorlichtngsslm of een behandelingp; terwijl de
controlegroep geen intervente krijgt, of een placebo (‘nep’-interventep. Je vergelijkt de uitkomsten
van beide groepen. I er een verschil, dan is dit te wijten aan de intervente.
Eén van de belangrijkste kenmerken van experimenteel onderzoek is randomisatie: de toewijzing van
de proefpersonen aan één van beide groepen op basis van toeval. Door middel van randomisate
voorkom je selecte: alle kenmerken zijn in principe gelijk verdeeld over beide groepen. Ook voorkom
je vertekening van het onderzoek door overige variabelen te voorkomen, het experiment is daardoor
bij uitstek geschikt om causale (oorzakelijkep verbanden te onderzoeken.
Veel gebruikte termen voor experimentele onderzoeken zijn ‘randomized controlled/clinical trails’=
RCT. Andere benaming die je kunt tegenkomen is ‘double blind randomized controlled trials’. De
toevoeging ‘double blind’ duidt op het blinderen van het onderzoek. Bij dubbelblind onderzoek is het
zowel voor de onderzoeker als voor de proefpersoon onbekend in welke groep de proefpersoon zich
bevindt. Onderzoek kan ook enkelblind zijn. Hierbij is slechts aan degene die de uitkomst meet
onbekend tot welke groep de proefpersoon behoort.
Quasi-experiment:
Hierbij ga je uit van bestaande groepen; de randomisate ontbreekt. Doordat de toewijzing aan
groepen niet op basis van toeval gebeurt, is er bij een quasi-experiment minder controle mogelijk
dan bij een experiment. Er is een grotere kans op vertekening van de onderzoeksresultaten, doordat
de groep samenstelling het onderzoeksresultaat mede bepaalt.
Pre-experiment:
Soms is het niet mogelijk een controlegroep samen te stellen, bijv. als het gaat om het effect van een
grote televisieshow voor het werven van orgaandonoren. Het is immers niet mogelijk om een
bepaalde groep mensen te verbieden hiernaar te kijken of hierover te lezen. In dat geval spreken we
van een pre-experiment (natuurlijk experimentp of voor-en-na-vergelijking.
Bij observatoneel onderzoek beperkt de onderzoeker zich tot het verrichten van waarnemingen en
metngen. Tot de observatonele onderzoeksdesigns behoren:
1. Cohortonderzoek
2. Patënt-controleonderzoek
3. Dwarsdoorsnedeonderzoek
4. Patëntenseries
5. Ecologisch onderzoek
Cohortonderzoek:
Als je binnen een onderzoek een vaststaande groep mensen gedurende een bepaalde periode volgt,
spreken we van cohortonderzoek. Een vaststaande onderzoeksgroep noem je een cohort. Een cohort
bestaat uit een enkele groep of uit meerdere groepen. Zowel observatoneel als experimenteel
cohortonderzoek is mogelijk.
Als je een prospectef cohortonderzoek doet, volg je de proefpersonen in de tjd= longitudinale
follow-up.
Een zwak punt is uitval van proefpersonen tjdens het onderzoek; dit noemen we ‘loss-to-follow-up,
Een voordeel van het onderzoek, dat je er meerdere ruitkomsten tegelijk mee kunt bestuderen.
Patiënt-controleonderzoek:
Een vorm van retrospectef onderzoek s patënt-controleonderzoek. In het Engels: case-control study.
Hierbij stel je de onderzoeksgroepen samen op basis van de uitkomst. Omdat de ziekte al is
opgetreden bij de start van het onderzoek, is een patënt-controleonderzoek altjd retrospectef. Een
,patënt-controleonderzoek is effectever dan een cohortstudie, omdat je de proefpersonen niet
gedurende langere tjd hoef te volgen.
De kans dat vertekening van het onderzoek optreedt is aanwezig, doordat je bij selecte van
proefpersonen andere variabelen automatsch mee selecteert. Een ander nadeel van retrospectef
onderzoek is, dat de dataverzameling in het verleden plaatsvindt, hierdoor ben je afankelijk van
herinnering van de proefpersonen.
Dwarsdoorsnedeonderzoek:
Bij dwarsdoorsnedeonderzoek worden de onafankelijke en afankelijke variabele op hetzelfde
moment gemeten. Andere namen voor dit onderzoek zijn: transversaal onderzoek of cross-
sectioneel onderzoek. Dwarsdoorsnede onderzoek gebeurt vaak door middel van vragenlijsten
(survey-onderzoekp.
