Filosofie
1. Griekse Oudheid
Parallel (8ste eeuw – 5de eeuw v.C.)
- Jesaja Profetie
- Lao Tse Taoïsme
- Conficius Confucianisme
- Boeddha Boeddhisme
- Herodotos Geschiedschrijving
Confucius (6de eeuw – 5de eeuw v.C.)
- Agnost = geen uitspraak over het bestaan van God. (meeste filosofen)
(Theïsme: geloven in een God/Goden
Atheïsme: niet geloven in een God)
- “Echte kennis is weten tot op welke hoogte je onwetend bent”
- Geen wijsgerig systeem, enkel regels
=> praktische leefregels (maximes)
=> regels om de maatschappij te doen werken
Leefregels – maximes:
“Wat je niet wilt dat anderen jou aandoen, doe dat ook een ander niet aan.”
- Vaak gezond verstand
- Een filosofisch systeem geeft een legitimering
=> Een ethiek geeft een verklaring voor maximes
Presocratische natuurfilosofen
Slecht fragmenten van hun filosofische teksten
- Zoeken naar een ‘eerste principe’ (geen goden)
Thales (6 de eeuw v.C.)
• Water
Anaximander (6 de eeuw v.C.)
• Apeiron = iets onbegrensd
= er is iets, maar we weten niet wat
• Leven ontstaat uit water
Anaximènes ( 6 de eeuw v.C.)
• Lucht verdicht en verdunt (ziel is een levende adem)
,Pythagoras (6 de eeuw v.C.)
• De werkelijkheid is een getal
- Getallen hebben eigenschappen
• Zielsverhuizing (metempsychose)
• Sektevorming
Xenophanes (6de – 5de eeuw v.C.)
• Pantheïsme: een onstoffelijke god is de eenheid
=> god zit in de werkelijkheid
• ‘persoonlijke goden’ zijn hersenspinsels
• ‘Je kan niet weten dat je de waarheid kent’
Parmenides (6 de – 5 de eeuw v.C.)
• Eerste ontologie: ‘het zijnde is, het niet-zijnde is niet’
=> de ware werkelijkheid is één en onveranderlijk
• Epistemologie: ‘Je kan de zintuigen niet vertrouwen
Zeno (5 de eeuw v.C.)
• De veronderstelling dat de wereld veranderlijk en deelbaar leidt tot paradoxen
Herakleitos (6 de – 5 de eeuw v.C)
• De wereld is aanhoudelijk in beweging
• ‘je kan onmogelijk twee keer in dezelfde rivier stappen’
• Alles ontstaat uit vuur
Empedokles (5 de eeuw v.C.)
• Elementenleer: aarde, water, vuur en lucht
• Elementen trekken elkaar aan en stoten elkaar af
Anaxagoras (5 de eeuw v.C.)
Pantheïsme, maar zegt niet dat het goddelijk is
• Er is een denkende stof (‘nous’) die structureert
• De wereld bestaat uit homoiomerieën
= kwalitatief verschillende stofjes die verder deelbaar zijn
Leucippos (5 de eeuw v.C.) & Democritos (5 de – 4 de eeuw v.C.)
• Alles heeft een oorzaak
• De wereld bestaat uit atomen
= ondeelbare deeltjes die verschillen in grootte
, Protagoras (5de eeuw v.C.)
- Sofist
- Dé waarheid is onkenbaar (zintuiglijkheid)
- Elke mening kan je verdedigen
- techniek van de antilogie
= om een stelling te verdedigen moet je je oefenen in het weerleggen van de
stelling
= oefenen in het verdedigen van het tegendeel
- Er is geen inhoud van kennis, er is slechts vorm
- De mens is de maat van alle dingen
- Het individu maakt een eigen wereld
=> het is wat je er zelf van maakt
Socrates (5de eeuw v.C.)
➢ Reageert op Protagoras
- Filosofie bekend door werken van Plato
- Iedereen kan tot dé waarheid komen door middel van een vraaggesprek
- Uiteindelijk: ‘ik weet dat ik niet weet’
- Reactie op de sofistische wijsbegeerte
Cynische filosofen
Cynisch – kynikos – honds
Antisthenes (5 de -4 de eeuw v.C.)
• Wie weet wat goed is, doet niets verkeerd
• Een mens moet vrij zijn van behoeften
Diogenes (4 de eeuw v.C.)
• Hou alles eenvoudig, streef naar soberheid
Plato = Aristocles (5de – 4de eeuw v.C.)
- De zintuiglijke werkelijkheid is een afspiegeling van de ware werkelijkheid
(de wereld van de Ideeën, de wereld van de perfecte vormen)
- ‘Schoonheid’ is een idee
- Wat we mooi vinden ‘participeert’ aan de Idee ‘Schoonheid’
- De klasse van de politici houden ons onwaarheden voor, maar zelf kennen ze de waarheid
niet
- Oprichting van een school – de ‘academie’
1. Griekse Oudheid
Parallel (8ste eeuw – 5de eeuw v.C.)
