Week 4
Bijzondere opsporingsbevoegdheden
Literatuur en jurisprudentie
Keulen/Knigge 2016
● Hoofdstuk 10: §10.1 (herhaling) en § 10.4)
Jurisprudentiebundel
● HR 21 november 2006, NJ 2007, 233 (Toetsing BOB-bevoegdheden)
● HR 1 juli 2014, NJ 2015, 114 (Stille SMS)
● HR 13 november 2012, NJ 2013, 413 (Veelplegersteam)
● HR 26 september 2000, NJ 200, 739 (Een goeie snuif coke)
● HR 28 oktober 2008, NJ 2009, 224 (Lokfiets)
Leeswijzer
Zoals vorige week al uiteengezet kent de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB-
bevoegdheden).Het gebruik van de BOB-bevoegdheden is streng genormeerd: naast de
voorwaarden dat er (in sommige gevallen) een machtiging van de rechter-commissaris en (in
alle gevallen) een bevel van de officier van justitie moet zijn om de bevoegdheden te
gebruiken, worden ook de gevallen waarin de bevoegdheden kunnen worden toegepast strikt
omschreven. Bovendien moet vaak nog aan allerlei andere (met name administratieve)
vereisten worden voldaan. Aan de wettelijke regeling van de opsporingsmethoden bij de Wet
BOB liggen drie redenen ten grondslag. De opsporingsmethoden zijn in de eerste plaats op
deze wijze bij wet geregeld omdat ze (veelal) een inbreuk maken op grondrechten van
burgers, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. We hebben
vorige week al gezien dat artikel 8 lid 2 EVRM eist dat dergelijke inbreuken een basis in het
recht moeten kennen die van een zekere kwaliteit is. De Wet BOB voorziet daarin. Dat
betekent overigens niet dat iedere (bijvoorbeeld) observatie een inbreuk op de privacy vormt
die moet voldoen aan de eisen van artikel 126g Sv; alleen als de observatie stelselmatig kan
worden genoemd, is sprake van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer die een dergelijke wettelijke basis vereist.
De tweede zelfstandige reden om de opsporingsmethoden bij wet te regelen is dat ze een
risico vormen voor de integriteit van het overheidsoptreden (bijvoorbeeld het gebruik van o.a.
criminele burgerinfiltranten en het onder regie van de politie op de markt brengen van drugs
(teneinde te kunnen vaststellen langs welke wegen deze uiteindelijk de straat bereiken). Een
laatste reden voor de wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is
gelegen in de wens om de officier van justitie nadrukkelijk als gezagsdrager van het
opsporingsonderzoek neer te zetten. De politie bleek in het verleden soms wel erg veel op
eigen houtje te opereren. Door in de Wet BOB nadrukkelijk te regelen dat de officier van
justitie toestemming moet geven voor het gebruik van deze opsporingsbevoegdheden is diens
gezagspositie versterkt.
Trefwoorden
● Bijzondere opsporingsbevoegdheden
● Observatie en infiltratie
● Pseudokoop en pseudodienstverlening
● Direct afluisteren en telefoontap
1
, Zelfstudievragen
1. Wat is het verschil tussen een observant, een informant en een infiltrant?
2. Wat is het verschil tussen stelselmatige en niet-stelselmatige observatie? Waarom is dit
verschil relevant?
3. Wat is het verschil tussen pseudokoop en pseudodienstverlening?
4. Wat is het verschil tussen direct afluisteren en een telefoontap?
5. Wat houdt het instigatieverbod in?
Werkgroepopdrachten
Opdracht: Casus Ida en Harry in de illegale handel
Bij de politie in Utrecht komt de anonieme tip binnen dat een echtpaar van in de zestig zich
bezighoudt met het verkopen van cocaïne en andere drugs. Het echtpaar – Ida en Harry –
heeft (onder hun woning) een noodlijdende snackbar aan de Tuinstraat te Utrecht. Het is een
groot deel van de dag druk rondom deze snackbar. Mensen parkeren in het wilde weg, gaan
naar binnen en komen binnen enkele minuten weer naar buiten zonder zichtbare aankopen.
Buurtbewoners hebben hier veel last van. De anonieme tipgever denkt dat Ida en Harry
drugsdealers zijn. Zij zijn onlangs gesignaleerd in een nieuwe, grote Volvo, terwijl iedereen
weet dat de snackbar nauwelijks opbrengsten genereert.
