Hoofstuk 8.1 & 8.2 Gedrag in bedrijven
Organisational behaviour: (studie van) menselijk gedrag in organisaties.
Macht: vermogen om groepen of individuen te beïnvloeden.
Verschillende machtsbronnen:
1. Legitieme macht
2. Beloningsmacht
3. Sanctionele macht
4. Informationele macht
5. Referentiemacht
6. Deskundigheidsmacht
Eerste vier horen bij iemands hiërarchische positie en de andere twee worden bepaald door iemands
persoonskenmerken.
Legitieme macht: vorm van macht is gebaseerd op de formelere positie die je inneemt in een bedrijf.
Beloningsmacht: macht die een leidinggevende bezit omdat hij medewerkers extra kan belonen
(financieel en niet-financieel). Tegenovergestelde van sanctionele macht.
Sanctionele macht: macht waarbij je invloed kan aanwenden omdat je in de positie bent anderen op
de een of andere wijze te straffen. Tegenovergestelde van beloningsmacht.
Informationele macht: macht die je bezit op basis van de informatie die je uit hoofde van jouw
functie krijgt.
Referentiemacht: macht waarbij ondergeschikten tegen de leidinggevende opkijken omdat hij een
zekere aantrekkingskracht op hen uitoefent.
Deskundigheidsmacht: macht waarbij de invloed op anderen voortvloeit uit deskundigheid.
Groepsinertie: gegeven dat de groep iemand afremt in zijn veranderbereidheid.
Weerstand op organisatieniveau:
6 belangrijke bronnen van weerstand (Katz & Kahn, 1966):
1. Overdreven stabiliteit
2. Een te beperkte blik op verandering
3. Groepsinertie (individu wordt afgeremd door groep)
4. Bedreigde expertise
5. Bedreigde macht
6. Toewijzing van middelen
Weerstand op individueel niveau
6 belangrijke bronnen van weerstand (Zaltman en Duncan, 1977):
1. Gewoonte
2. Veiligheid
3. Economische factoren
4. Angst voor het onbekende
5. Gebrek aan bewustheid
6. Sociale factoren
Extra redenen:
1. Weerstand als gevolg van een negatief resultaat.
2. Weerstand als gevolg van angst voor meer werk.
3. Weerstand als gevolg van het vermoeden dat de verandering voor het individu slecht uitpakt.
Weerstandsvermindering
Kotter & Schlesinger, 1979:
1. Communicatie
2. Participatie en betrokkenheid
3. Faciliteiten en ondersteuning
4. Onderhandeling en instemming
Organisational behaviour: (studie van) menselijk gedrag in organisaties.
Macht: vermogen om groepen of individuen te beïnvloeden.
Verschillende machtsbronnen:
1. Legitieme macht
2. Beloningsmacht
3. Sanctionele macht
4. Informationele macht
5. Referentiemacht
6. Deskundigheidsmacht
Eerste vier horen bij iemands hiërarchische positie en de andere twee worden bepaald door iemands
persoonskenmerken.
Legitieme macht: vorm van macht is gebaseerd op de formelere positie die je inneemt in een bedrijf.
Beloningsmacht: macht die een leidinggevende bezit omdat hij medewerkers extra kan belonen
(financieel en niet-financieel). Tegenovergestelde van sanctionele macht.
Sanctionele macht: macht waarbij je invloed kan aanwenden omdat je in de positie bent anderen op
de een of andere wijze te straffen. Tegenovergestelde van beloningsmacht.
Informationele macht: macht die je bezit op basis van de informatie die je uit hoofde van jouw
functie krijgt.
Referentiemacht: macht waarbij ondergeschikten tegen de leidinggevende opkijken omdat hij een
zekere aantrekkingskracht op hen uitoefent.
Deskundigheidsmacht: macht waarbij de invloed op anderen voortvloeit uit deskundigheid.
Groepsinertie: gegeven dat de groep iemand afremt in zijn veranderbereidheid.
Weerstand op organisatieniveau:
6 belangrijke bronnen van weerstand (Katz & Kahn, 1966):
1. Overdreven stabiliteit
2. Een te beperkte blik op verandering
3. Groepsinertie (individu wordt afgeremd door groep)
4. Bedreigde expertise
5. Bedreigde macht
6. Toewijzing van middelen
Weerstand op individueel niveau
6 belangrijke bronnen van weerstand (Zaltman en Duncan, 1977):
1. Gewoonte
2. Veiligheid
3. Economische factoren
4. Angst voor het onbekende
5. Gebrek aan bewustheid
6. Sociale factoren
Extra redenen:
1. Weerstand als gevolg van een negatief resultaat.
2. Weerstand als gevolg van angst voor meer werk.
3. Weerstand als gevolg van het vermoeden dat de verandering voor het individu slecht uitpakt.
Weerstandsvermindering
Kotter & Schlesinger, 1979:
1. Communicatie
2. Participatie en betrokkenheid
3. Faciliteiten en ondersteuning
4. Onderhandeling en instemming