Literatuurgeschiedenis
HAVO 5
Cursus 4, het lezen van gedichten........................................................................................................1
Samenhang door herhaling................................................................................................................2
Vormkenmerken................................................................................................................................4
Wie is er aan het woord?...................................................................................................................4
Cursus 7, literatuur, maker en maatschappij.........................................................................................5
Literaire auteur.................................................................................................................................5
Literaire achtergronden.....................................................................................................................6
Literaire prijzen..................................................................................................................................6
Maatschappelijk erkenning en status................................................................................................6
Cursus 12, jaren 70 tot heden................................................................................................................7
Historische achtergronden................................................................................................................7
Globalisering en ik-tijdperk................................................................................................................7
Literaire ontwikkeling........................................................................................................................8
Cursus 4, het lezen van gedichten
1. Presentatie
2. Samenhang door herhaling
3. Vormkenmerken
4. Wie is er aan het woord?
Presentatie
Presentatie: Je herkent een gedicht, omdat de tekst op een bijzondere manier op de bladzijde staat.
Een gedicht kan overal over gaan.
Wit van de pagina: Er is bij een gedicht veel wit rondom de tekst en tussen verschillende delen van
een gedicht.
Versregels: Gedicht, bestaat uit een aantal bij elkaar horende versregels. (Gedicht slapeloos heeft 11
versregels.
Strofe: Groepje bij elkaar horende versregels. (Gedicht slapeloos heeft 2 strofe)
Enjambement: Een versregel wordt (soms midden in een woord) afgebroken op een plaats waar
geen vanzelfsprekend einde van de versregel is, bijvoorbeeld omdat er geen leesteken is. (Bij gedicht
slapeloos 2e versregel na schuim).
, Samenhang door herhaling
Inhoudelijke herhaling: Als lezer probeer je samenhang tussen de versregels en strofen van een
gedicht te leggen. De samenhang ontdek je doordat verschillende situaties of bepaalde woorden
terugkeren.
Rijm: klankovereenkomst in niet ver van elkaar verwijderde beklemde lettergrepen. Hierdoor
ontstaat samenhang op klankniveau.
Rijm op basis van vorm:
Volrijm: De beklemtoonde klinker en de daaropvolgende medeklinker van de rijmende
woorden klinken hetzelfde bijv. raad-daad, klein-fijn etc.
Halfrijm:
Assonantie: beklemtoonde klinkers luiden gelijk, medeklinkers verschillenen
Bijv. kroezen – poezeligs etc.
Alliteratie: beginmedeklinkers van beklemtoonde woorden zijn gelijk.
Bijv. gaten – gleuven etc.
HAVO 5
Cursus 4, het lezen van gedichten........................................................................................................1
Samenhang door herhaling................................................................................................................2
Vormkenmerken................................................................................................................................4
Wie is er aan het woord?...................................................................................................................4
Cursus 7, literatuur, maker en maatschappij.........................................................................................5
Literaire auteur.................................................................................................................................5
Literaire achtergronden.....................................................................................................................6
Literaire prijzen..................................................................................................................................6
Maatschappelijk erkenning en status................................................................................................6
Cursus 12, jaren 70 tot heden................................................................................................................7
Historische achtergronden................................................................................................................7
Globalisering en ik-tijdperk................................................................................................................7
Literaire ontwikkeling........................................................................................................................8
Cursus 4, het lezen van gedichten
1. Presentatie
2. Samenhang door herhaling
3. Vormkenmerken
4. Wie is er aan het woord?
Presentatie
Presentatie: Je herkent een gedicht, omdat de tekst op een bijzondere manier op de bladzijde staat.
Een gedicht kan overal over gaan.
Wit van de pagina: Er is bij een gedicht veel wit rondom de tekst en tussen verschillende delen van
een gedicht.
Versregels: Gedicht, bestaat uit een aantal bij elkaar horende versregels. (Gedicht slapeloos heeft 11
versregels.
Strofe: Groepje bij elkaar horende versregels. (Gedicht slapeloos heeft 2 strofe)
Enjambement: Een versregel wordt (soms midden in een woord) afgebroken op een plaats waar
geen vanzelfsprekend einde van de versregel is, bijvoorbeeld omdat er geen leesteken is. (Bij gedicht
slapeloos 2e versregel na schuim).
, Samenhang door herhaling
Inhoudelijke herhaling: Als lezer probeer je samenhang tussen de versregels en strofen van een
gedicht te leggen. De samenhang ontdek je doordat verschillende situaties of bepaalde woorden
terugkeren.
Rijm: klankovereenkomst in niet ver van elkaar verwijderde beklemde lettergrepen. Hierdoor
ontstaat samenhang op klankniveau.
Rijm op basis van vorm:
Volrijm: De beklemtoonde klinker en de daaropvolgende medeklinker van de rijmende
woorden klinken hetzelfde bijv. raad-daad, klein-fijn etc.
Halfrijm:
Assonantie: beklemtoonde klinkers luiden gelijk, medeklinkers verschillenen
Bijv. kroezen – poezeligs etc.
Alliteratie: beginmedeklinkers van beklemtoonde woorden zijn gelijk.
Bijv. gaten – gleuven etc.