(Epidemiologie en volksgezondheid)
2022-2023
,1) Vraag 1: In het incidentiejaar 2004 werden in de provincie Antwerpen 256 nieuwe
gevallen van longkanker vastgesteld bij vrouwen en 852 nieuwe gevallen van
longkanker bij mannen.
Met welke uitspraak bent u het eens?
1. Op basis van deze gegevens blijkt dat de incidentie van longkanker in 2004 in de provincie Antwerpen
bij mannen 3.33 x groter was dan bij vrouwen
2. Uit deze gegevens kan men afleiden dat het risico op longkanker in 2004 in de provincie Antwerpen
groter was bij mannen dan bij vrouwen
3. Op basis van deze gegevens blijkt dat de prevalentie van longkanker in 2004 in de provincie
Antwerpen bij mannen 3.33 x groter was dan bij vrouwen
4. Op basis van deze gegevens kan geen enkele uitspraak gedaan worden in verband met het verschil in
risico tussen mannen en vrouwen
A. 1
B. 2
C. 3
D. 1 & 2
E. 3 & 2
F. 4
Vraag student: Je mag toch geen conclusies sluiten omdat het aantal mannen en vrouwen in de
totale populatie niet gegeven is? Daarom dacht ik dat antwoord 3 juist was samen met 4. Ik begrijp
niet waarom 2 juist is en 3 en 4 fout.
ANTWOORD PROF: Er staat ook niet echt ‘concluderen’, maar afleiden. Dat doe je dan door de
‘algemene kennis’ die je hebt over ‘de provincie Antwerpen’ te combineren met de gegevens van het
register. Die algemene kennis leert jou dat er ongeveer evenveel mannen als vrouwen zijn in de provincie,
weliswaar is dat in de oudste leeftijdscategorieën niet het geval, maar dan zijn er meer vrouwen dan
mannen (en niet omgekeerd). Frequentiematen berekenen kan je wel niet…
, 2) Vraag 2: In onderstaande tabel wordt voor 2004 weergegeven hoeveel nieuwe gevallen
van longkanker er voorkwamen bij mannen woonachtig in de provincie Antwerpen
voor de leeftijdscategorieën 60-64 en 65-69 jaar. In de derde kolom wordt het aantal
mannelijke inwoners weergegeven op 1 juli 2004 in de provincie Antwerpen woonachtig.
Leeftijdsgroep Aantal gevallen van longkanker Aantal mannen
60-64 102 40.749
65-69 157 40.135
Met welke uitspraak bent u het eens?
1. De cumulatieve incidentie voor de periode 60-69 jaar bedraagt 259/40.749
2. De incidentiedichtheid bij de 65-69 jarigen wordt uitgerekend als 391/105 personenjaren-1 (=
157/40.135 personenjaren - 1)
3. In de veronderstelling dat er geen competitieve risico’s zijn en dat de risico’s de volgende jaren
constant blijven kan de cumulatieve incidentie voor de periode 60-69 jaar geschat worden op 3,2%
4. In de veronderstelling dat er geen competitieve risico’s zijn en dat de risico’s de volgende jaren
constant blijven kan de cumulatieve incidentie voor de periode 60-69 jaar geschat worden op 0,6%
5. De prevalentie van longkanker bedraagt voor de 60-64 jarigen 102/40.749
A. 1 & 5
B. 2 & 3
C. 2 & 4
D. 1
E. 5
F. Ik ben het met geen enkele uitspraak eens
102+157
Vraag student: Hoe aan 3,2% komen? =0,0032=0,32 % ?
40 749+40 135