Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 57 pages
Summary

Samenvatting Bedrijfseconomie deel 1

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 57 pages

Dit is een uitgebreide samenvatting van hoofdstuk 1 tot 6. Deze samenvatting is gemaakt op basis van de cursus de dia's uit de powerpoint.

Content preview

Bedrijfseconomie periode 3
Hoofdstuk 1: inleiding
Doel van de economische wetenschap
Mensen moeten kiezen:

• Mensen hebben onbeperkte behoeften: veel en gevarieerd
• Er zijn middelen die nut hebben, maar schaars zijn
( de meeste middelen die ze hebben om die behoeften te voldoen zijn wel beperkts
of schaars)
Keuzeprobleem
Schaars zeldzaam, weinig
Economisch probleem: hoe schaarse middelen die meerdere aanwendingsmogelijkheden
hebben, toewijzen aan talrijke behoeften.
Een economisch probleem is een keuzeprobleem dat uit die confrontatie ontstaat: er zijn te
weinig middelen om alle behoeften te voldoen.
Alle economische agenten worden gedwongen om keuzen te maken: ze moeten de schaarse
middelen waarover ze beschikken, toewijzen aan de vele behoeften die ze hebben.

Economische agenten: consumenten, producenten, overheid
Schaars: we zouden er meer van willen
Mensen komen voortdurend voor keuzeproblemen te staan:

• Een gezin moet kiezen waaraan inkomen, tijd en spaargeld zal worden besteed
• Bedrijven moeten kiezen hoe en hoeveel personeel zal worden ingezet voor
verschillende functies
• Overheden moeten beslissen welke belastingen zullen worden geheven en waarvoor
die zullen worden aangewend
De economie probeert op een rationele manier de keuzen die mensen,.. maken te verklaren.
Economie: is de sociale wetenschap die de productie, distributie en consumptie bestudeert
van welvaart in een samenleving
Grieks woord: Oikonomia => oikos (huis) en nemein ( beheren)
Behoeften indelen:

• Materiële behoeften: honger, zin om te lezen,… worden bevredigd met materiële
middelen (brood, boek)
Immateriële behoeften: bankadvies, geneeskundig onderzoek,…
• Primaire behoeften: fysiologische/ levensnoodzakelijk: eten, slapen, kleding (needs)
Secundaire behoeften: onderwijs, cultuur, sport, luxe producten (wants)

,Middelen indelen:
Middelen: De goederen en diensten waarmee de behoeften kunnen worden voldaan.
Goederen en diensten waarmee je een behoefte kan voldoen hebben een nut.


Vrije en economische goederen:
Schaars: de spanning tussen de behoeften van de mens en de middelen om in de behoeften
te voorzien.
Goederen en diensten waarvan de verlangde hoeveelheid > beschikbare hoeveelheid als
gratis aangeboden. Niet weinig!!!
Door schaarste ontstaat een markt waarin een gevraagde hoeveelheid, een aangeboden
hoeveelheid en een prijs tot stand komen.
Economisch goed: als een goed of dienst niet in onbeperkte mate ter beschikking is. Deze
goederen zijn per definitie schaars.
Voor economische goederen bestaat een markt, waarin een gevraagde en een aangeboden
hoeveelheid en een prijs bestaat voor het betreffende goed.
Vrij goed: ze zijn in overvloed aanwezig en zijn niet schaars.


Door de toename van de wereldbevolking zijn er almaar minder voorbeelden te geven van
vrije goederen. Het water in de zee, lucht,… Als straks de lucht industrieel zal moeten
gezuiverd worden, zal lucht geen vrij goed meer zijn, maar een economisch goed.


Consumptie- en investeringsgoederen:
Consumptiegoederen: zijn bestemd voor de consument. Ze bevredigen rechtstreeks de
behoeften van de consument.

• Niet-duurzame consumptiegoederen: verbruiksgoederen ( broodje, tube tandpasta)
• Duurzame consumptiegoederen: gebruiksgoederen (koelkast, auto)
Investeringsgoederen: worden door bedrijven gebruikt bij de productie van eindgoederen.
Dienen om andere goederen te produceren (producent).

• Niet-duurzame consumptiegoederen: vlottende investeringsgoederen, gaan minder
dan een jaar mee: grond- en hulpstoffen, voorraden,…
• Duurzame investeringsgoederen: kapitaalgoederen, gaan langer dan een jaar mee
Private en publieke goederen:
Het onderscheid tussen publiek en private goederen worden gemaakt op basis van 2
eigenschappen: uitsluitbaarheid en rivaliteit.

,Uitsluitbaar: betekent dat het mogelijk is sommige consumenten ui te sluiten. Meestal doet
men dat door betaling-bij-verbruik te eisen: alléén die consumenten die betalen kunnen
genieten van het nut, de anderen niet. Uitsluitbaarheid is ook mogelijk door alleen mensen
met een bepaald diploma toe te laten of met een bepaalde handicap, bepaalde lengte of
leeftijd ( zie pretpark)
Rivaliteit: betekent dat consumptie van het goed leidt tot vermindering van wat er voor
anderen overblijft. Vb: straatverlichting op=op
Quasi-collectieve goederen: zijn goederen die slechts één van deze twee eigenschappen
hebben.