De politie controleert deze tip voor zover dat kan. Ida en Harry blijken inderdaad in het
bewuste pand te wonen en een snackbar te exploiteren; de opbrengsten van die snackbar
stellen, volgens de belastingdienst, niet veel voor. De wijkagent meldt desgevraagd aan
opsporingsambtenaren Alberts en Brink, die op deze zaak zijn gezet, dat hij bij zijn rondes
door de wijk geregeld ziet dat mensen bij de woning van Ida en Harry aanbellen of buiten
staan. Hij heeft ook wel eens een grote Volvo voor de deur zien staan.
Alberts en Brink willen een nader onderzoek naar het echtpaar instellen. Ze bellen de officier
van justitie en vertellen dat ze willen gaan observeren. De officier deelt hen mondeling mee
dat ze maar naar bevind van zaken moeten handelen en dat ze het wel hoort zodra de
observaties wat hebben opgeleverd. Ze heeft het erg druk met andere zaken en moet weer snel
verder.
Een week na het telefonische onderhoud met de officier van justitie beginnen Alberts en Brink
met de observatie. Zij posten vanuit een auto gedurende twee weken voor de snackbar, steeds
gedurende vier uur per dag. Bovendien bevestigen zij een camera aan een lantaarnpaal
tegenover de snackbar van Ida en Harry. De camera is rechtstreeks gericht op het grote raam
van de snackbar, zodat de ambtenaren zicht krijgen op wat daar gedurende de dag- en
avonduren gebeurt. Uit het posten en de camerabeelden blijkt dat Ida en Harry veel mensen
op bezoek krijgen die kort blijven. In de snackbar blijven mensen vaak staan en gaan er
dingen van hand tot hand; het is duidelijk dat het hier geen kroketten betreft.
De politie legt de resultaten van de observatie vast in enkele processen-verbaal van
bevindingen.
Vraag 1
Beoordeel de rechtmatigheid van het politieoptreden.
Albert en Brink gaan het echtpaar observeren. Is het stelselmatige of gewone observatie? Bij
gewone observatie is art. 3 Politiewet jo. 141/142 Sv een voldoende grondslag. Stelselmatige
observatie heeft andere grondslag nodig. Gewone observatie is een beperkte inbreuk en
stelselmatige observatie maakt een meer dan beperkte inbreuk.
2
Bijzondere opsporingsbevoegdheden
Literatuur en jurisprudentie
Keulen/Knigge 2016
● Hoofdstuk 10: §10.1 (herhaling) en § 10.4)
Jurisprudentiebundel
● HR 21 november 2006, NJ 2007, 233 (Toetsing BOB-bevoegdheden)
● HR 1 juli 2014, NJ 2015, 114 (Stille SMS)
● HR 13 november 2012, NJ 2013, 413 (Veelplegersteam)
● HR 26 september 2000, NJ 200, 739 (Een goeie snuif coke)
● HR 28 oktober 2008, NJ 2009, 224 (Lokfiets)
Leeswijzer
Zoals vorige week al uiteengezet kent de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB-
bevoegdheden).Het gebruik van de BOB-bevoegdheden is streng genormeerd: naast de
voorwaarden dat er (in sommige gevallen) een machtiging van de rechter-commissaris en (in
alle gevallen) een bevel van de officier van justitie moet zijn om de bevoegdheden te
gebruiken, worden ook de gevallen waarin de bevoegdheden kunnen worden toegepast strikt
omschreven. Bovendien moet vaak nog aan allerlei andere (met name administratieve)
vereisten worden voldaan. Aan de wettelijke regeling van de opsporingsmethoden bij de Wet
BOB liggen drie redenen ten grondslag. De opsporingsmethoden zijn in de eerste plaats op
deze wijze bij wet geregeld omdat ze (veelal) een inbreuk maken op grondrechten van
burgers, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. We hebben
vorige week al gezien dat artikel 8 lid 2 EVRM eist dat dergelijke inbreuken een basis in het
recht moeten kennen die van een zekere kwaliteit is. De Wet BOB voorziet daarin. Dat
betekent overigens niet dat iedere (bijvoorbeeld) observatie een inbreuk op de privacy vormt
die moet voldoen aan de eisen van artikel 126g Sv; alleen als de observatie stelselmatig kan
worden genoemd, is sprake van een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer die een dergelijke wettelijke basis vereist.
