Samenvatting voedingsleer
Voedingsberekeningsmiddelen:
Eetdagboek:
De cliënt noteert gedurende één of meerdere dagen alles wat hij eet of drinkt. Hoe laat, met wie, waar en hoe
de gemoedstoestand is kan gevraagd worden. Bij een regelmatig eetpatroon kan twee doordeweekse en twee
weekenddagen volstaan. Bij iemand die onregelmatig werkt kan langer nodig zijn. Belangrijk is de
nauwkeurigheid, alles maar dan ook alles moet genoteerd worden. Benadruk het direct invullen voor een
volledig beeld.
Voordelen:
- Relatief eenvoudig voor zowel de consulent als de cliënt
- Geschikte methodiek voor informatie over langere tijd
- Invultijd valt buiten spreekuur
Nadelen:
- Bij onduidelijke uitleg kan het niet als betrouwbaar gezien worden
- Kans op sociaal-wenselijk invullen
- Cliënt kan minder nemen dan normaal aangezien het genoteerd wordt
- Kans op fouten wanneer invullen bewaard wordt tot eind dag
- Kan zijn dat opdracht niet begrepen wordt > bijv. invullen van verkeerd product of verkeerde maten
Dietary history:
Een checklist die toegepast wordt om de voeding te checken. Het gaat dan om de voeding uit het gebruikelijke
patroon op verschillende dagen. Te gebruiken in de intake of als tussentijdse evaluatie, voor een globaal beeld.
Voordelen:
- Bij goed navragen vrij duidelijk inzicht in patroon
- Niet belastend
- Aanwezige voedselvoorkeuren en -aversies kunnen aan het licht komen
Nadelen:
- Goede gesprekstechnieken zijn een must
- Sociaal-wenselijk gedrag
- Risico op onvoldoende doorvragen
24-hour recall:
Hierin wordt nagegaan wat de cliënt de dag ervoor gegeten en gedronken heeft. Van begin tot eind. Het is een
momentopname en geeft geen goed beeld weer van het gebruikelijke voedingspatroon. Kan wel de basis van
een gesprek zijn of wat knelpunten laten zien. De structuur is vergelijkbaar met het dietary history.
,Voordelen:
- Snel beeld van voedingspatroon en eventuele knelpunten
- Aanleiding voor gesprek
- Goede informatiebron voor onderzoeken (meerdere mensen)
Nadelen:
- Geen beeld van gebruikelijke voedingspatroon
- Nadelen dietary history
Hoge bloeddruk:
(Hypertensie) Hoge bloeddruk is een risicofactor voor het ontstaan van hart- en vaatziekten. Oorzaken kunnen
zijn: overgewicht, roken, te hoog alcoholgebruik, veel zout gebruik en een te laag kaliumgebruik. Koffie en veel
drop werken ook bloeddruk verhogend. Gewichtsvermindering en een zoutbeperking zijn er vaak goed voor.
Ook kan een verhoogde consumptie van groenten en fruit helpen, hier zit namelijk veel kalium in en dit helpt
de hoeveelheid natrium in het bloed in evenwicht te houden. Het effect is nog groter in combinatie met
magere zuivel en vermindering van verzadigd en totaalvet.
Hypercholesterolemie:
Dit is een risico voor slagaderverkalking. Door verschillende oorzaken kunnen de gladde vaatwanden
beschadigd worden en ruwer worden. Op de beschadigde plaatsen kan er een klontering van bloedplaatjes
komen om de beschadiging ongedaan te maken. Voedingsstoffen kunnen hierachter blijven hangen en zo
worden de vaten nauwer (artherosclerose). Het vat kan dichtslibben waardoor er niets meer doorheen kan,
ook geen zuurstof meer. Het vat sterft dan af. Ook kunnen propjes losraken en een afsluiting veroorzaken in
een ander vat (embolie).
Cholesterol lost niet op in water en ook niet in olie, vet of bloed. Maar moet wel door het hele lichaam heen.
Het wordt vervoerd doordat het gebonden wordt aan eiwitten. Deze verbindingen worden lipoproteïnen
genoemd. Er zijn HDL (hogedichtheidlipoproteïnen) en LDL (lagedichtheidlipoproteïnen). LDL (slechte) voert het
cholesterol van de lever naar het rest van het lichaam > kan zich makkelijk hechten aan de vaatwanden. HDL
(goede) voert het teveel aan cholesterol af naar de lever en zorgt dat het in de darmen terecht komt. Verlaagt
bloedcholesterol. Cholesterol die van nature in voedingsmiddelen zitten worden voedingscholesterol genoemd.
