Taak 3
Wat is een depressie?
Hoogendijk, W., van den Broek, W., & van Schaik, A. Van. (2009). Unipolaire stemmingsstoornissen. In
Hengeveld, M.W. & van Balkom, A.J.L.M. (Red).
Depressieve stoornis
A. Er dienen, gedurende ten minste twee weken, ten minste vijf symptomen aanwezig te zijn van de volgende,
waaronder in elk geval 1 of 2.
1. Depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag, bij elke dag, subjectief of
geobserveerd door anderen.
2. Opvallend verlies van interesse of plezier in bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de
dag, bijna elke dag, subjectief of geobserveerd door anderen.
3. Duidelijk gewichtsverlies of gewichtstoename (zonder dieet) of bijna elke dag wisselende eetlust.
4. Bijna dagelijkse insomnie of hypersomnie.
5. Bijna dagelijkse psychomotore agitatie of remming (waarneembaar door anderen).
6. Bijna dagelijkse vermoeidheid of verlies van energie.
7. Bijna dagelijkse gevoelens van waardeloosheid of overmatige of inadequate schuldgevoelens.
8. Bijna dagelijks hetzij een verminderd vermogen om na te denken of zich te concentreren hetzij
besluiteloosheid.
9. Terugkerende gedachten aan de dood, aan suïcide of een poging.
B. Voldoet niet aan criteria van gemengde episode.
C. De symptomen veroorzaken in significante mate lijden dan wel beperkingen in het functioneren.
D. Er is geen organische oorzaak.
E. De stoornis is geen normale reactie op verlies van een geliefd persoon, geen ongecompliceerde rouwreactie.
Melancholische kenmerken
A. Een van de volgende symptomen komt voor tijdens de ernstige periode van de huidige episode:
1. Verlies van interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten.
2. Onvermogen om te reageren op gewoonlijk plezierige prikkels (voelt zich niet duidelijk beter, zelfs
niet gedurende een korte tijd, als er iets leuks gebeurt).
B. Drie (of meer) van de volgende symptomen:
1. Duidelijk andere kwaliteit van de depressieve stemming (dan deze wordt beleefd na het overlijden van
een dierbaar persoon).
2. De depressie is doorgaans ’s morgens het hevigst.
3. ’s Morgens vroegtijdig ontwaken (minstens twee uur vroeger).
4. Psychomotore remming of agitatie (duidelijk zichtbaar).
5. Duidelijke verminderde eetlust of gewichtsverlies.
6. Buitensporige of onterechte schuldgevoelens.
Atypische kenmerken
A. Reactiviteit van de stemming (dat wil zeggen: de stemming klaart op in een reactie op feitelijk of potentieel
positieve gebeurtenissen).
B. Twee (of meer) van de volgende symptomen:
1. Significante gewichtstoename of toegenomen eetlust.
2. Hypersomnie.
3. Dodelijke vermoeidheid ( bijvoorbeeld het gevoel dat de armen en benen loodzwaar zijn).
4. Langdurig aanwezig patroon van de overgevoeligheid voor intermenselijke afwijzing (niet beperkt tot
de episoden van de stemmingsstoornis), wat leidt tot significante sociale of beroepsmatige
beperkingen.
Dysthyme stoornis
Grotendeels dezelfde affectieve, somatische, cognitieve en conatieve symptomen als bij de depressieve stoornis,
maar minder in aantal. Sprake van dysthyme stoornis als de depressieve stemming lang duurt (>2 jaar) en als er
gedurende deze periode nooit sprake is geweest van een depressieve stoornis. = dus eigenlijk een langdurig
bestaande, lichte depressie
A. Chronische depressieve stemming die vaker wel dan niet aanwezig is en die ten minste 2 jaar aanhoudt (1
jaar bij kinderen en adolescenten)
B. De symptomen zij niet zo ernstig of invaliderend als bij een depressieve stoornis en hebben 2 of meer van
de volgende kenmerken:
1. Slechte eetlust of te veel eten.
2. Insomnia of hypersomnia
3. Weinig energie of vermoeidheid
4. Gering gevoel van eigenwaarde.
5. Slechte concentratie of moeilijkheden om tot een besluit te komen.
6. Gevoelens van hopeloosheid.
, Syndromen
Depressieve stoornis
- Affectieve symptomen: somberheid en verlies van interesse of plezier in dagelijkse bezigheden
(anhedonie).