De tweede zelfstandige reden om de opsporingsmethoden bij wet te regelen is dat ze een
risico vormen voor de integriteit van het overheidsoptreden (bijvoorbeeld het gebruik van o.a.
criminele burgerinfiltranten en het onder regie van de politie op de markt brengen van drugs
(teneinde te kunnen vaststellen langs welke wegen deze uiteindelijk de straat bereiken). Een
laatste reden voor de wettelijke regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden is
gelegen in de wens om de officier van justitie nadrukkelijk als gezagsdrager van het
opsporingsonderzoek neer te zetten. De politie bleek in het verleden soms wel erg veel op
eigen houtje te opereren. Door in de Wet BOB nadrukkelijk te regelen dat de officier van
justitie toestemming moet geven voor het gebruik van deze opsporingsbevoegdheden is diens
gezagspositie versterkt.
Trefwoorden
● Bijzondere opsporingsbevoegdheden
● Observatie en infiltratie
● Pseudokoop en pseudodienstverlening
● Direct afluisteren en telefoontap
1
, Zelfstudievragen
1. Wat is het verschil tussen een observant, een informant en een infiltrant?
2. Wat is het verschil tussen stelselmatige en niet-stelselmatige observatie? Waarom is dit
verschil relevant?
3. Wat is het verschil tussen pseudokoop en pseudodienstverlening?
4. Wat is het verschil tussen direct afluisteren en een telefoontap?
5. Wat houdt het instigatieverbod in?
Werkgroepopdrachten
Opdracht: Casus Ida en Harry in de illegale handel
Bij de politie in Utrecht komt de anonieme tip binnen dat een echtpaar van in de zestig zich
bezighoudt met het verkopen van cocaïne en andere drugs. Het echtpaar – Ida en Harry –
heeft (onder hun woning) een noodlijdende snackbar aan de Tuinstraat te Utrecht. Het is een
groot deel van de dag druk rondom deze snackbar. Mensen parkeren in het wilde weg, gaan
naar binnen en komen binnen enkele minuten weer naar buiten zonder zichtbare aankopen.
Buurtbewoners hebben hier veel last van. De anonieme tipgever denkt dat Ida en Harry
drugsdealers zijn. Zij zijn onlangs gesignaleerd in een nieuwe, grote Volvo, terwijl iedereen
weet dat de snackbar nauwelijks opbrengsten genereert.
De politie controleert deze tip voor zover dat kan. Ida en Harry blijken inderdaad in het
bewuste pand te wonen en een snackbar te exploiteren; de opbrengsten van die snackbar
stellen, volgens de belastingdienst, niet veel voor. De wijkagent meldt desgevraagd aan
opsporingsambtenaren Alberts en Brink, die op deze zaak zijn gezet, dat hij bij zijn rondes
door de wijk geregeld ziet dat mensen bij de woning van Ida en Harry aanbellen of buiten
staan. Hij heeft ook wel eens een grote Volvo voor de deur zien staan.
Alberts en Brink willen een nader onderzoek naar het echtpaar instellen. Ze bellen de officier
van justitie en vertellen dat ze willen gaan observeren. De officier deelt hen mondeling mee
dat ze maar naar bevind van zaken moeten handelen en dat ze het wel hoort zodra de
observaties wat hebben opgeleverd. Ze heeft het erg druk met andere zaken en moet weer snel
verder.
Een week na het telefonische onderhoud met de officier van justitie beginnen Alberts en Brink
met de observatie. Zij posten vanuit een auto gedurende twee weken voor de snackbar, steeds
gedurende vier uur per dag. Bovendien bevestigen zij een camera aan een lantaarnpaal
tegenover de snackbar van Ida en Harry. De camera is rechtstreeks gericht op het grote raam
van de snackbar, zodat de ambtenaren zicht krijgen op wat daar gedurende de dag- en
avonduren gebeurt. Uit het posten en de camerabeelden blijkt dat Ida en Harry veel mensen
op bezoek krijgen die kort blijven. In de snackbar blijven mensen vaak staan en gaan er
dingen van hand tot hand; het is duidelijk dat het hier geen kroketten betreft.
De politie legt de resultaten van de observatie vast in enkele processen-verbaal van
bevindingen.
Vraag 1
Beoordeel de rechtmatigheid van het politieoptreden.
Albert en Brink gaan het echtpaar observeren. Is het stelselmatige of gewone observatie? Bij
gewone observatie is art. 3 Politiewet jo. 141/142 Sv een voldoende grondslag. Stelselmatige
observatie heeft andere grondslag nodig. Gewone observatie is een beperkte inbreuk en
stelselmatige observatie maakt een meer dan beperkte inbreuk.
2