TAAK 1: WORKING MEMORY
Leerdoel 1: wat is het verschil tussen werk en korttermijn geheugen?
Leerdoel 2: hoe ontwikkeld het korttermijn geheugen?
Leerdoel 3: Welke geheugen strategieën zijn er?
Leerdoel 4: welk deel van de hersenen is betrokken bij het korttermijn
geheugen?
Leerdoel 5: Welke afwijkingen zijn er ?
Leerdoel 6: hoe kun je invloed hebben op het werkgeheugen – als
teacher ?
, Braver, T.S. Working memory. In cognitive Psychology: Mind and
Brain (Boek 2)
USING WORKING MEMORY
Kort-termijn mentale opslag en manipulatie operaties worden ook wel het werk geheugen
genoemd. Het is een werkplaats die tijdelijk informatie kan vasthouden zodat relevante
informatie beschikbaar is voor inspectie. Wanneer bijvoorbeeld een taak gedaan is (zoals
nummers onthouden) kunnen de nummers weer makkelijk gewist worden, en het proces
kan weer opnieuw beginnen.
Een computer metafoor
Een computer heeft twee middelen om informatie op te slaan:
De hard disc – lang termijn geheugen: deze slaat informatie permanent op, in een
stabiele en betrouwbare vorm.
Random-acces memory RAM – werkgeheugen, wanneer je de info wilt terug halen
vanuit de hard disc moet je het opslaan in de RAM.
Opslag in het werkgeheugen heeft betrekking tot een content-free flexibele buffer - een
gelimiteerde capaciteit van geheugen opslag dus. Cognitieve mogelijkheden hangen af van
de grootte van de buffer dus van de capaciteit.
Implicaties van de natuur van het werkgeheugen
Onderzoek stelt voor dat erg variëren in de capaciteit van het werkgeheugen, de
hoeveelheid informatie die er opgeslagen kan worden.
VAN PRIMAIR GEHEUGEN NAAR WERKGEHEUGEN: GESCHIEDENIS
De termen veranderden van primair geheugen naar korttermijn geheugen, naar
werkgeheugen. Hoe dit komt lees je hieronder.
William James: Primair geheugen, secundaire geheugen en bewustzijn
William James maakte onderscheid tussen het korttermijn geheugen en lang termijn
geheugen. Hij noemden ze primair geheugen en secundair geheugen. Het primair geheugen
was volgens hem een eerste bewaarplaats , waarin informatie opgeslagen kan worden en
beschikbaar gemaakt werd voor bewuste inspectie, aandacht en introspectie. Hij zei ook dat
je geen informatie terug kon halen uit het secundair (langtermijn) geheugen zonder actieve
cognitieve processen.
,Vroegere studies: de karakteristieken van het korttermijn geheugen
Studies over de karakteristieken van het korttermijn geheugen kwamen pas in 1950. Ze
kwamen toen met het bewijs dat het korttermijn geheugen gelimiteerde capaciteiten heeft.
Onderzoek laat zien dat er plaats is voor 7 items in het kort termijn geheugen. De term
‘’item’’ is erg flexibel. Je kan bijvoorbeeld door chunking meer onthouden omdat 3 losse
items 1 item kan worden. 1, 2, 3 123. Volgens Miller word chunking beheerst door
zinvolheid.
Ze kwamen tot de conclusie dat het korttermijn geheugen zowel structureel als functioneel
te onderscheiden was van het langtermijn geheugen. In 1950 -1960 werd veel onderzoek
naar de karakteristieken gedaan van korttermijn geheugen.
Karakteristiek 1: beknoptheid van de duur
Het centraal idee was toen dat informatie voor een hele korte tijd
beschikbaar zou zijn als deze niet herhaald werd (rehearsed). De
Brown-Peterson task, was ontwikkeld om dit te testen. Mensen
werden gevraagd om 3 medeklinkers te memoriseren, en mochten
dit dan niet gaan herhalen in zichzelf (ze werden dan vragen gesteld
of tel af van 100 naar 1). Na verschillende vertragingen werd de
deelnemer gevraagd om de 3 medeklinkers op te zeggen, te
herinneren. Na 6 seconden wachten is de juistheid gezakt met 50%,
na 18 sec. kun je bijna niets meer herinneren.
Karakteristiek 2: toegankelijkheid
De hoge toegankelijkheid van korttermijn geheugen werd
gedemonstreerd door Sternberg. Hij kwam met het
resultaat dat hoe groter de memory set size was die
deelnemers moesten onthouden, hoe langer het duurden
voordat ze reageerden (recognition time). Dit werd
gedaan met Sternberg zijn recognition task (figuren
onthouden en dan kwamen er andere figuren die er op
leken , zijn het dezelfde of niet?). onderzoekers van vandaag betwijfelen Sternberg
zijn assumptie dat het scannen van korttermijn geheugen opeenvolgend gebeurt, een
item tegelijk.