o Voor de diagnose depressie moet ten minste 1 aanwezig zijn kernsymptomen.
o Anhedonie kan leiden tot verminderde levenslust. In het ergste geval verliest de patiënt zijn gevoel voor
zijn directe naasten (onthechting). De patiënt kan niet meer huilen en het leven verliest zijn betekenis.
o Stemmingsklachten kunnen in ernst schommelen over de dag, vaak ‘s morgens het slechtst.
- Somatische symptomen: moeheid, slaapstoornissen, eetlustvermindering, gewichtsverlies, obstipatie,
libidoverlies en amenorroe bij vrouwen.
o Verschillende slaapstoornissen: meest kenmerken is vroeg wakker worden + piekeren.
- Cognitieve symptomen: vooral op het gebied van concentratie, het geheugen, het oordeelsvermogen en de
vorm en inhoud van het denken.
o Preoccupatie met idee waardeloos te zijn / overwaardige en/of misplaatste schuldgevoelens,
besluiteloosheid, gedachten van uitzichtloosheid, hopeloosheid, hulpeloosheid en preoccupatie met de
dood dan wel zelfmoord.
o Pessimistische gedachten betreffen de gedachten over het heden, de toekomst en het verleden.
Heden: elke gebeurtenis zien van de negatieve kant, denkt dat hij in alles wat hij doet faalt en dat
andere mensen hem als een mislukking zien
Toekomst: verwacht het ergst, hij denkt te mislukken in zijn werk, denkt financiële problemen te
hebben, verwacht ongeluk qua gezin en gezondheid. Nauwelijks kunnen voorstellen dat er betere
tijden zullen komen.
Verleden: piekeren. Inadequate schuldgevoelens en zelfverwijten over in feite onbelangrijke
zaken. Vooral de nare gebeurtenissen, mislukkingen en tegenslagen herinneren.
o Psychotische depressie: bij een ernstige depressieve stemming kan de patiënt met zijn pessimistische
gedachten het contact kwijtraken met de realiteit stemmingscongruente depressieve wanen
(schuldwaan, zondewaan, armoedewaan en hypochondrische waan).
- Conatieve symptomen: verandering in psychomotoriek, motivatie en het gedrag.
o Komen vaker voor bij matige tot ernstige depressieve stoornissen.
o Remming van psychomotorische activiteiten vertraagde motoriek, verminderde mimiek, armoede
aan spontane bewegingen, ingezakte houding en terneergeslagen blik en vertraagde, vaak
monosyllabische antwoorden.
o Psychomotorische agitatie: rusteloosheid, ijsberen en handenwringen.
Kleine samenvatting
Nederland ontwikkeld 15.4% in het leven een depressie en 6.3% een dysthyme stoornis. Depressie staat op 1 van
de hoogste plekken van ‘slecht functioneren’. Vooral belangrijk om te kijken of er comorbide somatische
aandoeningen zijn. Veel symptomen kunnen overeen komen met sommige somatische ziekten, maar het kan ook
samen voorkomen. Daarbij moet ook gekeken worden naar verschillende soorten medicatie, ook daarin kan
overlap zitten met symptomen. Persoonlijkheidsstoornissen en angststoornissen kunnen ook lastig onderscheiden
worden met depressie, of ze komen samen voor. De depressieve symptomen moeten dus goed uitgevraagd
worden. Bij ouderen kan het onderscheid tussen depressie en dementie lastig zijn. Het kan op elke leeftijd
beginnen. Van de mensen herstelt 50% na 3 maanden, 20% houd het langdurig of levenslang. Van de patiënten
met depressie pleegt zo’n 10-15% zelfmoord.
