INLEIDING TOT DE MACRO-
ECONOMIE
L. Hens
Samenvatting Macro-Economie, academiejaar 2017-2018
Maxime Deveen
,Samenvatting Macro-Economie
Te kennen voor het examen:
− Hoofdstuk 1
− Hoofdstuk 2
− Hoofdstuk 20
− Hoofdstuk 21
− Hoofdstuk 22
− Hoofdstuk 23
− Hoofdstuk 24
− Hoofdstuk 27
− Hoofdstuk 28
− Hoofdstuk 29
− Hoofdstuk 30
− Hoofdstuk 31
− Hoofdstuk 32
− Hoofdstuk 33
− Hoofdstuk 34
1
,Hoofdstuk 1 en 2
Micro-economie: de wetenschap die bestudeert hoe huishoudens en bedrijven besluiten nemen en
op welke manier zij elkaar beïnvloeden via de diverse markten.
Macro-economie: de wetenschap die de verschijnselen bestudeert die de economie in zijn geheel
betreffen, zoals inflatie, werkloosheid en economische groei.
Economische groei: de toename van de hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten in een
economie over een bepaalde tijdsperiode.
Endogene variabele: een variabele waarvan de waarde bepaald is binnen het model.
Exogene variabele: een variabele waarvan de waarde bepaald is buiten het model.
Positieve uitspraken: beweringen die pogen om de wereld te beschrijven zoals hij is.
Normatieve uitspraken: beweringen die pogen om voor te schrijven hoe de wereld zou moeten zijn.
Hoofdstuk 20
Bruto binnenlands product (bbp): de marktwaarde van alle eindproducten en -diensten die binnen
een vastgestelde periode in een land zijn geproduceerd.
Het bbp kan berekend worden aan de hand van volgende gelijkheid:
Y = C + I + G + NX (EX – IM)
Y = inkomen (bbp)
C = consumptie: de bestedingen van huishoudens aan goederen en diensten, met uitzondering van
de aankoop van een nieuwe woonvoorziening.
I = investeringen: uitgaven die worden gedaan aan kapitaalgoederen, voorraden en bouwwerken,
nieuwe woonvoorzieningen.
G = overheidsbestedingen: bestedingen die door lokale, regionale en nationale overheid worden
gedaan om goederen en diensten aan te kopen. Het bevat GEEN overdrachtsuitgaven (uitkeringen,
wettelijke pensioenen, subsidies …).
NX = netto uitvoer: uitvoer – invoer; wordt ook de handelsbalans genoemd.
Overdracht (transfer payment): een betaling waartegenover geen uitwisseling van een goed of dienst
staat.
Uitvoer: de aankopen door buitenlanders van in het binnenland geproduceerde goederen en
diensten.
Invoer: de aankopen door inwoners van een land van in het buitenland geproduceerde goederen en
diensten.
2
,3 manieren om het bbp te berekenen:
1. Productiebenadering
2. Inkomensbenadering
3. Bestedingsbenadering
1. Productiebenadering
Bij de productiebenadering bereken je het BBP door het optellen van alle toegevoegde waardes van
bedrijven.
TW = marktprijs van productie – kost van niet-factor-inputs.
2. Inkomensbenadering
Bij de inkomensbenadering bereken je het BBP met behulp van inkomens voor de productiefactoren.
Het BBP via de inkomensbenadering is de som van alle bruto-inkomsten in een land tijdens een
bepaalde periode.
3. Bestedingsbenadering
De bestedingsbenadering van het BBP is de som van alle bestedingen van alle goederen en diensten
die gereed zijn gemaakt in een land, in een bepaalde periode.
Y = C + I + G + NX (EX – IM)
Nominaal bbp: het bbp bekomen door de productie van goederen en diensten te vermenigvuldigen
met de marktprijs van deze goederen en diensten in het jaar van de productie. Ook het bbp tegen
lopende prijzen genoemd.
Voorbeeld:
Appels Aardappels
2016 €1/kg; 100 kg €2/kg; 50 kg
2017 €2/kg; 150 kg €3/kg; 100 kg
Nominaal bbp 2016 = (€1/kg x 100 kg) + (€2/kg x 50 kg) = €200
Nominaal bbp 2017 = (€2/kg x 150 kg) + (€3/kg x 100 kg) = €600
Reëel bbp: het bbp bekomen door de productie van goederen en diensten te vermenigvuldigen met
de marktprijs van deze goederen en diensten in een welbepaald basisjaar. Deze maatstaf corrigeert
het bbp voor de verandering van prijzen in de tijd. Ook het bbp tegen constante prijzen genoemd.
Zie voorbeeld hierboven:
Basisjaar = 2016
Reële bbp 2016 = (€1/kg x 100 kg) + (€2/kg x 50 kg) = €200 in prijzen van 2016
Reële bbp 2017 = (€1/kg x 150 kg) + (€2/kg x 100 kg) = €350 in prijzen van 2016
3
, Bbp-deflator: een maatstaf voor het prijsniveau, berekend als de verhouding tussen het nominaal
bbp en het reële bbp maal 100.