De Atkinson-Shiffrin Model: De relatie van kort en langtermijn geheugen
1968)In dit model dient het korttermijn
geheugen als een poort waarbij informatie
toegang kan krijgen tot het langtermijn
geheugen. De functie van het korttermijn
geheugen is volgens dit model het zorgen voor
een middel, voor het controleren en verbeteren
via rehearsal en coding strategieën (zoals
chunking) die zorgt dat de informatie in het langtermijn geheugen komt.
, Kritiek op Atkinson-Shiffrin model :
Mensen met een beschadigde korttermijngeheugen konden nog steeds
herinneringen opslaan in het langtermijn geheugen. Dit kan volgens de Atkinson-
Shiffrin model niet. Hij zei dat als een korttermijngeheugen beschadigd was, het
langtermijn geheugen dat ook was en dat alle informatie eerst het
korttermijngeheugen door moet voor het binnenkomt in het langtermijn geheugen.
Onderzoek laat zien dat er niet één enkele systeem is voor korttermijn opslag maar
meerdere.
De Baddeley-Hitch Model: Werkgeheugen – working memory model
(1974) Dit model zegt dat het korttermijngeheugen bestaat uit twee korttermijn
opslagruimtes en control systemen. Verder kent dit model 3 belangrijke karakteristieken:
Karakteristiek 1:
Het korttermijngeheugen is niet primair een tussenstation voor informatie om in het
langtermijn geheugen te komen. De primaire functie van het korttermijngeheugen is
het mogelijk maken van complexe cognitieve activiteiten (die de integratie,
coördinatie en manipulatie van meerdere stukjes van mentaal gerepresenteerde
informatie vereisen).
Karakteristiek 2:
In dit model is er een gehele relatie tussen een control systeem – een centrale
bestuurder- die de afzetting en verplaatsing bestuurd van informatie uit het
korttermijngeheugen en die de opslagbuffers zelf bestuurd. Door dit perspectief kan
het korttermijn geheugen gezien worden als een actieve werkplek.
Karakteristiek 3:
Dit model stelt op zijn minst twee verschillende korttermijn geheugen buffers voor,
één voor de verbale informatie (De fonologische lus) en een andere voor
visuospatiele informatie (the visuospatial scratchpad- kladblok).
Leerdoel 1: wat is het verschil tussen werk en korttermijn geheugen?
Leerdoel 2: hoe ontwikkeld het korttermijn geheugen?
Leerdoel 3: Welke geheugen strategieën zijn er?
Leerdoel 4: welk deel van de hersenen is betrokken bij het korttermijn
geheugen?
Leerdoel 5: Welke afwijkingen zijn er ?
Leerdoel 6: hoe kun je invloed hebben op het werkgeheugen – als
teacher ?
, Braver, T.S. Working memory. In cognitive Psychology: Mind and
Brain (Boek 2)
USING WORKING MEMORY
Kort-termijn mentale opslag en manipulatie operaties worden ook wel het werk geheugen
genoemd. Het is een werkplaats die tijdelijk informatie kan vasthouden zodat relevante
informatie beschikbaar is voor inspectie. Wanneer bijvoorbeeld een taak gedaan is (zoals
nummers onthouden) kunnen de nummers weer makkelijk gewist worden, en het proces
kan weer opnieuw beginnen.
Een computer metafoor
Een computer heeft twee middelen om informatie op te slaan:
De hard disc – lang termijn geheugen: deze slaat informatie permanent op, in een
stabiele en betrouwbare vorm.
Random-acces memory RAM – werkgeheugen, wanneer je de info wilt terug halen
vanuit de hard disc moet je het opslaan in de RAM.
Opslag in het werkgeheugen heeft betrekking tot een content-free flexibele buffer - een
gelimiteerde capaciteit van geheugen opslag dus. Cognitieve mogelijkheden hangen af van
de grootte van de buffer dus van de capaciteit.
Implicaties van de natuur van het werkgeheugen
Onderzoek stelt voor dat erg variëren in de capaciteit van het werkgeheugen, de
hoeveelheid informatie die er opgeslagen kan worden.
VAN PRIMAIR GEHEUGEN NAAR WERKGEHEUGEN: GESCHIEDENIS
De termen veranderden van primair geheugen naar korttermijn geheugen, naar
werkgeheugen. Hoe dit komt lees je hieronder.