Dit is niet slecht of goed.
Bij een te hoog cholesterol is het belangrijk om de hoeveelheid verzadigd vet te verminderen. Dit heeft invloed
op het aanmaken van lichaamseigen cholesterol. Ook voedingsmiddelen die van nature veel cholesterol
bevatten dienen verminderd te worden. Producten met plantensterolen kunnen ook helpen het cholesterol te
verlagen, bijvoorbeeld wanneer een hoog cholesterol erfelijk is en voorgaande adviezen al toegepast worden.
Vezels uit groenten, fruit, peulvruchten en haver werken ook cholesterolverlagend. Lecithine zorgt ervoor dat
cholesterol zich minder makkelijk vast kan zetten in de vaten.
Cholesterolgehalte in het bloed is afhankelijk van:
De hoeveelheid verzadigd vet in de voeding
Hoeveelheid onverzadigd vet in de voeding (2x zo veel als verzadigd is gunstig)
Hoeveelheid cholesterolrijke voedingsmiddelen
Lichaamsgewicht
Erfelijkheid
Bepaalde ziekten
Bereidingswijze
, Metabool syndroom:
Verzameling van ziektefactoren. Kenmerken: verhoogde buikomtrek (mannen > 102 cm, vrouwen > 80 cm) en
twee of meer van:
- Verhoogde bloeddruk
- Verlaagd HDL gehalte
- Verhoogd triglyceridengehalte (bloedvetten)
- Verhoogde nuchtere bloedglucosespiegel/bestaande diabetes mellitus type 2
Belangrijkste risicofactoren: roken, overgewicht en een gebrek aan lichaamsbeweging.
Diabetes mellitus:
Diabetes is een stoornis in de koolhydraatstofwisseling. Bij afwezigheid van de ziekte heeft het lichaam een
mechanisme om het suikergehalte van het bloed te regelen. Koolhydraten breken af > glucose in het bloed.
Bloedsuikerspiegel mag niet te hoog zijn, maar ook niet te laag. Wanneer het te hoog is scheidt het lichaam
insuline af (dit is een hormoon dat gemaakt wordt door de alvleesklier > geeft het af aan het bloed). Insuline
maakt de lichaamscellen toegankelijk voor glucose. Hierdoor verlaagt het glucosegehalte in het bloed en
nemen de cellen glucose op, om te verbranden. De lever zorgt ervoor dat de glucosemoleculen weer aan elkaar
worden gekoppeld om glycogeen te vormen. Wanneer het bloedsuikergehalte een bepaalde onder drempel
heeft behaald, gaan de alvleesklier, hypofyse en de bijnieren hormonen afscheiden die ervoor zorgen dat de
insulineproductie stopgezet wordt > zorgen ook dat de lever en de spieren het glycogeen weer gaan splitsen
zodat glucose ontstaat. Deze hormonen zorgen er ook voor dat er glucose wordt gevormd uit aminozuren en
glycerol (bouwsteentjes van eiwitten en vetten).
Bij diabetes mellitus maakt de alvleesklier te weinig of geen insuline.
Diabetes type I:
Insulineafhankelijke diabetes. Wordt geen insuline aangemaakt. Auto-immuunaandoening, afweercellen vallen
lichaamseigen stoffen aan en beschadigen deze.
Diabetes type II:
Niet-insuline afhankelijk. Aantal factoren voor ontstaan: overgewicht, zwangerschap, leeftijd en stress. Een
zwaar persoon heeft meer insuline nodig om alle lichaamscellen van glucose te voorzien en bij overgewicht
worden de cellen minder gevoelig voor insuline. Bij zwangerschap kan het opkomen en ook weer weggaan na
de bevalling. Ook door leeftijd kan het ontstaan, bijvoorbeeld doordat de alvleesklierfunctie achteruitgaat en
omdat wat meer ouderen met overgewicht kampen. Stress kan er ook voor zorgen, hoe precies is niet
bewezen.
Behandeling d.m.v. een dieet en voldoende beweging: beperking van geraffineerde koolhydraten, zo min
mogelijk verzadigd vet, behouden van gezond gewicht of wat afvallen, matigen met rood vlees, zo min mogelijk
alcohol, voldoende voedingsvezels, niet te veel cholesterolrijke levensmiddelen en goede inname vitamine D.
