H11 oefentoets 1
1
Wat hoort niet in dit rijtje thuis? Ego, superego, zelfbewustzijn, id.
A. zelfbewustzijn
B. id
C. ego
D. superego
2
Stelling I:
Een trait is uniek voor elk mens.
Stelling II:
Traits zijn persoonlijkheidskenmerken waarin individuen van elkaar kunnen verschillen.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
3
Wat wordt niet genoemd als kritiek op de theorieën van Freud?
A. Freud geeft geen duidelijke omschrijving van het id.
B. Er wordt weinig invloed toegekend aan sociale factoren.
C. De theorieën van Freud zijn moeilijk empirisch te toetsen.
D. Het is moeilijk vast te stellen in hoeverre de theorieën van Freud de realiteit weerspiegelen.
4
Welk type theorie geeft de mogelijkheid tot empirische toetsing?
A. trait-theorie
B. de theorie van Freud
C. socio-psychologische theorie
D. psychoanalytische theorie
5
OSN staat voor:
A. optimalisatie search neuronen
B. optimalisatie stimuli negate
C. optimaal stimulatieniveau
D. onderscheidend simulatieniveau
1
Wat hoort niet in dit rijtje thuis? Ego, superego, zelfbewustzijn, id.
A. zelfbewustzijn
B. id
C. ego
D. superego
2
Stelling I:
Een trait is uniek voor elk mens.
Stelling II:
Traits zijn persoonlijkheidskenmerken waarin individuen van elkaar kunnen verschillen.
A. Beide stellingen zijn juist.
B. Stelling I is juist en stelling II is onjuist.
C. Stelling I is onjuist en stelling II is juist.
D. Beide stellingen zijn onjuist.
3
Wat wordt niet genoemd als kritiek op de theorieën van Freud?
A. Freud geeft geen duidelijke omschrijving van het id.
B. Er wordt weinig invloed toegekend aan sociale factoren.
C. De theorieën van Freud zijn moeilijk empirisch te toetsen.
D. Het is moeilijk vast te stellen in hoeverre de theorieën van Freud de realiteit weerspiegelen.
4
Welk type theorie geeft de mogelijkheid tot empirische toetsing?
A. trait-theorie
B. de theorie van Freud
C. socio-psychologische theorie
D. psychoanalytische theorie
5
OSN staat voor:
A. optimalisatie search neuronen
B. optimalisatie stimuli negate
C. optimaal stimulatieniveau
D. onderscheidend simulatieniveau