William James: Primair geheugen, secundaire geheugen en bewustzijn
William James maakte onderscheid tussen het korttermijn geheugen en lang termijn
geheugen. Hij noemden ze primair geheugen en secundair geheugen. Het primair geheugen
was volgens hem een eerste bewaarplaats , waarin informatie opgeslagen kan worden en
beschikbaar gemaakt werd voor bewuste inspectie, aandacht en introspectie. Hij zei ook dat
je geen informatie terug kon halen uit het secundair (langtermijn) geheugen zonder actieve
cognitieve processen.
,Vroegere studies: de karakteristieken van het korttermijn geheugen
Studies over de karakteristieken van het korttermijn geheugen kwamen pas in 1950. Ze
kwamen toen met het bewijs dat het korttermijn geheugen gelimiteerde capaciteiten heeft.
Onderzoek laat zien dat er plaats is voor 7 items in het kort termijn geheugen. De term
‘’item’’ is erg flexibel. Je kan bijvoorbeeld door chunking meer onthouden omdat 3 losse
items 1 item kan worden. 1, 2, 3 123. Volgens Miller word chunking beheerst door
zinvolheid.
Ze kwamen tot de conclusie dat het korttermijn geheugen zowel structureel als functioneel
te onderscheiden was van het langtermijn geheugen. In 1950 -1960 werd veel onderzoek
naar de karakteristieken gedaan van korttermijn geheugen.
Karakteristiek 1: beknoptheid van de duur
Het centraal idee was toen dat informatie voor een hele korte tijd
beschikbaar zou zijn als deze niet herhaald werd (rehearsed). De
Brown-Peterson task, was ontwikkeld om dit te testen. Mensen
werden gevraagd om 3 medeklinkers te memoriseren, en mochten
dit dan niet gaan herhalen in zichzelf (ze werden dan vragen gesteld
of tel af van 100 naar 1). Na verschillende vertragingen werd de
deelnemer gevraagd om de 3 medeklinkers op te zeggen, te
herinneren. Na 6 seconden wachten is de juistheid gezakt met 50%,
na 18 sec. kun je bijna niets meer herinneren.
Karakteristiek 2: toegankelijkheid
De hoge toegankelijkheid van korttermijn geheugen werd
gedemonstreerd door Sternberg. Hij kwam met het
resultaat dat hoe groter de memory set size was die
deelnemers moesten onthouden, hoe langer het duurden
voordat ze reageerden (recognition time). Dit werd
gedaan met Sternberg zijn recognition task (figuren
onthouden en dan kwamen er andere figuren die er op
leken , zijn het dezelfde of niet?). onderzoekers van vandaag betwijfelen Sternberg
zijn assumptie dat het scannen van korttermijn geheugen opeenvolgend gebeurt, een
item tegelijk.
De Atkinson-Shiffrin Model: De relatie van kort en langtermijn geheugen
1968)In dit model dient het korttermijn
geheugen als een poort waarbij informatie
toegang kan krijgen tot het langtermijn
geheugen. De functie van het korttermijn
geheugen is volgens dit model het zorgen voor
een middel, voor het controleren en verbeteren
via rehearsal en coding strategieën (zoals
chunking) die zorgt dat de informatie in het langtermijn geheugen komt.
, Kritiek op Atkinson-Shiffrin model :
Mensen met een beschadigde korttermijngeheugen konden nog steeds
herinneringen opslaan in het langtermijn geheugen. Dit kan volgens de Atkinson-
Shiffrin model niet. Hij zei dat als een korttermijngeheugen beschadigd was, het
langtermijn geheugen dat ook was en dat alle informatie eerst het
korttermijngeheugen door moet voor het binnenkomt in het langtermijn geheugen.
Onderzoek laat zien dat er niet één enkele systeem is voor korttermijn opslag maar
meerdere.
De Baddeley-Hitch Model: Werkgeheugen – working memory model
(1974) Dit model zegt dat het korttermijngeheugen bestaat uit twee korttermijn
opslagruimtes en control systemen. Verder kent dit model 3 belangrijke karakteristieken:
Karakteristiek 1:
Het korttermijngeheugen is niet primair een tussenstation voor informatie om in het
langtermijn geheugen te komen. De primaire functie van het korttermijngeheugen is
het mogelijk maken van complexe cognitieve activiteiten (die de integratie,
coördinatie en manipulatie van meerdere stukjes van mentaal gerepresenteerde
informatie vereisen).
Karakteristiek 2:
In dit model is er een gehele relatie tussen een control systeem – een centrale
bestuurder- die de afzetting en verplaatsing bestuurd van informatie uit het
korttermijngeheugen en die de opslagbuffers zelf bestuurd. Door dit perspectief kan
het korttermijn geheugen gezien worden als een actieve werkplek.
Karakteristiek 3:
Dit model stelt op zijn minst twee verschillende korttermijn geheugen buffers voor,
één voor de verbale informatie (De fonologische lus) en een andere voor
visuospatiele informatie (the visuospatial scratchpad- kladblok).