Diagnostiek
Diagnose depressieve stoornis of dysthyme stoornis geheel gebaseerd op anamnese en het psychiatrisch
onderzoek. Matig ernstige/ernstige depressie slechte uiterlijke verzorging valt vaak bij eerste contact op. Bij
depressieve episode wordt adhv het ziektebeloop onderzocht welk type depressieve stoornis het is (eenmalig of
recidiverende depressieve stoornis).
- Depressieve stoornis met postpartumbegin klachten begonnen in het kraambed.
- Depressieve stoornis met seizoensgebonden patroon: verergering in de winter of de herfst
Eerst moet worden uitgesloten dat de klachten worden veroorzaakt door een somatische aandoening/ middel.
Daarna controleert men of de criteria voor een depressieve episode aanwezig zijn. Vervolgens kan de ernst van
de stoornis bepaald worden door te exploreren hoezeer de patiënt door de klachten beperkt is in het functioneren
en door het registreren van de hoeveelheid symptomen die aanwezig zijn boven het aantal dat nodig is voor de
diagnose. Beck Depression Inventory Lichte, matige of ernstige depressieve stoornis. Daarnaast specificatie
van melancholische of vitale kenmerken, van psychotische kenmerken of van atypische kenmerken. Bij
verbetering / genezing onderscheid tussen depressieve stoornis gedeeltelijk in remissie of volledig in remissie.
Differentiële diagnose
Criteria voor een stemmingsstoornis veroorzaakt door een somatische aandoening:
1. Depressieve stemming of een duidelijke verminderde interesse of plezier in bijna alle activiteit wat leidt tot
klinisch belangrijke beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of tot duidelijk lijden
Wat is een depressie?
Hoogendijk, W., van den Broek, W., & van Schaik, A. Van. (2009). Unipolaire stemmingsstoornissen. In
Hengeveld, M.W. & van Balkom, A.J.L.M. (Red).
Depressieve stoornis
A. Er dienen, gedurende ten minste twee weken, ten minste vijf symptomen aanwezig te zijn van de volgende,
waaronder in elk geval 1 of 2.
1. Depressieve stemming gedurende het grootste deel van de dag, bij elke dag, subjectief of
geobserveerd door anderen.
2. Opvallend verlies van interesse of plezier in bijna alle activiteiten gedurende het grootste deel van de
dag, bijna elke dag, subjectief of geobserveerd door anderen.
3. Duidelijk gewichtsverlies of gewichtstoename (zonder dieet) of bijna elke dag wisselende eetlust.
4. Bijna dagelijkse insomnie of hypersomnie.
5. Bijna dagelijkse psychomotore agitatie of remming (waarneembaar door anderen).
6. Bijna dagelijkse vermoeidheid of verlies van energie.
7. Bijna dagelijkse gevoelens van waardeloosheid of overmatige of inadequate schuldgevoelens.
8. Bijna dagelijks hetzij een verminderd vermogen om na te denken of zich te concentreren hetzij
besluiteloosheid.
9. Terugkerende gedachten aan de dood, aan suïcide of een poging.
B. Voldoet niet aan criteria van gemengde episode.
C. De symptomen veroorzaken in significante mate lijden dan wel beperkingen in het functioneren.
D. Er is geen organische oorzaak.
E. De stoornis is geen normale reactie op verlies van een geliefd persoon, geen ongecompliceerde rouwreactie.
Melancholische kenmerken
A. Een van de volgende symptomen komt voor tijdens de ernstige periode van de huidige episode:
1. Verlies van interesse of plezier in alle of bijna alle activiteiten.
2. Onvermogen om te reageren op gewoonlijk plezierige prikkels (voelt zich niet duidelijk beter, zelfs
niet gedurende een korte tijd, als er iets leuks gebeurt).
