Oefenvragen hoofdstuk 2
Leg uit waarom een kleine cel een meer effi ciënte uitwisseling heeft met zijn omgeving
dan een grotere cel? (p10)
Hoe kleiner de straal hoe groter de verhouding S/V oppervlakte/volume meer efficiënte
uitwisseling
Tot welke type cel behoren bacteriën?(p10)
Prokaryotische cellen geen celkern
Welke 3 basisvormen kan men bij bacteriën onderscheiden? (p10)
Bolvormige: kokken
Staaf/cilindervormige: bacillen
Spiraalvormige: spirillen, vibrionen, spirocheten
In welke verschillende groepen kan men kokvormige bacteriën verder indelen op basis
van hun samenlevingsverband en leg dit samenlevingsverband telkens uit? (p11)
Monokokken: bolvormige bacteriën liggen steeds alleen
Diplokokken: per 2
Streptokokken: vormen ketens deling in lijn
Tetraden: komen per 4 voor celdeling in 2 vlakken
Stafylokokken: druiventrosvorm deling in 1 vlak
Sarcina: kubusachtig uitzicht + komen per 8 voor deelt in 3 vlakken
In welke 4 verschillende associati es kan men staafvormige bacteriën verder indelen?
(p12)
Bacillen, diplobacillen, streptobacillen, palissade-achtige groepjes
Waar vindt de oxidati eve fosforylati e plaats? (p14)
In het cytoplasmamembraan
Geef 3 belangrijke functi es van het plasmamembraan bij bacteriën.(p14)
1. Elektronen transport en oxidatieve fosforylatie cytoplasma = functioneel een mitochondrie
2. Afscheiden van hydrolytische exo-enzymen die extracellulair polymeren afbreken
3. Drager van receptoren voor chemotactisme (aantrekken en afstoten) + soms gecombineerd met
transportmoleculen
Wat is het grote verschil tussen een eukaryote cel en een prokaryote cel?(p15)
Prokaryoot geen cytoskelet eukaryoot cytoskelet
Prokaryotische cellen: geen celkern: bacteriën
Eukaryotische cellen: wel een celkern: planten, dieren, fungi (schimmels en gisten), protozoën
, Wat is een ‘supercoil’? (p15)
Enorme kluwen die het DNA vormen als het zeer lang is.
Wat is een plasmide? (p15)
Kleine DNA moleculen : extra chromosale genetische elementen vertonen autonome replicatie, 5
tot 100 genen
Wat zijn voluti nekorrels? Functi e? (p16)
Bestaan uit lange ketens polyfosfaat + vormen fosfaatreserve celdeling toelaten als fosfaat afwezig
is. + kunnen bepaalde veranderingen bij kleurstoffen veroorzaken
Leg uit: ‘De bacteriële endospore is een overlevingsstructuur ’ (p18)
Ze zijn zowel morfologisch als fysiologisch uitgerust om aan allerhande extreme
milieuomstandigheden te kunnen weerstaan door aan sporulatie te doen
Wat is ‘anabiose’? (p18)
Wanneer een spore in rust toestand is en geen enele metabole activiteit vertoont
Vul de fi guur aan (p19)
Mantel
Buitenste membraan
core Cortex
sporewand
Binnenste membraan
Geef de 3 stadia van de germinati e van een endospore: telkens in één zin: (p19)
1 : activatie sporen mantel moet beschadigd worden door bv hitte, wrijving, zuur, reducerend
middel
2: initiatie na signaal uit omgeving autolyse van cortex + opname water en hydrolyse van aantal
sporenbestanddelen
3: uitgroei sporen protoplast (core) groeit uit tot vegetatieve cel zal delen en vermenigvuldigen
Vul de legende van onderstaande fi guur aan: (p21)
N-acetylglucosamine (NAG)
Leg uit waarom een kleine cel een meer effi ciënte uitwisseling heeft met zijn omgeving
dan een grotere cel? (p10)
Hoe kleiner de straal hoe groter de verhouding S/V oppervlakte/volume meer efficiënte
uitwisseling
Tot welke type cel behoren bacteriën?(p10)
Prokaryotische cellen geen celkern
Welke 3 basisvormen kan men bij bacteriën onderscheiden? (p10)
Bolvormige: kokken
Staaf/cilindervormige: bacillen
Spiraalvormige: spirillen, vibrionen, spirocheten
In welke verschillende groepen kan men kokvormige bacteriën verder indelen op basis
van hun samenlevingsverband en leg dit samenlevingsverband telkens uit? (p11)
Monokokken: bolvormige bacteriën liggen steeds alleen
Diplokokken: per 2
Streptokokken: vormen ketens deling in lijn
Tetraden: komen per 4 voor celdeling in 2 vlakken
Stafylokokken: druiventrosvorm deling in 1 vlak
Sarcina: kubusachtig uitzicht + komen per 8 voor deelt in 3 vlakken
In welke 4 verschillende associati es kan men staafvormige bacteriën verder indelen?
(p12)
Bacillen, diplobacillen, streptobacillen, palissade-achtige groepjes
Waar vindt de oxidati eve fosforylati e plaats? (p14)
In het cytoplasmamembraan
Geef 3 belangrijke functi es van het plasmamembraan bij bacteriën.(p14)
1. Elektronen transport en oxidatieve fosforylatie cytoplasma = functioneel een mitochondrie
2. Afscheiden van hydrolytische exo-enzymen die extracellulair polymeren afbreken
3. Drager van receptoren voor chemotactisme (aantrekken en afstoten) + soms gecombineerd met
transportmoleculen
Wat is het grote verschil tussen een eukaryote cel en een prokaryote cel?(p15)
Prokaryoot geen cytoskelet eukaryoot cytoskelet
Prokaryotische cellen: geen celkern: bacteriën
Eukaryotische cellen: wel een celkern: planten, dieren, fungi (schimmels en gisten), protozoën
, Wat is een ‘supercoil’? (p15)
Enorme kluwen die het DNA vormen als het zeer lang is.
Wat is een plasmide? (p15)
Kleine DNA moleculen : extra chromosale genetische elementen vertonen autonome replicatie, 5
tot 100 genen
Wat zijn voluti nekorrels? Functi e? (p16)
Bestaan uit lange ketens polyfosfaat + vormen fosfaatreserve celdeling toelaten als fosfaat afwezig
is. + kunnen bepaalde veranderingen bij kleurstoffen veroorzaken
Leg uit: ‘De bacteriële endospore is een overlevingsstructuur ’ (p18)
Ze zijn zowel morfologisch als fysiologisch uitgerust om aan allerhande extreme
milieuomstandigheden te kunnen weerstaan door aan sporulatie te doen
Wat is ‘anabiose’? (p18)
Wanneer een spore in rust toestand is en geen enele metabole activiteit vertoont
Vul de fi guur aan (p19)
Mantel
Buitenste membraan
core Cortex
sporewand
Binnenste membraan
Geef de 3 stadia van de germinati e van een endospore: telkens in één zin: (p19)
1 : activatie sporen mantel moet beschadigd worden door bv hitte, wrijving, zuur, reducerend
middel
2: initiatie na signaal uit omgeving autolyse van cortex + opname water en hydrolyse van aantal
sporenbestanddelen
3: uitgroei sporen protoplast (core) groeit uit tot vegetatieve cel zal delen en vermenigvuldigen
Vul de legende van onderstaande fi guur aan: (p21)
N-acetylglucosamine (NAG)