Voedingsberekeningsmiddelen:
Eetdagboek:
De cliënt noteert gedurende één of meerdere dagen alles wat hij eet of drinkt. Hoe laat, met wie, waar en hoe
de gemoedstoestand is kan gevraagd worden. Bij een regelmatig eetpatroon kan twee doordeweekse en twee
weekenddagen volstaan. Bij iemand die onregelmatig werkt kan langer nodig zijn. Belangrijk is de
nauwkeurigheid, alles maar dan ook alles moet genoteerd worden. Benadruk het direct invullen voor een
volledig beeld.
Voordelen:
- Relatief eenvoudig voor zowel de consulent als de cliënt
- Geschikte methodiek voor informatie over langere tijd
- Invultijd valt buiten spreekuur
Nadelen:
- Bij onduidelijke uitleg kan het niet als betrouwbaar gezien worden
- Kans op sociaal-wenselijk invullen
- Cliënt kan minder nemen dan normaal aangezien het genoteerd wordt
- Kans op fouten wanneer invullen bewaard wordt tot eind dag
- Kan zijn dat opdracht niet begrepen wordt > bijv. invullen van verkeerd product of verkeerde maten
Dietary history:
Een checklist die toegepast wordt om de voeding te checken. Het gaat dan om de voeding uit het gebruikelijke
patroon op verschillende dagen. Te gebruiken in de intake of als tussentijdse evaluatie, voor een globaal beeld.
Voordelen:
- Bij goed navragen vrij duidelijk inzicht in patroon
- Niet belastend
- Aanwezige voedselvoorkeuren en -aversies kunnen aan het licht komen
Nadelen:
- Goede gesprekstechnieken zijn een must
- Sociaal-wenselijk gedrag
- Risico op onvoldoende doorvragen
24-hour recall:
Hierin wordt nagegaan wat de cliënt de dag ervoor gegeten en gedronken heeft. Van begin tot eind. Het is een
momentopname en geeft geen goed beeld weer van het gebruikelijke voedingspatroon. Kan wel de basis van
een gesprek zijn of wat knelpunten laten zien. De structuur is vergelijkbaar met het dietary history.
,Voordelen:
- Snel beeld van voedingspatroon en eventuele knelpunten
- Aanleiding voor gesprek
- Goede informatiebron voor onderzoeken (meerdere mensen)
Nadelen:
- Geen beeld van gebruikelijke voedingspatroon
- Nadelen dietary history
Hoge bloeddruk:
(Hypertensie) Hoge bloeddruk is een risicofactor voor het ontstaan van hart- en vaatziekten. Oorzaken kunnen
zijn: overgewicht, roken, te hoog alcoholgebruik, veel zout gebruik en een te laag kaliumgebruik. Koffie en veel
drop werken ook bloeddruk verhogend. Gewichtsvermindering en een zoutbeperking zijn er vaak goed voor.
Ook kan een verhoogde consumptie van groenten en fruit helpen, hier zit namelijk veel kalium in en dit helpt
de hoeveelheid natrium in het bloed in evenwicht te houden. Het effect is nog groter in combinatie met
magere zuivel en vermindering van verzadigd en totaalvet.
Hypercholesterolemie:
Dit is een risico voor slagaderverkalking. Door verschillende oorzaken kunnen de gladde vaatwanden
beschadigd worden en ruwer worden. Op de beschadigde plaatsen kan er een klontering van bloedplaatjes
komen om de beschadiging ongedaan te maken. Voedingsstoffen kunnen hierachter blijven hangen en zo
worden de vaten nauwer (artherosclerose). Het vat kan dichtslibben waardoor er niets meer doorheen kan,
ook geen zuurstof meer. Het vat sterft dan af. Ook kunnen propjes losraken en een afsluiting veroorzaken in
een ander vat (embolie).
Cholesterol lost niet op in water en ook niet in olie, vet of bloed. Maar moet wel door het hele lichaam heen.
Het wordt vervoerd doordat het gebonden wordt aan eiwitten. Deze verbindingen worden lipoproteïnen
genoemd. Er zijn HDL (hogedichtheidlipoproteïnen) en LDL (lagedichtheidlipoproteïnen). LDL (slechte) voert het
cholesterol van de lever naar het rest van het lichaam > kan zich makkelijk hechten aan de vaatwanden. HDL
(goede) voert het teveel aan cholesterol af naar de lever en zorgt dat het in de darmen terecht komt. Verlaagt
bloedcholesterol. Cholesterol die van nature in voedingsmiddelen zitten worden voedingscholesterol genoemd.