Voordeel van dit onderzoek is dat de dataverzameling snel en efciënt verloopt. Er is geen kans op
uitval van proefpersonen gedurende de tjd. De factor ‘tjd’ neem je niet mee. Doordat er gemakkelijk
selecte van de proefpersonen kan plaatsvinden en de ‘oorzaak’ niet duidelijk voorafgaat aan de
uitkomst zijn geen uitspraken te doen over de causaliteit van de gevonden verbanden.
Patiëntenseries:
Meerdere patënten die bij dezelfde aandoening gelijke kenmerken hebben bij houden als
zorgverlener. Door het bijhouden van een patiëntenserie probeer je een vast patroon in deze
kenmerken te ontdekken. Een controle groep ontbreekt hierbij.
Ecologisch onderzoek:
Bij ecologisch onderzoek bestudeer je geen individuele proefpersonen, maar vergelijk je groepen
mensen met elkaar. Je maakt daarbij gebruik van geaggregeerde gegevens. Ecologisch onderzoek kan
cross-sectoneel of longitudinaal zijn. De term ‘ecologisch onderzoek’ is wat verwarrend, omdat
sommige onderzoekers deze gebruiken voor onderzoek in de alledaagse omgeving van individuele
proefpersonen. Een andere (eveneens verwarrendep benaming voor ecologisch onderzoek is
correlatiestudie.
Hoofdstuk 5: De onderzoekspopulate
Populatie en steekproef:
Theoretische populatie of doelpopulatie= de groep mensen waar je
een uitspraak over doet aan de hand van je onderzoeksresultaten.
Als je uitspraken wilt doen over patënten met artrose in de knieën,
bestaat je theoretsche populate in principe uit alle patënten met
artrose in de knieën. Patënten met artrose in de heupen of de
polsen behoren niet tot de theoretsche populate, dit zijn daarom
externe populaties.
Het is vrij wel onmogelijk om alle patënten die behoren tot de
theoretsche populate te bereiken of op te sporen. Daarom baken je
de theoretsche populate af in een feitelijke populatie of
operationele populatie. De feitelijke populate kan bestaan uit de
patënten waarbij in het afgelopen jaar iets is gediagnostseerd door
huisartsen uit een bepaalde regio. Soms kun je de feitelijke populate
als een geheel onderzoeken. Meestal is dit echter praktsch
onmogelijk, omdat de feitelijke populate veel te groot is om
iedereen te onderzoeken. Uit deze populate trek je daarom een
steekproef. Omdat niet alle benaderde patënten zullen mee werken
aan het onderzoek, bestaat de uiteindelijke onderzoekspopulatie
slechts uit een deel van de steekproef, namelijk de personen bij wie
je de gegevens verzamelt.
, Gegevens uit een steekproef mag je alleen generaliseren naar de feitelijke populate waaruit de
steekproef is getrokken. Het is belangrijk je populate waaruit je een steekproef trekt van tevoren
goed af te bakenen. Om je populate af te bakenen stel je inclusiecriteria en exclusiecriteria op.
Inclusiecriteria zijn de criteria op basis waarvan je een proefpersoon in het onderzoek includeert.
Exclusiecriteria zijn de criteria op basis waarvan je juist proefpersonen van deelname aan het
onderzoek uitsluit. Daarnaast kun je met de exclusiecriteria overige factoren uitsluiten, die mogelijk
van invloed kunnen zijn op de resultaten van het onderzoek.
Er zijn verschillende redenen om de populate waarin je onderzoek verricht af te bakenen:
- Wetenschappelijke redenen: om je populate af te bakenen door middel van af te bakenen
van de populate kun je onderzoeksgroepen samenstellen die een zo groot mogelijke
contrast vertonen in het te bestuderen kenmerken (bijvoorbeeld ketngrokers versus niet-
rokers, alle gemiddelde rokers laat je buiten beschouwingp
- Ethische redenen: om je populate af te bakenen op ethische gronden word een onderzoek
vaak beperkt tot een bepaalde patëntenpopulate; mensen met een slechte
gezondheidstoestand of meerdere aandoeningen worden vaak van het onderzoek
uitgesloten om eventuele risico’s te vermijden . In onderzoek naar nieuwe medicijnen betrek
je pas ernstge zieken als het nieuwe middel zich in eerder onderzoek al bewezen heef.
