DENKRELATIES (-)
denkrelaties in opdrachten herkennen en benoemen
Activiteit: handeling staat centraal
Eigenschap: kenmerkend (soort bijvoeglijk naamwoord)
Toestand: iets wat gebeurd waardoor er meer info wordt gegeven voor een periode
Bezit: ergens bij horen
Deel-geheel: onder/bovenliggende begrippen
Middel-doel: middelen gebruiken om doelen te realiseren
Oorzaak-gevolg
Gebeuren – worden – ontstaan: proces/ evolutie
Substantie: materiaal
Plaats/ ruimte: oriëntatie
Tijd
Maat en getal: meet en weegresultaten
Vergelijking
Waardering
Omgevingskenmerken en contextfactoren
DEEL 1
TAAL IN DE 21 E EEUW
Sleutelcompetenties
Taal is een sleutelcompetentie dat wil zeggen dat je voor veel competenties die door de
gezaghebbende internationale organisaties zoals de verenigde naties of de Europese unie
zijn vastgelegd taal moet kunnen. Dat je taal moet gebruiken om goed de competenties te
kunnen uitvoeren.
Taal is heel de dag aanwezig en een krachtmiddel voor communicatie.
Nederlands 1.1
, BEGRIPPEN
Taalcompetentie: het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn
om geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te
gebruiken zodat:
1. Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt
2. De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
3. De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden
ontwikkeld.
Taalkennis: wat iemand bewust en onbewust weet over allerlei taalaspecten, taalgebruik
en taalsysteem.
Taalvaardig: instaat zijn om talige handelingen uit te voeren.
Functies:
Conceptualiserende functie inzicht krijgen in de wereld
Expressieve functie uitdrukking in emoties
Communicatieve functie betekenis geven
Sociale functie uiting naar bepaalde groep
TAALONDERWIJS IN DE 21 E EEUW (D1 –
TAALONDERWIJS IN DE 21 E EEUW)
7 taalprincipes
Taal in en buiten de taalles
Andere vakken bieden ook leermomenten namelijk
een ruim taalaanbod en de ruime context die nodig is
om die nieuwe taal betekenis te geven.
Het uitzoomen biedt een breder perspectief dat
leerlingen toelaat om hun talige competentie in te
zetten en te versterken, te verbreden en te verdiepen.
Inzoomen op de talige aspecten : woorden uit een les
of context nemen en kijken wat ze betekenen
Incidenteel en intentioneel leren
Incidenteel leren waarbij ze onbewust leren. Intentioneel leren is het doel dat ze begrijpen
wat ze leren.
Taalbeleid
= als doel de taalvaardigheid van leerlingen te versterken en de prestatiekloof te
verkleinen.
Nederlands 1.1
denkrelaties in opdrachten herkennen en benoemen
Activiteit: handeling staat centraal
Eigenschap: kenmerkend (soort bijvoeglijk naamwoord)
Toestand: iets wat gebeurd waardoor er meer info wordt gegeven voor een periode
Bezit: ergens bij horen
Deel-geheel: onder/bovenliggende begrippen
Middel-doel: middelen gebruiken om doelen te realiseren
Oorzaak-gevolg
Gebeuren – worden – ontstaan: proces/ evolutie
Substantie: materiaal
Plaats/ ruimte: oriëntatie
Tijd
Maat en getal: meet en weegresultaten
Vergelijking
Waardering
Omgevingskenmerken en contextfactoren
DEEL 1
TAAL IN DE 21 E EEUW
Sleutelcompetenties
Taal is een sleutelcompetentie dat wil zeggen dat je voor veel competenties die door de
gezaghebbende internationale organisaties zoals de verenigde naties of de Europese unie
zijn vastgelegd taal moet kunnen. Dat je taal moet gebruiken om goed de competenties te
kunnen uitvoeren.
Taal is heel de dag aanwezig en een krachtmiddel voor communicatie.
Nederlands 1.1
, BEGRIPPEN
Taalcompetentie: het geheel van talige kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn
om geschreven, gesproken en multimodale teksten te begrijpen, te evalueren en te
gebruiken zodat:
1. Volwaardige deelname aan de samenleving mogelijk wordt
2. De eigen doelen gerealiseerd kunnen worden
3. De eigen kennis en mogelijkheden levenslang en duurzaam kunnen worden
ontwikkeld.
Taalkennis: wat iemand bewust en onbewust weet over allerlei taalaspecten, taalgebruik
en taalsysteem.
Taalvaardig: instaat zijn om talige handelingen uit te voeren.
Functies:
Conceptualiserende functie inzicht krijgen in de wereld
Expressieve functie uitdrukking in emoties
Communicatieve functie betekenis geven
Sociale functie uiting naar bepaalde groep
TAALONDERWIJS IN DE 21 E EEUW (D1 –
TAALONDERWIJS IN DE 21 E EEUW)
7 taalprincipes
Taal in en buiten de taalles
Andere vakken bieden ook leermomenten namelijk
een ruim taalaanbod en de ruime context die nodig is
om die nieuwe taal betekenis te geven.
Het uitzoomen biedt een breder perspectief dat
leerlingen toelaat om hun talige competentie in te
zetten en te versterken, te verbreden en te verdiepen.
Inzoomen op de talige aspecten : woorden uit een les
of context nemen en kijken wat ze betekenen
Incidenteel en intentioneel leren
Incidenteel leren waarbij ze onbewust leren. Intentioneel leren is het doel dat ze begrijpen
wat ze leren.
Taalbeleid
= als doel de taalvaardigheid van leerlingen te versterken en de prestatiekloof te
verkleinen.
Nederlands 1.1