𝑁𝑜𝑚𝑖𝑛𝑎𝑙𝑒 𝑏𝑏𝑝
𝑟𝑒ë𝑙𝑒 𝑏𝑏𝑝
𝑥 100
Zie voorbeeld hierboven:
€600
De index voor t = 2017 is gelijk aan: €350 𝑥 100 171
• De 171 is dan de prijzenindex
• De prijzen liggen met een factor van 1,71 hoger dan in het basisjaar
• De 171 is een bbp-deflator
Opm: een index heeft nooit eenheden! De index van het basisjaar is steeds gelijk aan 100.
Bbp per hoofd: het bbp gedeeld door de bevolking; een maatstaf voor het nationale inkomen per
persoon.
Het bbp per hoofd is sterk gecorreleerd met maatstaven van gezondheid (zoals bv. de
levensverwachting), maar ook met de scholingsgraad.
Het bbp is een bruikbare maar geen volmaakte maat van de economische welvaart!
Het houdt geen rekening met vrije tijd, activiteiten buiten de markt (drugs), het milieu, de verdeling
van het inkomen …
Hoofdstuk 21
De kosten van het levensonderhoud berekenen
Consumentenprijzenindex (CPI): een maatstaf voor het prijsniveau, berekend op basis van de prijs
van een korf goederen en diensten die door een doorsneeconsument worden gekocht.
1) Bepaal wat in het mandje zit (aan de hand van bv. een gezinsbudgetenquête).
2) Meet de prijzen
3) Bereken de prijs van het mandje
4) Kies een basisjaar en bereken de index
𝒑𝒓𝒊𝒋𝒔 𝒗𝒂𝒏 𝒎𝒂𝒏𝒅𝒋𝒆 𝒊𝒏 𝒋𝒂𝒂𝒓 𝒕
𝑪𝑷𝑰 𝒕 = 𝒙 𝟏𝟎𝟎
𝒑𝒓𝒊𝒋𝒔 𝒗𝒂𝒏 𝒎𝒂𝒏𝒅𝒋𝒆 𝒊𝒏 𝒃𝒂𝒔𝒊𝒔𝒋𝒂𝒂𝒓
5) Bereken het inflatiepercentage: de procentuele verandering van de prijsindex in vergelijking met
de vorige periode.
𝑪𝑷𝑰 𝒕−𝑪𝑷𝑰 𝒕−𝟏
𝝅𝒕= 𝑪𝑷𝑰 𝒕−𝟏
𝒙 𝟏𝟎𝟎%
4
ECONOMIE
L. Hens
Samenvatting Macro-Economie, academiejaar 2017-2018
Maxime Deveen
,Samenvatting Macro-Economie
Te kennen voor het examen:
− Hoofdstuk 1
− Hoofdstuk 2
− Hoofdstuk 20
− Hoofdstuk 21
− Hoofdstuk 22
− Hoofdstuk 23
− Hoofdstuk 24
− Hoofdstuk 27
− Hoofdstuk 28
− Hoofdstuk 29
− Hoofdstuk 30
− Hoofdstuk 31
− Hoofdstuk 32
− Hoofdstuk 33
− Hoofdstuk 34
1
,Hoofdstuk 1 en 2
Micro-economie: de wetenschap die bestudeert hoe huishoudens en bedrijven besluiten nemen en
op welke manier zij elkaar beïnvloeden via de diverse markten.
Macro-economie: de wetenschap die de verschijnselen bestudeert die de economie in zijn geheel
betreffen, zoals inflatie, werkloosheid en economische groei.
Economische groei: de toename van de hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten in een
economie over een bepaalde tijdsperiode.
Endogene variabele: een variabele waarvan de waarde bepaald is binnen het model.
Exogene variabele: een variabele waarvan de waarde bepaald is buiten het model.
Positieve uitspraken: beweringen die pogen om de wereld te beschrijven zoals hij is.
Normatieve uitspraken: beweringen die pogen om voor te schrijven hoe de wereld zou moeten zijn.
Hoofdstuk 20
Bruto binnenlands product (bbp): de marktwaarde van alle eindproducten en -diensten die binnen
een vastgestelde periode in een land zijn geproduceerd.
Het bbp kan berekend worden aan de hand van volgende gelijkheid:
Y = C + I + G + NX (EX – IM)
Y = inkomen (bbp)
C = consumptie: de bestedingen van huishoudens aan goederen en diensten, met uitzondering van
de aankoop van een nieuwe woonvoorziening.
I = investeringen: uitgaven die worden gedaan aan kapitaalgoederen, voorraden en bouwwerken,
nieuwe woonvoorzieningen.
G = overheidsbestedingen: bestedingen die door lokale, regionale en nationale overheid worden
gedaan om goederen en diensten aan te kopen. Het bevat GEEN overdrachtsuitgaven (uitkeringen,
wettelijke pensioenen, subsidies …).
NX = netto uitvoer: uitvoer – invoer; wordt ook de handelsbalans genoemd.