Dit is niet slecht of goed.
Bij een te hoog cholesterol is het belangrijk om de hoeveelheid verzadigd vet te verminderen. Dit heeft invloed
op het aanmaken van lichaamseigen cholesterol. Ook voedingsmiddelen die van nature veel cholesterol
bevatten dienen verminderd te worden. Producten met plantensterolen kunnen ook helpen het cholesterol te
verlagen, bijvoorbeeld wanneer een hoog cholesterol erfelijk is en voorgaande adviezen al toegepast worden.
Vezels uit groenten, fruit, peulvruchten en haver werken ook cholesterolverlagend. Lecithine zorgt ervoor dat
cholesterol zich minder makkelijk vast kan zetten in de vaten.
Cholesterolgehalte in het bloed is afhankelijk van:
De hoeveelheid verzadigd vet in de voeding
Hoeveelheid onverzadigd vet in de voeding (2x zo veel als verzadigd is gunstig)
Hoeveelheid cholesterolrijke voedingsmiddelen
Lichaamsgewicht
Erfelijkheid
Bepaalde ziekten
Bereidingswijze
, Metabool syndroom:
Verzameling van ziektefactoren. Kenmerken: verhoogde buikomtrek (mannen > 102 cm, vrouwen > 80 cm) en
twee of meer van:
- Verhoogde bloeddruk
- Verlaagd HDL gehalte
- Verhoogd triglyceridengehalte (bloedvetten)
- Verhoogde nuchtere bloedglucosespiegel/bestaande diabetes mellitus type 2
Belangrijkste risicofactoren: roken, overgewicht en een gebrek aan lichaamsbeweging.
Diabetes mellitus:
Diabetes is een stoornis in de koolhydraatstofwisseling. Bij afwezigheid van de ziekte heeft het lichaam een
mechanisme om het suikergehalte van het bloed te regelen. Koolhydraten breken af > glucose in het bloed.
Bloedsuikerspiegel mag niet te hoog zijn, maar ook niet te laag. Wanneer het te hoog is scheidt het lichaam
insuline af (dit is een hormoon dat gemaakt wordt door de alvleesklier > geeft het af aan het bloed). Insuline
maakt de lichaamscellen toegankelijk voor glucose. Hierdoor verlaagt het glucosegehalte in het bloed en
nemen de cellen glucose op, om te verbranden. De lever zorgt ervoor dat de glucosemoleculen weer aan elkaar
worden gekoppeld om glycogeen te vormen. Wanneer het bloedsuikergehalte een bepaalde onder drempel
heeft behaald, gaan de alvleesklier, hypofyse en de bijnieren hormonen afscheiden die ervoor zorgen dat de
insulineproductie stopgezet wordt > zorgen ook dat de lever en de spieren het glycogeen weer gaan splitsen
zodat glucose ontstaat. Deze hormonen zorgen er ook voor dat er glucose wordt gevormd uit aminozuren en
glycerol (bouwsteentjes van eiwitten en vetten).
Bij diabetes mellitus maakt de alvleesklier te weinig of geen insuline.
Diabetes type I:
Insulineafhankelijke diabetes. Wordt geen insuline aangemaakt. Auto-immuunaandoening, afweercellen vallen
lichaamseigen stoffen aan en beschadigen deze.
Diabetes type II:
Niet-insuline afhankelijk. Aantal factoren voor ontstaan: overgewicht, zwangerschap, leeftijd en stress. Een
zwaar persoon heeft meer insuline nodig om alle lichaamscellen van glucose te voorzien en bij overgewicht
worden de cellen minder gevoelig voor insuline. Bij zwangerschap kan het opkomen en ook weer weggaan na
de bevalling. Ook door leeftijd kan het ontstaan, bijvoorbeeld doordat de alvleesklierfunctie achteruitgaat en
omdat wat meer ouderen met overgewicht kampen. Stress kan er ook voor zorgen, hoe precies is niet
bewezen.
Behandeling d.m.v. een dieet en voldoende beweging: beperking van geraffineerde koolhydraten, zo min
mogelijk verzadigd vet, behouden van gezond gewicht of wat afvallen, matigen met rood vlees, zo min mogelijk
alcohol, voldoende voedingsvezels, niet te veel cholesterolrijke levensmiddelen en goede inname vitamine D.