- Praktische redenen: om je populate af te bakenen je trekt zelden een steekproef uit de
gehele (patëntenppopulate uit het hele land. Om praktsche redenen kies je meestal voor
een afakening van de feitelijke populate tot patënten in een bepaald ziekenhuis of een
bepaalde regio. Je kunt je populate ook afakenen in tjd: de patënten die zich het komende
half jaar bij de huisarts melden met een bepaalde aandoening.
Iedere afakening van de feitelijke populate gaat ten koste van de generaliseerbaarheid van de
resultaten naar de theoretsche gronden wel te beredeneren of te onderzoeken bruikbaar is voor
andere populates of situates. Verder geven de meeste onderzoeken aanleiding tot gevolg
onderzoek in andere populates, waardoor er langzaam een beeld gevormd word van de
werkelijkheid op basis van meerdere onderzoeksresultaten samen
Soorten steekproeven:
Een steekproef moet representatief zijn voor de feitelijke populate waaruit je deze trekt. Dat wil
zeggen dat de personen in de steekproef een goede afspiegeling zijn van de hele feitelijke populate.
De personen in de steekproef vormen dan een goede vertegenwoordiging van de personen waarover
je een uitspraak wilt doen.
Aselecte steekproef: de beste manier om een representateve steekproef te krijgen is het trekken
van een aselecte steekproef. Alle mensen binnen de feitelijke populate hebben dan evenveel kans
om in de steekproef terecht te komen.
Verschillende aselecte steekproeven:
Enkelvoudige aselecte steekproef: als alle personen uit de feitelijke populate in een bepaald bestand
zijn opgenomen kun je hieruit een willekeurige steekproef trekken. Je spreekt dan van een
enkelvoudige aselecte steekproef. Een enkelvoudige aselecte steekproef geef je de meeste
mogelijkheden voor het generaliseren van de gegevens.
Systematscce aselecte steekproef: bij een systematsche aselecte steekproef trek je de steekproef
niet helemaal willekeurig, maar volgens een bepaalde systematek. Je benadert bijvoorbeeld iedere
tende persoon uit een bepaald bestand. De persoon waarmee je begint, bepaal je op basis van
toeval.
Gestraticeerde steekproef: soms wil je evenveel mannen als vrouwen in je onderzoek betrekken of
wil je voldoende vertegenwoordiging van mensen uit elke leefijdscategorie. In dat geval kan een
gestratsceerde steekproef uitkomst bieden. Hierbij deel je de populate eerst in, in groepen (‘strata’p
Kennistoets kwartel 5 orthopedie 1
Evidence Based Physiotherapy and Literature Research
De student is in staat de verschillende categorieën van klinische vragen te beschrijven, aan te geven
welk onderzoeksdesign het meest geschikt is voor het beantwoorden van een bepaalde klinische
vraag. De student kan beschrijven wat primaire en secundaire studies zijn en kan hier voorbeelden
van geven.
De student is in staat de kenmerken van de meest gebruikte onderzoeksdesigns te beschrijven en kan
aangeven welk design hoger of lager is in vergelijking met een ander design in de hiërarchie van
evidente.
Hoofdstuk 3: De onderzoeksopzet, 3.1,3.2&3.3
Meest gebruikte onderzoeks-indelingen in de gezondheidszorg:
- Indelingen op basis van het doel dat je met het onderzoek wilt bereiken
o Definiërend: de bepalende kenmerken van het onderwerp geef je aan
o Beschrijvend: de eigenschappen van het onderwerp breng je in kaart
o Vergelijkend: verschillen tussen twee of meerdere groepen, situates of
instrumenten onderzoeken
o Verklarend: richt op oorzaken van gevonden verschillen of verbanden
o Voorspellend: gevolgen van het onderwerp bekijken
o Evaluerend: effect van een bepaalde intervente of maatregel evalueren
o Voorschijvend: bedoeld om maatregelen of richtlijnen op te stellen
o Explorend: waarbij je op zoek gaat naar verbanden of verklaringen
o Toetsend: een theorie of verwachtngen wilt toetsen of het effect van een bepaalde
intervente of maatregel onderzoekt
- Indeling op basis van het soort gegevens dat je verzamelt
o Kwalitatief onderzoek: hierbij gaat het om gegevens over de beleving, ervaringen of
verwachtngen van de proefpersonen. Kwalitateve gegevens worden meestal
verzameld met methoden als interviews, observates en focusgroepdiscussies.
o Kwantitatief onderzoek: hierbij zijn de uitkomsten makkelijk in cijfers uit te drukken.