- Jesaja Profetie
- Lao Tse Taoïsme
- Conficius Confucianisme
- Boeddha Boeddhisme
- Herodotos Geschiedschrijving
Confucius (6de eeuw – 5de eeuw v.C.)
- Agnost = geen uitspraak over het bestaan van God. (meeste filosofen)
(Theïsme: geloven in een God/Goden
Atheïsme: niet geloven in een God)
- “Echte kennis is weten tot op welke hoogte je onwetend bent”
- Geen wijsgerig systeem, enkel regels
=> praktische leefregels (maximes)
=> regels om de maatschappij te doen werken
Leefregels – maximes:
“Wat je niet wilt dat anderen jou aandoen, doe dat ook een ander niet aan.”
- Vaak gezond verstand
- Een filosofisch systeem geeft een legitimering
=> Een ethiek geeft een verklaring voor maximes
Presocratische natuurfilosofen
Slecht fragmenten van hun filosofische teksten
- Zoeken naar een ‘eerste principe’ (geen goden)
Thales (6 de eeuw v.C.)
• Water
Anaximander (6 de eeuw v.C.)
• Apeiron = iets onbegrensd
= er is iets, maar we weten niet wat
• Leven ontstaat uit water
Anaximènes ( 6 de eeuw v.C.)
• Lucht verdicht en verdunt (ziel is een levende adem)
,Pythagoras (6 de eeuw v.C.)
• De werkelijkheid is een getal
- Getallen hebben eigenschappen
• Zielsverhuizing (metempsychose)
• Sektevorming
Xenophanes (6de – 5de eeuw v.C.)
• Pantheïsme: een onstoffelijke god is de eenheid
=> god zit in de werkelijkheid
• ‘persoonlijke goden’ zijn hersenspinsels
• ‘Je kan niet weten dat je de waarheid kent’
Parmenides (6 de – 5 de eeuw v.C.)
• Eerste ontologie: ‘het zijnde is, het niet-zijnde is niet’
=> de ware werkelijkheid is één en onveranderlijk
• Epistemologie: ‘Je kan de zintuigen niet vertrouwen
Zeno (5 de eeuw v.C.)
• De veronderstelling dat de wereld veranderlijk en deelbaar leidt tot paradoxen
Herakleitos (6 de – 5 de eeuw v.C)
• De wereld is aanhoudelijk in beweging
• ‘je kan onmogelijk twee keer in dezelfde rivier stappen’
• Alles ontstaat uit vuur
Empedokles (5 de eeuw v.C.)
• Elementenleer: aarde, water, vuur en lucht
• Elementen trekken elkaar aan en stoten elkaar af
Anaxagoras (5 de eeuw v.C.)
Pantheïsme, maar zegt niet dat het goddelijk is
• Er is een denkende stof (‘nous’) die structureert
• De wereld bestaat uit homoiomerieën
= kwalitatief verschillende stofjes die verder deelbaar zijn
Leucippos (5 de eeuw v.C.) & Democritos (5 de – 4 de eeuw v.C.)
• Alles heeft een oorzaak
• De wereld bestaat uit atomen
= ondeelbare deeltjes die verschillen in grootte
, Protagoras (5de eeuw v.C.)
- Sofist
- Dé waarheid is onkenbaar (zintuiglijkheid)
- Elke mening kan je verdedigen
- techniek van de antilogie
= om een stelling te verdedigen moet je je oefenen in het weerleggen van de
stelling
= oefenen in het verdedigen van het tegendeel
- Er is geen inhoud van kennis, er is slechts vorm
- De mens is de maat van alle dingen
- Het individu maakt een eigen wereld
=> het is wat je er zelf van maakt
Socrates (5de eeuw v.C.)
➢ Reageert op Protagoras
- Filosofie bekend door werken van Plato
- Iedereen kan tot dé waarheid komen door middel van een vraaggesprek
- Uiteindelijk: ‘ik weet dat ik niet weet’
- Reactie op de sofistische wijsbegeerte
Cynische filosofen
Cynisch – kynikos – honds
Antisthenes (5 de -4 de eeuw v.C.)
• Wie weet wat goed is, doet niets verkeerd
• Een mens moet vrij zijn van behoeften
Diogenes (4 de eeuw v.C.)
• Hou alles eenvoudig, streef naar soberheid
Plato = Aristocles (5de – 4de eeuw v.C.)
- De zintuiglijke werkelijkheid is een afspiegeling van de ware werkelijkheid
(de wereld van de Ideeën, de wereld van de perfecte vormen)
- ‘Schoonheid’ is een idee
- Wat we mooi vinden ‘participeert’ aan de Idee ‘Schoonheid’
- De klasse van de politici houden ons onwaarheden voor, maar zelf kennen ze de waarheid
niet
- Oprichting van een school – de ‘academie’