Overdracht (transfer payment): een betaling waartegenover geen uitwisseling van een goed of dienst
staat.
Uitvoer: de aankopen door buitenlanders van in het binnenland geproduceerde goederen en
diensten.
Invoer: de aankopen door inwoners van een land van in het buitenland geproduceerde goederen en
diensten.
2
,3 manieren om het bbp te berekenen:
1. Productiebenadering
2. Inkomensbenadering
3. Bestedingsbenadering
1. Productiebenadering
Bij de productiebenadering bereken je het BBP door het optellen van alle toegevoegde waardes van
bedrijven.
TW = marktprijs van productie – kost van niet-factor-inputs.
2. Inkomensbenadering
Bij de inkomensbenadering bereken je het BBP met behulp van inkomens voor de productiefactoren.
Het BBP via de inkomensbenadering is de som van alle bruto-inkomsten in een land tijdens een
bepaalde periode.
3. Bestedingsbenadering
De bestedingsbenadering van het BBP is de som van alle bestedingen van alle goederen en diensten
die gereed zijn gemaakt in een land, in een bepaalde periode.
Y = C + I + G + NX (EX – IM)
Nominaal bbp: het bbp bekomen door de productie van goederen en diensten te vermenigvuldigen
met de marktprijs van deze goederen en diensten in het jaar van de productie. Ook het bbp tegen
lopende prijzen genoemd.
Voorbeeld:
Appels Aardappels
2016 €1/kg; 100 kg €2/kg; 50 kg
2017 €2/kg; 150 kg €3/kg; 100 kg
Nominaal bbp 2016 = (€1/kg x 100 kg) + (€2/kg x 50 kg) = €200
Nominaal bbp 2017 = (€2/kg x 150 kg) + (€3/kg x 100 kg) = €600
Reëel bbp: het bbp bekomen door de productie van goederen en diensten te vermenigvuldigen met
de marktprijs van deze goederen en diensten in een welbepaald basisjaar. Deze maatstaf corrigeert
het bbp voor de verandering van prijzen in de tijd. Ook het bbp tegen constante prijzen genoemd.
Zie voorbeeld hierboven:
Basisjaar = 2016
Reële bbp 2016 = (€1/kg x 100 kg) + (€2/kg x 50 kg) = €200 in prijzen van 2016
Reële bbp 2017 = (€1/kg x 150 kg) + (€2/kg x 100 kg) = €350 in prijzen van 2016
3
, Bbp-deflator: een maatstaf voor het prijsniveau, berekend als de verhouding tussen het nominaal
bbp en het reële bbp maal 100.
𝑁𝑜𝑚𝑖𝑛𝑎𝑙𝑒 𝑏𝑏𝑝
𝑟𝑒ë𝑙𝑒 𝑏𝑏𝑝
𝑥 100
Zie voorbeeld hierboven:
€600
De index voor t = 2017 is gelijk aan: €350 𝑥 100 171
• De 171 is dan de prijzenindex
• De prijzen liggen met een factor van 1,71 hoger dan in het basisjaar
• De 171 is een bbp-deflator
Opm: een index heeft nooit eenheden! De index van het basisjaar is steeds gelijk aan 100.
Bbp per hoofd: het bbp gedeeld door de bevolking; een maatstaf voor het nationale inkomen per
persoon.
Het bbp per hoofd is sterk gecorreleerd met maatstaven van gezondheid (zoals bv. de
levensverwachting), maar ook met de scholingsgraad.
Het bbp is een bruikbare maar geen volmaakte maat van de economische welvaart!
Het houdt geen rekening met vrije tijd, activiteiten buiten de markt (drugs), het milieu, de verdeling
van het inkomen …
Hoofdstuk 21
De kosten van het levensonderhoud berekenen
Consumentenprijzenindex (CPI): een maatstaf voor het prijsniveau, berekend op basis van de prijs
van een korf goederen en diensten die door een doorsneeconsument worden gekocht.
1) Bepaal wat in het mandje zit (aan de hand van bv. een gezinsbudgetenquête).
2) Meet de prijzen
3) Bereken de prijs van het mandje
4) Kies een basisjaar en bereken de index
𝒑𝒓𝒊𝒋𝒔 𝒗𝒂𝒏 𝒎𝒂𝒏𝒅𝒋𝒆 𝒊𝒏 𝒋𝒂𝒂𝒓 𝒕
𝑪𝑷𝑰 𝒕 = 𝒙 𝟏𝟎𝟎
𝒑𝒓𝒊𝒋𝒔 𝒗𝒂𝒏 𝒎𝒂𝒏𝒅𝒋𝒆 𝒊𝒏 𝒃𝒂𝒔𝒊𝒔𝒋𝒂𝒂𝒓
5) Bereken het inflatiepercentage: de procentuele verandering van de prijsindex in vergelijking met
de vorige periode.
𝑪𝑷𝑰 𝒕−𝑪𝑷𝑰 𝒕−𝟏
𝝅𝒕= 𝑪𝑷𝑰 𝒕−𝟏
𝒙 𝟏𝟎𝟎%
4