Uitsluitbaarheid Niet-uitsluitbaar
Rivaliteit Private goederen Quasi-collectieve goederen:
gemeenschappelijke
goederen
Geen rivaliteit Quasi-collectieve goederen: Collectieve goederen
Clubgoederen


Private goederen: de meeste goederen en diensten die we kennen zijn private goederen. =
“haircuts and hamburgers”. Ze hebben 2 kenmerken: rivaliteit én uitsluitbaarheid. Bv: Alleen
wie betaalt krijgt een pizza ( uitsluitbaar). De pizza die jij eet, is er niet meer voor iemand
anders (rivaliteit). Vb: kleding, je fiets, een tractor


Publieke goederen/ zuiver collectieve goederen: zijn niet uitsluitbaar en waarvoor geen
rivaliteit bestaat. Vb: de straatverlichting, vissen die in internationale wateren zwemmen,
radio uitzendingen, tv op antenne, lucht, dijken, leger,… Het zijn goederen die voor alle
mensen in een samenleving worden beschikbaar zijn.
Bv: je kan niet verhinderen dat iemand ervan geniet ( niet uisluitbaar). Als jij naar MNM
luistert, hoort je buurman het programma daarom niet slechter ( geen rivaliteit).
Mogelijk ontstaat bij publieke goederen een free-riderprobleem of vrijbuitersprobleem:
mensen maken mee gebruik van de aangeboden diensten, zonder ervoor te betalen.
Deze publieke goederen worden ter beschikking gesteld door de natuur of door de overheid.
De overheid zorgt ervoor dat er straatverlichting, politie,.. is en betaalt hiervoor met de
belastingen die ze van de ingezetenen van het land int.


Quasi-collectieve goederen: geen zuiver privaat of geen zuiver collectief. Soms betaalt de
overheid de volledige kost. In ons land is dat het geval voor sommige musea en voor het
lager en het secundair onderwijs. Soms moet een deel van de kost worden betaald door de
consument, zie De Lijn , NMBS,..

, • Clubgoederen: er is uitsluitbaarheid, maar geen rivaliteit bv: musea, onderwijs, kabel-
tv, licentie voor een softwarepakket,…
Kan KDG u uitsluiten? Ja, als u niet betaalt
• Gemeenschappelijke goederen: gaat het om goederen die niet uitsluitbaar zijn, maar
waarbij wel rivaliteit bestaat. Bv: visbestand in de rivieren, houtvoorraad in bossen
die niet in privébezit zijn,..
Niet iemand uitsluiten om in de bossen te kappen, wel rivaliteit => minder bossen om
te kappen voor anderen.
De productiefactoren:
Wanneer bedrijven produceren genereren ze output: goederen en diensten, die nut hebben.
In de economische cyclus kunnen ze die producten ruilen en zo een inkomen verwerven.
Consumenten zullen de geproduceerde goederen en diensten aanwenden voor het voldoen
van hun behoeften. Ze besteden of consumeren daarbij een deel van hun inkomen.
De inputs die bedrijven nodig hebben om hun productie tot stand te brengen, noemen we
productiefactoren.

• De natuur: alles wat door de aarde wordt voortgebracht en mogelijk wordt gemaakt
=> grondstoffen en energiestoffen
• Arbeid: zowel de fysiek als de geestelijke arbeid van mensen => fysiek, intellectueel
en ondernemend
• Kapitaal: de vroeger geproduceerde kapitaalgoederen die het mogelijk maken meer
nieuwe goederen en diensten te produceren ( pc’s in bedrijven,..). => opgeslagen
vroeger gepresteerde arbeid (stored labour)


Welvaart en welzijn:
Welvaart: de mate waarin behoeften kunnen worden bevredigd met de beschikbare
middelen. Het gaat dus om een kwantitatieve (meetbare) grootheid.
Om de welvaart van een land te meten wordt meestal een maatstaf gebruikt als het bruto
binnenlands product (bbp): de totale hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten.
Welvaart is niet alleen de mate waarin in de behoefte aan koelkasten en hamburgers is
voorzien, maar ook in de behoefte aan vrije tijd en parken.
Welzijn: staat buiten de economie. Het gaat daar ook wel over de mate waarin behoeften
worden bevredigd, maar waarbij geen aanspraak wordt gemaakt op schaarse middelen,
zoals bij de behoefte aan welbevinden, aan vriendschap, liefde en erkenning.
Micro en Macro:
Micro-economie verklaart hoe individuele gezinnen en bedrijven hun allocatieproblemen (is
het probleem hoe de productiefactoren zo goed mogelijk worden benut) oplossen, hun
keuzes maken en hoe ze op markten met elkaar interageren (inwerken).

Document information

Study
Uploaded on
September 19, 2018
Number of pages
57
Written in
2017/2018
Type
Summary
$8.20

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
ionadewolf
2.8
(6)
Sold
4
Followers
4
Items
6
Last sold
5 year ago

Reviews from verified buyers



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions