6.2 De geschiedenis van het begrip ‘ontwikkeling’.
Binnen de ontwikkelingspsychologie wordt ervan uitgegaan dat gedrag wordt gevormd door
gedragscomponenten die beïnvloed worden door aanleg, omgeving en interactie. Vroeger
werd de nadruk gelegd op min of meer vastliggende gedragskenmerken, die ook wel
karaktertrekken, typologie of mensbeelden werden genoemd. Bij vastliggende
gedragskenmerken spelen factoren als ontwikkelingsgang of leeftijd een ondergeschikte rol.
Grote waarde wordt gehecht aan de constitutie, de lichamelijke gesteldheid van een
persoon. Constitutie en gedrag zijn nauw met elkaar verbonden.
Ontwikkeling
De verschillende definities van ontwikkeling vinden hun oorsprong in de wijze waarop naar
de mens wordt gekeken. Een steeds terugkerende kwestie binnen de
ontwikkelingspsychologie is de vraag, welke factoren de sterkste invloed hebben op gedrag
en ontwikkeling. Zijn het aangeboren, biologische factoren of omgevings- en
ervaringsfactoren?
7.18 Vygotsky
De mens beïnvloedt zijn omgeving, terwijl de omgeving ook weer de mens beïnvloedt. De
cognitieve ontwikkeling wordt bepaald door de objectieve werkelijkheid. Het kind maakt zich
door deelname aan het sociale verkeer allerlei kennis eigen die door de historie heen
maatschappelijk is verworven. De ontwikkeling verloopt altijd van lagere naar hogere
processen. Vygotsky onderscheidt hierbij een natuurlijk geheugen en een hoger ontwikkeld
abstract geheugen dat symbolen en principes vasthoudt. Ontwikkeling is een dynamisch
proces, waarin een constante wisselwerking aanwezig is tussen rijping en leren. Een kind
bestaat niet alleen uit wat hij van nature heeft meegekregen.
2 ontwikkelingsniveaus:
De zone van actuele ontwikkeling: datgene wat een kind beheerst zonder hulp van
derden. Het punt waar het kind geheel zelfstandig aan de slag mee kan.
De zone van naaste ontwikkeling: datgene wat een kind beheerst met hulp van
derden. Het punt waar het echte leren en de echte ontwikkeling plaatsvindt.
In het gehele ontwikkelingsproces speelt taal een belangrijke rol.
7.2 Bandura
Ontwikkelde de sociaal-cognitieve leertheorie. Hij heeft een studie gemaakt van
leerprocessen die het gevolg zijn van sociale interactie. Er is tijdens het leren sprake van
interactie tussen: de omgeving (waarin het kind opgroeit), de persoonlijke factoren (het
vermogen om te kunnen leren door ervaring en door het observeren van het handelen van
anderen) en het gedrag van de lerende.
Kinderen leren volgens Bandura veel door gedrag te observeren. De anderen staan als het
ware model voor het gedrag van het kind. Dit proces heeft modelling. Het vormt mede de
persoonlijkheid. Volgens Bandura vertonen mensen voornamelijk bepaald gedrag omdat ze
geleerd hebben dat dit gedrag positieve opbrengsten oplevert. De persoon zelf hoeft niet
voor het gedrag beloont te worden, zolang de modelpersonen maar beloond worden.
Binnen de ontwikkelingspsychologie wordt ervan uitgegaan dat gedrag wordt gevormd door
gedragscomponenten die beïnvloed worden door aanleg, omgeving en interactie. Vroeger
werd de nadruk gelegd op min of meer vastliggende gedragskenmerken, die ook wel
karaktertrekken, typologie of mensbeelden werden genoemd. Bij vastliggende
gedragskenmerken spelen factoren als ontwikkelingsgang of leeftijd een ondergeschikte rol.
Grote waarde wordt gehecht aan de constitutie, de lichamelijke gesteldheid van een
persoon. Constitutie en gedrag zijn nauw met elkaar verbonden.
Ontwikkeling
De verschillende definities van ontwikkeling vinden hun oorsprong in de wijze waarop naar
de mens wordt gekeken. Een steeds terugkerende kwestie binnen de
ontwikkelingspsychologie is de vraag, welke factoren de sterkste invloed hebben op gedrag
en ontwikkeling. Zijn het aangeboren, biologische factoren of omgevings- en
ervaringsfactoren?
7.18 Vygotsky
De mens beïnvloedt zijn omgeving, terwijl de omgeving ook weer de mens beïnvloedt. De
cognitieve ontwikkeling wordt bepaald door de objectieve werkelijkheid. Het kind maakt zich
door deelname aan het sociale verkeer allerlei kennis eigen die door de historie heen
maatschappelijk is verworven. De ontwikkeling verloopt altijd van lagere naar hogere
processen. Vygotsky onderscheidt hierbij een natuurlijk geheugen en een hoger ontwikkeld
abstract geheugen dat symbolen en principes vasthoudt. Ontwikkeling is een dynamisch
proces, waarin een constante wisselwerking aanwezig is tussen rijping en leren. Een kind
bestaat niet alleen uit wat hij van nature heeft meegekregen.
2 ontwikkelingsniveaus:
De zone van actuele ontwikkeling: datgene wat een kind beheerst zonder hulp van
derden. Het punt waar het kind geheel zelfstandig aan de slag mee kan.
De zone van naaste ontwikkeling: datgene wat een kind beheerst met hulp van
derden. Het punt waar het echte leren en de echte ontwikkeling plaatsvindt.
In het gehele ontwikkelingsproces speelt taal een belangrijke rol.
7.2 Bandura
Ontwikkelde de sociaal-cognitieve leertheorie. Hij heeft een studie gemaakt van
leerprocessen die het gevolg zijn van sociale interactie. Er is tijdens het leren sprake van
interactie tussen: de omgeving (waarin het kind opgroeit), de persoonlijke factoren (het
vermogen om te kunnen leren door ervaring en door het observeren van het handelen van
anderen) en het gedrag van de lerende.
Kinderen leren volgens Bandura veel door gedrag te observeren. De anderen staan als het
ware model voor het gedrag van het kind. Dit proces heeft modelling. Het vormt mede de
persoonlijkheid. Volgens Bandura vertonen mensen voornamelijk bepaald gedrag omdat ze
geleerd hebben dat dit gedrag positieve opbrengsten oplevert. De persoon zelf hoeft niet
voor het gedrag beloont te worden, zolang de modelpersonen maar beloond worden.