Anatomie leerdoelen 1.2
De student benoemt het type (sensorisch, motorisch of gemengd) en de functie van de twaalf
hersenzenuwen.
Nummer Naam Type Functie
I N. Olfactorius Sensorisch Reuk
II N. Opticus Sensorisch Zien
III N. Oculomotorius Motorisch Oogspieren
IV N. Trochlearis Motorisch Oogspieren
V N. Trigeminus Beide Gevoel in de mond
(S), Kauwspieren
(M)
VI N. Abducens Motorisch oogspieren
VII N. Facialis Beide Smaak (S),
Aangezichtsspieren
(M)
VIII N. Vestibulocochlearis Sensorisch Gehoor, evenwicht
IX N. Glossopharyngeus Beide Smaak (S), Slikken
(M)
X N. Vagus Motorisch Parasympatische
innervatie thorax
en buikorganen
XI N. Accessorius Motorisch Larynx, halsspieren
XII N. Hypoglossus Motorisch Tongspieren
De student legt in eigen woorden uit wat de belangrijkste afkortingen in de anatomieleer betekenen.
Afkorting Latijn Nederlands (en evt. uitleg)
a. Ateria Slagader > Brengt zuurstofrijk bloed rondt
door het lichaam (behalve de longslagader)
n. Nervus Zenuw > Geleidt signalen van en naar de
hersenen en lichaamsdelen
nn. Nervi Kleine zenuwtak
v. Vena Ader > Brengt zuurstofarm bloed van de
organen naar het hart (behalve de longader)
proc. Processus Uitsteeksel bot
, lig. Ligamentum Band die botten of stukken kraakbeen met
elkaar verbindt. Het dient als steun
m. Musculus Spier
r. Ramus Vertakking van bijv. een bloedvat of zenuw
rr. Rami Meerdere zenuwaftakkingen
De student benoemt de drie hoofdvertakkingen van de nervus trigeminus.
N. Ophthalsmicus (V1)
N. Maxillaris (V2)
N. Mandibularis (V3)
De student benoemt de belangrijkste aftakkingen van de nervus maxillaris.
De student legt in eigen
woorden uit wat de betekenis is
van de volgende Latijnse
benamingen:
Os > bot
Condylus > knobbel
Fissura > groef
Foramen > opening
Fossa > groef
Margo > rand
Meatus > gang
Processus > uitsteeksel bot
Protuberantia > bult
Spina > rug
Sutura > bindweefsel
Tuberculum > uitsteeksel
De student benoemt het type (sensorisch, motorisch of gemengd) en de functie van de twaalf
hersenzenuwen.
Nummer Naam Type Functie
I N. Olfactorius Sensorisch Reuk
II N. Opticus Sensorisch Zien
III N. Oculomotorius Motorisch Oogspieren
IV N. Trochlearis Motorisch Oogspieren
V N. Trigeminus Beide Gevoel in de mond
(S), Kauwspieren
(M)
VI N. Abducens Motorisch oogspieren
VII N. Facialis Beide Smaak (S),
Aangezichtsspieren
(M)
VIII N. Vestibulocochlearis Sensorisch Gehoor, evenwicht
IX N. Glossopharyngeus Beide Smaak (S), Slikken
(M)
X N. Vagus Motorisch Parasympatische
innervatie thorax
en buikorganen
XI N. Accessorius Motorisch Larynx, halsspieren
XII N. Hypoglossus Motorisch Tongspieren
De student legt in eigen woorden uit wat de belangrijkste afkortingen in de anatomieleer betekenen.
Afkorting Latijn Nederlands (en evt. uitleg)
a. Ateria Slagader > Brengt zuurstofrijk bloed rondt
door het lichaam (behalve de longslagader)
n. Nervus Zenuw > Geleidt signalen van en naar de
hersenen en lichaamsdelen
nn. Nervi Kleine zenuwtak
v. Vena Ader > Brengt zuurstofarm bloed van de
organen naar het hart (behalve de longader)
proc. Processus Uitsteeksel bot
, lig. Ligamentum Band die botten of stukken kraakbeen met
elkaar verbindt. Het dient als steun
m. Musculus Spier
r. Ramus Vertakking van bijv. een bloedvat of zenuw
rr. Rami Meerdere zenuwaftakkingen
De student benoemt de drie hoofdvertakkingen van de nervus trigeminus.
N. Ophthalsmicus (V1)
N. Maxillaris (V2)
N. Mandibularis (V3)
De student benoemt de belangrijkste aftakkingen van de nervus maxillaris.
De student legt in eigen
woorden uit wat de betekenis is
van de volgende Latijnse
benamingen:
Os > bot
Condylus > knobbel
Fissura > groef
Foramen > opening
Fossa > groef
Margo > rand
Meatus > gang
Processus > uitsteeksel bot
Protuberantia > bult
Spina > rug
Sutura > bindweefsel
Tuberculum > uitsteeksel