Aantal proefpersonen meestal hoger dan bij kwalitatef onderzoek.
- Indelingen op basis van het tjdpad van je onderzoek
o Wanneer er sprake is van slechts één meetmoment wordt dit een dwarsdoosnede-
onderzoek, transversaal onderzoek of cross-sectioneel onderzoek genoemd. Alle
gegevens verzamel je op hetzelfde moment.
o Longitudinaal onderzoek: de periode bevat dataverzameling van meerdere
meetmomenten. Je noemt dit onderzoek ook wel: ‘follow-uponderzoek’.
Prospectief: je kijkt vooruit in de tjd
Retrospectief: de uitkomst is al opgetreden en je kijkt terug in de tjd om
erachter te komen welke variabelen op de uitkomst van invloed waren.
- Indeling op basis van het onderzoeksdesign
o Experimenteel: de onderzoeker verandert bewust iets in de onderzoeksgroep: de
intervente
o Observationeel: de onderzoeker beperkt zich tot het verrichten van waarnemingen
en metngen; er wordt niet ingegrepen.
,Tot de experimentele onderzoeksdesigns behoren het experiment, het quasi-experiment en het pre-
experiment.
Experiment:
Bij een experiment deel je de proefpersonen op basis van toeval in twee groepen: de experimentele
groep (interventegroepp en de controlegroep. De experimentele groep stel je bloot aan een
bepaalde interventie (een medicijn, een voorlichtngsslm of een behandelingp; terwijl de
controlegroep geen intervente krijgt, of een placebo (‘nep’-interventep. Je vergelijkt de uitkomsten
van beide groepen. I er een verschil, dan is dit te wijten aan de intervente.
Eén van de belangrijkste kenmerken van experimenteel onderzoek is randomisatie: de toewijzing van
de proefpersonen aan één van beide groepen op basis van toeval. Door middel van randomisate
voorkom je selecte: alle kenmerken zijn in principe gelijk verdeeld over beide groepen. Ook voorkom
je vertekening van het onderzoek door overige variabelen te voorkomen, het experiment is daardoor
bij uitstek geschikt om causale (oorzakelijkep verbanden te onderzoeken.
Veel gebruikte termen voor experimentele onderzoeken zijn ‘randomized controlled/clinical trails’=
RCT. Andere benaming die je kunt tegenkomen is ‘double blind randomized controlled trials’. De
toevoeging ‘double blind’ duidt op het blinderen van het onderzoek. Bij dubbelblind onderzoek is het
zowel voor de onderzoeker als voor de proefpersoon onbekend in welke groep de proefpersoon zich
bevindt. Onderzoek kan ook enkelblind zijn. Hierbij is slechts aan degene die de uitkomst meet
onbekend tot welke groep de proefpersoon behoort.
Quasi-experiment:
Hierbij ga je uit van bestaande groepen; de randomisate ontbreekt. Doordat de toewijzing aan
groepen niet op basis van toeval gebeurt, is er bij een quasi-experiment minder controle mogelijk
dan bij een experiment. Er is een grotere kans op vertekening van de onderzoeksresultaten, doordat
de groep samenstelling het onderzoeksresultaat mede bepaalt.
Pre-experiment:
Soms is het niet mogelijk een controlegroep samen te stellen, bijv. als het gaat om het effect van een
grote televisieshow voor het werven van orgaandonoren. Het is immers niet mogelijk om een
bepaalde groep mensen te verbieden hiernaar te kijken of hierover te lezen. In dat geval spreken we
van een pre-experiment (natuurlijk experimentp of voor-en-na-vergelijking.
Bij observatoneel onderzoek beperkt de onderzoeker zich tot het verrichten van waarnemingen en
metngen. Tot de observatonele onderzoeksdesigns behoren:
1. Cohortonderzoek
2. Patënt-controleonderzoek
3. Dwarsdoorsnedeonderzoek
4. Patëntenseries
5. Ecologisch onderzoek
Cohortonderzoek:
Als je binnen een onderzoek een vaststaande groep mensen gedurende een bepaalde periode volgt,
spreken we van cohortonderzoek. Een vaststaande onderzoeksgroep noem je een cohort. Een cohort
bestaat uit een enkele groep of uit meerdere groepen. Zowel observatoneel als experimenteel
cohortonderzoek is mogelijk.
