Watertransport
Secretie: het transport vanuit het interstitiele vocht naar de darmlumen toe
Absorptie: het transport van water vanuit het darmlumen naar het interstitieel vocht
= wordt bepaald door de osmotische gradient over de semipermeabele membranen die de
darmepitheelcellen aflijnen
Secretie
Influx: instroom
2 hoofdmechanismen:
1.Toename osmotische druk darmlumen ten gevolge van influx en vertering voedsel
2. de cryptecellen secreteren electrolyten
NA+/K+/2CL- : cotransporter in het basolaterale membraan (cryptecellen) . Transcellulaire secretie
van CL- ionen. In de cryptecellen komt cl- vanuit de interstitiele ruimte de cel binnen via hier. Cl-
wordt dan aan apicale zijde in het lumen gesecreteerd via cl-kanalen die gevoelig zijn voor de cyclus
AMP.
CFTR: ionkanaal van hierboven. Cystic fibrosis transmembrane conductance regulator. AMP
afhankelijk chloridekanaal.
Adenylcyclase: membraangebonden enzym die leidt tot de productie van cyclus AMP. Het cAMP
activeert de CFTR in de cryptecellen wat resulteert tot vrijlating cl- ionen van het cytoplasma naar het
lumen.
Absorptie
Natrium
Mechanismen:
Cotransportsysteem glucose, galactose en AZ
Natrium-kaliumpomp: basolaterale ruimte. voordurend transport. De osmolariteit stijgt in de
interstitiele ruimte wat aantrekking van water vanuit de darmlumen veroorzaakt
(transcellulair en tight junctions). Intracellulaire concentratie van Na+ blijft dus relatief laag.
Dit bevorderd de opname na+ in de epitheliale cel.
Opname Na+ apicale zijde 4 mechanismen
Difussie doorheen na+-kanalen via electrochemisch gradient
Cotransport met org substraten, in het bijzonder glucose en AZ
(Na+/K+ pomp = 3na uit 2K in cel *basolaterale ruimte* dus pas hierna)
Na+/cl- cotransport
Na+/H+ countertransport
, Chloor
3 manieren
Passief gedreven door het transmucosaal electrische potentiaalverschil, parracellulair
over tight junctions
NA+/CL- cotransport
HCO3-/cl- countertransport (meer wanneer na+ minder is)
Kalium
Passief dunne darm: absorptie water sleept k+ mee
Dikke darm:
1Passieve NA+/K+-ATPase: basolateraal, k+ wordt uit de cel gepompt (deel naar basolaterale ruimte
en deel apicale zijde gesecreteerd)
2Apicale secretie: passief= difussie en actief= K+ kanalen
= dit is aldosterongevoelig dus verhoogt absorptie na+ aan apicale zijde. Dit zorgt voor meer opname
K+
Digestie en absorptie controlemechanisme
Digestie: verteren
Absorptie: opnemen
zenuwnetwerken
Enterische of intrinsieke zenuwstelsel: eigen lokale zenuwstelsel van het maag darm kanaal.
Autonome zenuwstelsel
Myenterische plexus: tussen longitudale en circulaire spierlagen in de tunica muscularis, mobiliteit
verteringsstelsel
Submucosale plexus : in de submucosa, sensorische functie. Aanvoelen milieu darmlumen, GI-
bloedstroom en regelen celfuncties van het epitheel
3types neuronen in plexi
1. Sensorischde neuronen: ontvangen info in spieren en mucosa. Reageren op mechanische
thermische, osmotische of chemische prikkels (chemoreceptoren: gevoelig voor zuren,
glucosen, AZ),reageren op uitrekking en spanning
2. Motorneuronen: controleren mobiliteit en secreties en mogelijk ook absorptie. Bevatten
effectorcellen: glad spierweefsel, secretoire cellen, (hoofdcellen, parietale cellen, slijmcellen,
enterocyt,..) en GI endocriene cellen
3. Interneuronen: integreren info sensorische neuronen en geven door aan enterische
motorneuronen
Neurotransmitters
Acetylcholine: stimuleren de contracties glad spierweefsel, toename secreties, vrijzetten
hormonen, delatatie bloed