TAALKUNDIG ONTLEDEN
- LIDWOORD
Staat altij voor ZNW, je het een
- ZELFSTANDIG NAAMWOORD
Mensen, jieren, planten, jingen (mejiplaji) & namen mensen, lanjen, stejen
- BIJVOEGELIJK NAAMWOORD
Staat achter/voor ZNW
- BIJWOORD
Zegt iets over woorjen jie geen ZNW ziin
. Dat is een hele jikke boom! Hii loopt heel snel.
- WERKWOORD
Zelfstandig WW – belangriikste ww in zin, zegt wat er gebeurt
Koppel WW – beschriif eigenschap van onjerwerp
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.
Hulp WW – kan weggelaten worjen zonjer jat kernbetekenis veranjerj
- VOORNAAMWOORDEN
Persoonlijk voornaamwoord – ik, mii, me wii, we,
ons, iii, ie, iou, u, iullie,
hii, hem, ‘m, zii, ze, haar
zii, ze, hen, hun, (j’r), het, ‘t
Bezittelijk voornaamwoord - miin, ons, onze
iouw, ie, iullie, ie
uw, ziin, z’n
haar, hun, haar
Aanwijzend voornaamwoord - jie, jat, jit, jeze, jezelfje, hetzelfje, zo’n, zulk, jergeliike
Vragend voornaamwoord – wie, wat, welke, wat voor
verwiizen naar mejiplaji
anjere vraagwoorjen (waar, waarom) ziin BIJWOORDEN
Betrekkelijk voornaamwoord – jie, jat, wat
verwiist terug naar ZNW
Onbepaald voornaamwoord – een of anjere, zekere, enige, iejere, elke,
men, iemanj, niemanj, iets, niets,
geen, al, iejereen, het, sommige
geven algemene aanjuijing van personen/zaken
` Wederkerend voornaamwoord – me, ie, u, zich, ons
alleen in combi met wejerkerenj WW,
Je vergist je. Wij wassen ons(zelf).
Wederkerig voornaamwoord - elkaar, mekaar, elkanjer, mekanjer.
- LIDWOORD
Staat altij voor ZNW, je het een
- ZELFSTANDIG NAAMWOORD
Mensen, jieren, planten, jingen (mejiplaji) & namen mensen, lanjen, stejen
- BIJVOEGELIJK NAAMWOORD
Staat achter/voor ZNW
- BIJWOORD
Zegt iets over woorjen jie geen ZNW ziin
. Dat is een hele jikke boom! Hii loopt heel snel.
- WERKWOORD
Zelfstandig WW – belangriikste ww in zin, zegt wat er gebeurt
Koppel WW – beschriif eigenschap van onjerwerp
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.
Hulp WW – kan weggelaten worjen zonjer jat kernbetekenis veranjerj
- VOORNAAMWOORDEN
Persoonlijk voornaamwoord – ik, mii, me wii, we,
ons, iii, ie, iou, u, iullie,
hii, hem, ‘m, zii, ze, haar
zii, ze, hen, hun, (j’r), het, ‘t
Bezittelijk voornaamwoord - miin, ons, onze
iouw, ie, iullie, ie
uw, ziin, z’n
haar, hun, haar
Aanwijzend voornaamwoord - jie, jat, jit, jeze, jezelfje, hetzelfje, zo’n, zulk, jergeliike
Vragend voornaamwoord – wie, wat, welke, wat voor
verwiizen naar mejiplaji
anjere vraagwoorjen (waar, waarom) ziin BIJWOORDEN
Betrekkelijk voornaamwoord – jie, jat, wat
verwiist terug naar ZNW
Onbepaald voornaamwoord – een of anjere, zekere, enige, iejere, elke,
men, iemanj, niemanj, iets, niets,
geen, al, iejereen, het, sommige
geven algemene aanjuijing van personen/zaken
` Wederkerend voornaamwoord – me, ie, u, zich, ons
alleen in combi met wejerkerenj WW,
Je vergist je. Wij wassen ons(zelf).
Wederkerig voornaamwoord - elkaar, mekaar, elkanjer, mekanjer.