Voorbeeldvragen uit de lessen van 2018
Duid het juiste antwoord aan.
A) Bij verlies kan ik dividenden uitkeren.
B) Bij verlies kan ik geen dividend uitkeren.
C) Geen van bovenstaande.
Je kan ook dividenden uitkeren met overgedragen kapitaal uit vorige jaren.
Duid het juiste antwoord aan.
A) Bedrijfskapitaal vind ik op het actief
B) Bedrijfskapitaal vind ik op het passief
C) Bedrijfskapitaal vind ik op de resultatenrekening
D) Geen van bovenstaande
Bedrijfskapitaal is een berekening.
Als de afschrijvingen groter zijn dan de aflossing
A) Blijft het bedrijfskapitaal hetzelfde
B) Daalt het bedrijfskapitaal
C) Stijgt het bedrijfskapitaal
D) Geen van bovenstaande
C is het juiste antwoord. Vb. afschrijvingen bedragen €100. De aflossing bedraagt €90. EV +
VVLT (daalt met €90) = Permanent kapitaal (daalt met €90). Permanent kapitaal (daalt met
€90) - VA (daalt met €100) = bedrijfskapitaal (stijgt met €10 (-€90 -(- €100))). €2000
permanent kapitaal - €1000 vast actief = €1000 bedrijfskapitaal wordt → €1910 permanent
kapitaal - €1900 vast actief = €1010 bedrijfskapitaal. Bij hogere afschrijvingen dan
aflossingen stijgt dus het bedrijfskapitaal.
Waarom kunnen supermarkten het zich permitteren om hun vaste activa te financieren
op korte termijn?
Bij de supermarkt moet er contant betaald worden, bijgevolg moeten ze geen klanten
kredieten toestaan. Ze hebben een heel snelle voorraadrotatie. Ze hebben veel macht en
krijgen veel leverancierskrediet. Zij laten zich dus volledig financieren door leveranciers.
Wat leidt tot onderkapitalisatie?
Het interestbelastingsschild.
Alarmpeilen
Eigen vermogen / Balanstotaal: 15%
Bedrijfskapitaal: 10% balanstotaal
Cashflow: 6%
1
, Bij een rendabel bedrijf zal de solvabiliteit (EV/BT) afnemen als
A) De payout lager is dan 1.
B) De cashflow kleiner is dan de LT schulden die binnen het jaar vervallen
C) Het eigen vermogen trager groeit dan het balanstotaal
D) Geen van voorgestelde antwoorden is juist.
Uit A) en B) kan je niets afleiden over het balanstotaal
De behoefte aan bedrijfskapitaal neemt toe
A) Bij een kapitaalsverlaging
B) Bij een omzetting van korte termijnschuld naar langetermijnschuld
C) Als we leveranciers sneller betalen
D) Geen van bovenstaande antwoorden is juist
Bij een omzetting van kortetermijnschuld naar langetermijnschuld stijgt je permanent
vermogen, dus stijgt je stijgt, maar dit heeft geen invloed op je bedrijfskapitaalbehoefte.
Kapitaalverhoging of -verlaging heeft te maken met de grootte van het kapitaal en niet de
behoefte.
Door het interstbelastingsschild
A) Is het EV/BT groot
B) Verkiezen bedrijven EV-financiering
C) Zijn de financiële kosten vrij hoog
D) Geen van de antwoorden is juist
We zijn geneigd om te financieren met kredieten in plaats van vermogen. Het
interstbelanstingsschild leidt tot een onderkapitalisatie. Weinig eigen vermogen ten opzichte
van vreemd vermogen.
Nagevraagd aan de docent met volgend antwoord:
Dit slaat op het feit dat intrest van vreemd vermogen wel fiscaal aftrekbaar is en dividenden
op eigen vermogen niet. Dus, door het intrestbelastingschild kan het aandeel vreemd
vermogen stijgen en dus de (fiscaal aftrekbare) interestkosten die daarbij horen ook.
De kasstroom neemt toe
A) Bij versnelde afschrijvingen
B) Bij stijgende winst
C) Na grote investeringen
D) Geen enkel antwoord is juist
Bij versneld afschrijven daalt je winst want je hebt meer kosten. Je afschrijvingspolitiek heeft
een impact op je resultaat en niet op je cashflow. Bij een stijgende winst stijgt niet
noodzakelijk de kasstroom zoals bijvoorbeeld bij versnelde afschrijvingen. Grote
investeringen kunnen een impact hebben op de cashflow, maar dat is niet zeker.
2