B. Drie (of meer) van de volgende symptomen:
1. Duidelijk andere kwaliteit van de depressieve stemming (dan deze wordt beleefd na het overlijden van
een dierbaar persoon).
2. De depressie is doorgaans ’s morgens het hevigst.
3. ’s Morgens vroegtijdig ontwaken (minstens twee uur vroeger).
4. Psychomotore remming of agitatie (duidelijk zichtbaar).
5. Duidelijke verminderde eetlust of gewichtsverlies.
6. Buitensporige of onterechte schuldgevoelens.
Atypische kenmerken
A. Reactiviteit van de stemming (dat wil zeggen: de stemming klaart op in een reactie op feitelijk of potentieel
positieve gebeurtenissen).
B. Twee (of meer) van de volgende symptomen:
1. Significante gewichtstoename of toegenomen eetlust.
2. Hypersomnie.
3. Dodelijke vermoeidheid ( bijvoorbeeld het gevoel dat de armen en benen loodzwaar zijn).
4. Langdurig aanwezig patroon van de overgevoeligheid voor intermenselijke afwijzing (niet beperkt tot
de episoden van de stemmingsstoornis), wat leidt tot significante sociale of beroepsmatige
beperkingen.
Dysthyme stoornis
Grotendeels dezelfde affectieve, somatische, cognitieve en conatieve symptomen als bij de depressieve stoornis,
maar minder in aantal. Sprake van dysthyme stoornis als de depressieve stemming lang duurt (>2 jaar) en als er
gedurende deze periode nooit sprake is geweest van een depressieve stoornis. = dus eigenlijk een langdurig
bestaande, lichte depressie
A. Chronische depressieve stemming die vaker wel dan niet aanwezig is en die ten minste 2 jaar aanhoudt (1
jaar bij kinderen en adolescenten)
B. De symptomen zij niet zo ernstig of invaliderend als bij een depressieve stoornis en hebben 2 of meer van
de volgende kenmerken:
1. Slechte eetlust of te veel eten.
2. Insomnia of hypersomnia
3. Weinig energie of vermoeidheid
4. Gering gevoel van eigenwaarde.
5. Slechte concentratie of moeilijkheden om tot een besluit te komen.
6. Gevoelens van hopeloosheid.
, Syndromen
Depressieve stoornis
- Affectieve symptomen: somberheid en verlies van interesse of plezier in dagelijkse bezigheden
(anhedonie).
o Voor de diagnose depressie moet ten minste 1 aanwezig zijn kernsymptomen.
o Anhedonie kan leiden tot verminderde levenslust. In het ergste geval verliest de patiënt zijn gevoel voor
zijn directe naasten (onthechting). De patiënt kan niet meer huilen en het leven verliest zijn betekenis.
o Stemmingsklachten kunnen in ernst schommelen over de dag, vaak ‘s morgens het slechtst.
- Somatische symptomen: moeheid, slaapstoornissen, eetlustvermindering, gewichtsverlies, obstipatie,
libidoverlies en amenorroe bij vrouwen.
o Verschillende slaapstoornissen: meest kenmerken is vroeg wakker worden + piekeren.
- Cognitieve symptomen: vooral op het gebied van concentratie, het geheugen, het oordeelsvermogen en de
vorm en inhoud van het denken.
o Preoccupatie met idee waardeloos te zijn / overwaardige en/of misplaatste schuldgevoelens,
besluiteloosheid, gedachten van uitzichtloosheid, hopeloosheid, hulpeloosheid en preoccupatie met de
dood dan wel zelfmoord.
o Pessimistische gedachten betreffen de gedachten over het heden, de toekomst en het verleden.
Heden: elke gebeurtenis zien van de negatieve kant, denkt dat hij in alles wat hij doet faalt en dat
andere mensen hem als een mislukking zien
Toekomst: verwacht het ergst, hij denkt te mislukken in zijn werk, denkt financiële problemen te
hebben, verwacht ongeluk qua gezin en gezondheid. Nauwelijks kunnen voorstellen dat er betere
tijden zullen komen.
