H17 oefentoets 3
1
Wat is het ultieme criteriumgedrag in de marketing?
A. de informatievraag
B. de aandacht
C. de aankoop
D. de attitude
2
De vrije speelruimte van de consument kan aan de hand van psychologische concepten verklaard
worden. Welke vier hoofdconcepten onderscheiden we hierbij?
A. motivatie, perceptie, leren en attituden
B. motivatie, leren, behoeften en kennis
C. affect, emoties, attituden en ervaring
D. interpretatie, imago, waarneming en perceptie
3
Waar staat de T voor in de formule T = M × C × G?
A. de capaciteit
B. de waarschijnlijkheid
C. de motivatie
D. de tijd
4
Annelies koopt een nieuw espressoapparaat maar kan helemaal niet wijs worden uit de
handleiding. Welke capaciteit is hierbij onvoldoende aanwezig?
A. dienstcapaciteit
B. mentale capaciteit
C. fysieke capaciteit
D. financiële capaciteit
5
Welke drie soorten beslissingsgedrag onderscheidt Howard?
A. bewust, onbewust en risicoloos gedrag
B. uitgebreid probleemoplossend, routinematig en beperkt probleemoplossend gedrag
C. proactief, reactief en passief gedrag
D. compenserend, disjunctief en lexicografisch gedrag
6
Stelling:
Interne informatie is in het geheugen van de consument opgeslagen.
A. Juist
B. Onjuist
1
Wat is het ultieme criteriumgedrag in de marketing?
A. de informatievraag
B. de aandacht
C. de aankoop
D. de attitude
2
De vrije speelruimte van de consument kan aan de hand van psychologische concepten verklaard
worden. Welke vier hoofdconcepten onderscheiden we hierbij?
A. motivatie, perceptie, leren en attituden
B. motivatie, leren, behoeften en kennis
C. affect, emoties, attituden en ervaring
D. interpretatie, imago, waarneming en perceptie
3
Waar staat de T voor in de formule T = M × C × G?
A. de capaciteit
B. de waarschijnlijkheid
C. de motivatie
D. de tijd
4
Annelies koopt een nieuw espressoapparaat maar kan helemaal niet wijs worden uit de
handleiding. Welke capaciteit is hierbij onvoldoende aanwezig?
A. dienstcapaciteit
B. mentale capaciteit
C. fysieke capaciteit
D. financiële capaciteit
5
Welke drie soorten beslissingsgedrag onderscheidt Howard?
A. bewust, onbewust en risicoloos gedrag
B. uitgebreid probleemoplossend, routinematig en beperkt probleemoplossend gedrag
C. proactief, reactief en passief gedrag
D. compenserend, disjunctief en lexicografisch gedrag
6
Stelling:
Interne informatie is in het geheugen van de consument opgeslagen.
A. Juist
B. Onjuist