Als je een prospectef cohortonderzoek doet, volg je de proefpersonen in de tjd= longitudinale
follow-up.
Een zwak punt is uitval van proefpersonen tjdens het onderzoek; dit noemen we ‘loss-to-follow-up,
Een voordeel van het onderzoek, dat je er meerdere ruitkomsten tegelijk mee kunt bestuderen.
Patiënt-controleonderzoek:
Een vorm van retrospectef onderzoek s patënt-controleonderzoek. In het Engels: case-control study.
Hierbij stel je de onderzoeksgroepen samen op basis van de uitkomst. Omdat de ziekte al is
opgetreden bij de start van het onderzoek, is een patënt-controleonderzoek altjd retrospectef. Een
,patënt-controleonderzoek is effectever dan een cohortstudie, omdat je de proefpersonen niet
gedurende langere tjd hoef te volgen.
De kans dat vertekening van het onderzoek optreedt is aanwezig, doordat je bij selecte van
proefpersonen andere variabelen automatsch mee selecteert. Een ander nadeel van retrospectef
onderzoek is, dat de dataverzameling in het verleden plaatsvindt, hierdoor ben je afankelijk van
herinnering van de proefpersonen.
Dwarsdoorsnedeonderzoek:
Bij dwarsdoorsnedeonderzoek worden de onafankelijke en afankelijke variabele op hetzelfde
moment gemeten. Andere namen voor dit onderzoek zijn: transversaal onderzoek of cross-
sectioneel onderzoek. Dwarsdoorsnede onderzoek gebeurt vaak door middel van vragenlijsten
(survey-onderzoekp.
Voordeel van dit onderzoek is dat de dataverzameling snel en efciënt verloopt. Er is geen kans op
uitval van proefpersonen gedurende de tjd. De factor ‘tjd’ neem je niet mee. Doordat er gemakkelijk
selecte van de proefpersonen kan plaatsvinden en de ‘oorzaak’ niet duidelijk voorafgaat aan de
uitkomst zijn geen uitspraken te doen over de causaliteit van de gevonden verbanden.
Patiëntenseries:
Meerdere patënten die bij dezelfde aandoening gelijke kenmerken hebben bij houden als
zorgverlener. Door het bijhouden van een patiëntenserie probeer je een vast patroon in deze
kenmerken te ontdekken. Een controle groep ontbreekt hierbij.
Ecologisch onderzoek:
Bij ecologisch onderzoek bestudeer je geen individuele proefpersonen, maar vergelijk je groepen
mensen met elkaar. Je maakt daarbij gebruik van geaggregeerde gegevens. Ecologisch onderzoek kan
cross-sectoneel of longitudinaal zijn. De term ‘ecologisch onderzoek’ is wat verwarrend, omdat
sommige onderzoekers deze gebruiken voor onderzoek in de alledaagse omgeving van individuele
proefpersonen. Een andere (eveneens verwarrendep benaming voor ecologisch onderzoek is
correlatiestudie.
Hoofdstuk 5: De onderzoekspopulate
Populatie en steekproef:
Theoretische populatie of doelpopulatie= de groep mensen waar je
een uitspraak over doet aan de hand van je onderzoeksresultaten.
Als je uitspraken wilt doen over patënten met artrose in de knieën,
bestaat je theoretsche populate in principe uit alle patënten met
artrose in de knieën. Patënten met artrose in de heupen of de
polsen behoren niet tot de theoretsche populate, dit zijn daarom
externe populaties.
Het is vrij wel onmogelijk om alle patënten die behoren tot de
theoretsche populate te bereiken of op te sporen. Daarom baken je
de theoretsche populate af in een feitelijke populatie of
operationele populatie. De feitelijke populate kan bestaan uit de
patënten waarbij in het afgelopen jaar iets is gediagnostseerd door
huisartsen uit een bepaalde regio. Soms kun je de feitelijke populate
als een geheel onderzoeken. Meestal is dit echter praktsch
onmogelijk, omdat de feitelijke populate veel te groot is om
iedereen te onderzoeken. Uit deze populate trek je daarom een
steekproef. Omdat niet alle benaderde patënten zullen mee werken
aan het onderzoek, bestaat de uiteindelijke onderzoekspopulatie
slechts uit een deel van de steekproef, namelijk de personen bij wie
je de gegevens verzamelt.