Verleden: piekeren. Inadequate schuldgevoelens en zelfverwijten over in feite onbelangrijke
zaken. Vooral de nare gebeurtenissen, mislukkingen en tegenslagen herinneren.
o Psychotische depressie: bij een ernstige depressieve stemming kan de patiënt met zijn pessimistische
gedachten het contact kwijtraken met de realiteit stemmingscongruente depressieve wanen
(schuldwaan, zondewaan, armoedewaan en hypochondrische waan).
- Conatieve symptomen: verandering in psychomotoriek, motivatie en het gedrag.
o Komen vaker voor bij matige tot ernstige depressieve stoornissen.
o Remming van psychomotorische activiteiten vertraagde motoriek, verminderde mimiek, armoede
aan spontane bewegingen, ingezakte houding en terneergeslagen blik en vertraagde, vaak
monosyllabische antwoorden.
o Psychomotorische agitatie: rusteloosheid, ijsberen en handenwringen.
Kleine samenvatting
Nederland ontwikkeld 15.4% in het leven een depressie en 6.3% een dysthyme stoornis. Depressie staat op 1 van
de hoogste plekken van ‘slecht functioneren’. Vooral belangrijk om te kijken of er comorbide somatische
aandoeningen zijn. Veel symptomen kunnen overeen komen met sommige somatische ziekten, maar het kan ook
samen voorkomen. Daarbij moet ook gekeken worden naar verschillende soorten medicatie, ook daarin kan
overlap zitten met symptomen. Persoonlijkheidsstoornissen en angststoornissen kunnen ook lastig onderscheiden
worden met depressie, of ze komen samen voor. De depressieve symptomen moeten dus goed uitgevraagd
worden. Bij ouderen kan het onderscheid tussen depressie en dementie lastig zijn. Het kan op elke leeftijd
beginnen. Van de mensen herstelt 50% na 3 maanden, 20% houd het langdurig of levenslang. Van de patiënten
met depressie pleegt zo’n 10-15% zelfmoord.
Diagnostiek
Diagnose depressieve stoornis of dysthyme stoornis geheel gebaseerd op anamnese en het psychiatrisch
onderzoek. Matig ernstige/ernstige depressie slechte uiterlijke verzorging valt vaak bij eerste contact op. Bij
depressieve episode wordt adhv het ziektebeloop onderzocht welk type depressieve stoornis het is (eenmalig of
recidiverende depressieve stoornis).
- Depressieve stoornis met postpartumbegin klachten begonnen in het kraambed.
- Depressieve stoornis met seizoensgebonden patroon: verergering in de winter of de herfst
Eerst moet worden uitgesloten dat de klachten worden veroorzaakt door een somatische aandoening/ middel.
Daarna controleert men of de criteria voor een depressieve episode aanwezig zijn. Vervolgens kan de ernst van
de stoornis bepaald worden door te exploreren hoezeer de patiënt door de klachten beperkt is in het functioneren
en door het registreren van de hoeveelheid symptomen die aanwezig zijn boven het aantal dat nodig is voor de
diagnose. Beck Depression Inventory Lichte, matige of ernstige depressieve stoornis. Daarnaast specificatie
van melancholische of vitale kenmerken, van psychotische kenmerken of van atypische kenmerken. Bij
verbetering / genezing onderscheid tussen depressieve stoornis gedeeltelijk in remissie of volledig in remissie.
Differentiële diagnose
Criteria voor een stemmingsstoornis veroorzaakt door een somatische aandoening:
1. Depressieve stemming of een duidelijke verminderde interesse of plezier in bijna alle activiteit wat leidt tot
klinisch belangrijke beperkingen in het sociaal en beroepsmatig functioneren of tot duidelijk lijden