, Gegevens uit een steekproef mag je alleen generaliseren naar de feitelijke populate waaruit de
steekproef is getrokken. Het is belangrijk je populate waaruit je een steekproef trekt van tevoren
goed af te bakenen. Om je populate af te bakenen stel je inclusiecriteria en exclusiecriteria op.
Inclusiecriteria zijn de criteria op basis waarvan je een proefpersoon in het onderzoek includeert.
Exclusiecriteria zijn de criteria op basis waarvan je juist proefpersonen van deelname aan het
onderzoek uitsluit. Daarnaast kun je met de exclusiecriteria overige factoren uitsluiten, die mogelijk
van invloed kunnen zijn op de resultaten van het onderzoek.
Er zijn verschillende redenen om de populate waarin je onderzoek verricht af te bakenen:
- Wetenschappelijke redenen: om je populate af te bakenen door middel van af te bakenen
van de populate kun je onderzoeksgroepen samenstellen die een zo groot mogelijke
contrast vertonen in het te bestuderen kenmerken (bijvoorbeeld ketngrokers versus niet-
rokers, alle gemiddelde rokers laat je buiten beschouwingp
- Ethische redenen: om je populate af te bakenen op ethische gronden word een onderzoek
vaak beperkt tot een bepaalde patëntenpopulate; mensen met een slechte
gezondheidstoestand of meerdere aandoeningen worden vaak van het onderzoek
uitgesloten om eventuele risico’s te vermijden . In onderzoek naar nieuwe medicijnen betrek
je pas ernstge zieken als het nieuwe middel zich in eerder onderzoek al bewezen heef.
- Praktische redenen: om je populate af te bakenen je trekt zelden een steekproef uit de
gehele (patëntenppopulate uit het hele land. Om praktsche redenen kies je meestal voor
een afakening van de feitelijke populate tot patënten in een bepaald ziekenhuis of een
bepaalde regio. Je kunt je populate ook afakenen in tjd: de patënten die zich het komende
half jaar bij de huisarts melden met een bepaalde aandoening.
Iedere afakening van de feitelijke populate gaat ten koste van de generaliseerbaarheid van de
resultaten naar de theoretsche gronden wel te beredeneren of te onderzoeken bruikbaar is voor
andere populates of situates. Verder geven de meeste onderzoeken aanleiding tot gevolg
onderzoek in andere populates, waardoor er langzaam een beeld gevormd word van de
werkelijkheid op basis van meerdere onderzoeksresultaten samen
Soorten steekproeven:
Een steekproef moet representatief zijn voor de feitelijke populate waaruit je deze trekt. Dat wil
zeggen dat de personen in de steekproef een goede afspiegeling zijn van de hele feitelijke populate.
De personen in de steekproef vormen dan een goede vertegenwoordiging van de personen waarover
je een uitspraak wilt doen.
Aselecte steekproef: de beste manier om een representateve steekproef te krijgen is het trekken
van een aselecte steekproef. Alle mensen binnen de feitelijke populate hebben dan evenveel kans
om in de steekproef terecht te komen.
Verschillende aselecte steekproeven:
Enkelvoudige aselecte steekproef: als alle personen uit de feitelijke populate in een bepaald bestand
zijn opgenomen kun je hieruit een willekeurige steekproef trekken. Je spreekt dan van een
enkelvoudige aselecte steekproef. Een enkelvoudige aselecte steekproef geef je de meeste
mogelijkheden voor het generaliseren van de gegevens.
Systematscce aselecte steekproef: bij een systematsche aselecte steekproef trek je de steekproef
niet helemaal willekeurig, maar volgens een bepaalde systematek. Je benadert bijvoorbeeld iedere
tende persoon uit een bepaald bestand. De persoon waarmee je begint, bepaal je op basis van
toeval.
Gestraticeerde steekproef: soms wil je evenveel mannen als vrouwen in je onderzoek betrekken of
wil je voldoende vertegenwoordiging van mensen uit elke leefijdscategorie. In dat geval kan een
gestratsceerde steekproef uitkomst bieden. Hierbij deel je de populate eerst in, in groepen (‘strata’p