Hoofdstuk 3: Zintuigelijke waarneming
Overzicht
1. Algemeen
2. Tastzin en pijn
3. Smaak- en reukzin
4. Zicht
5. Gehoor en evenwicht
6. Biologische klok, slapen en waken
Wat we zien, horen, voelen, … is analoge informatie, wij digitaliseren dat in ons lichaam in 0 en 1. Het
wordt dus omgezet in actiepotentialen.
1. Algemeen
Prikkel: is een plotse verandering van uitwendige toestand (mechanisch, chemisch,…). Plotse
veranderingen kunnen wij makkelijker gaan detecteren. Iets wat geleidelijk veranderd is moeilijker te
vatten. Dan gaat die prikkel naar onze hersenen worden gestuurd:
Gewaarwording: onbewust, komt in de hersenen maar we beseffen dit niet.
Waarneming: bewustworden: dit wil zeggen dat de prikkel tot in de cortex komt en worden er
ons dus bewust van.
Zintuigen: zijn cellen of zenuwuiteinden die reageren op een prikkel, we hebben hierin 2 soorten:
Algemene zintuigen (Somatosensoren, interosensoren): zintuigen die informatie verschaffen
over het eigen lichaam. Deze cellen zijn over ons ganse lichaam verspreid
Voorbeelden: Temperatuur, pijn, tastzin (aanraking, druk, trilling), proprioceptie
(lichaamshouding)
Speciale zintuigen (exterosensoren): deze gaan informatie uit de externe omgeving gaan
oppikken en er iets mee doen. Dit wordt gedaan door gespecialiseerde organen.
Voorbeelden: visus, gehoor, smaak, reuk, evenwicht
,Sensoren
= kunnen zenuwuiteinden zijn of afzonderlijke cellen
Er komt een prikkel toe in ons lichaam, dan hebben we twee mogelijkheden. De prikkel gaat via een
afferent neuron naar onze hersenen. Ofwel zit er nog een specifieke cel tussen die een
receptormembraan heeft. Ofwel is het een zenuwuiteinden die de prikkel automatisch gaat
detecteren.
De prikkel die binnenkomt moet voldoende sterk zijn om ervoor te zorgen dat er een depolarisatie is.
de stimulus is op de eerste afbeelding niet groot, en komt er dus niet door.
Bij het tweede is de prikkel sterker waardoor het wel een actiepotentiaal kan induceren. Als het een
sterke prikkel is, gaan er vele actiepotentialen vertrekken, de frequentie verhoogd dus.
We hebben dus een bepaalde drempel en het is niet zo dat we alles kunnen waarnemen.
Eigenschappen van sensoren
Specificiteit:
- Adequate prikkel heeft laagste drempel: deze heeft niet veel nodig om een actiepotentiaal
te creëren. Voorbeeld: licht, vergt weinig energie
- Valse prikkel heeft hogere drempel: in ons oog vangen we licht op, maar als je een klap op
je oog krijgt, krijg je ook een lichtflits. Je krijgt dus ook een prikkel maar wel een valse
prikkel. Dit vergt veel energie.
Adaptatie
- Tonisch receptoren: je detecteert de verandering maar je blijft ze waarnemen. De prikkel blijft
zich voordoen tot hij wegvalt, voorbeeld: pijn.
- Fasische receptoren: deze detecteren enkel de verandering. Dit voel je wanneer hij er ineens
is, en wanneer hij dan weer wegvalt, voorbeeld geur.
- Combinatie tonisch-fasisch: in onze tastzin hebben we receptoren die tonisch gaan werken
maar er zijn er ook die fasisch gaan werken. Het is vaak een combinatie, voorbeeld
temperatuur.
, - Centrale inhibitie prikkeloverdracht: je gaat niet meer bewust denken aan de prikkel. Zoals
een geluid dat op de achtergrond zit, kan je dat gaan uitschakelen.
We hebben dus een prikkel die toekomt, en gedecteerd wordt en voor een depolarisatie zorgt van de
receptorcel. Het afferent neuron wordt geprikkeld en moet in onze hersenen komen. Dit gebeurt in
een drietal stappen:
1. Axon van het eerste neuron/neuron van eerste orde: gaat de info vanuit onze zintuigen naar
ons centraal zenuwstelsel brengen.
2. Vanuit de medulla oblongata vertrekt er een tweede neuron/ neuron van tweede orde naar
de thalamus. Hier gebeurd de kruising waardoor we de linkerkant besturen met de
rechterhersenhelft.
3. Vanuit de thalamus vertrekt er een neuron naar de cortex, dit is het neuron van derde orde.
De thalamus is een tussenstation waar de info toekomt, deze heeft de mogelijkheid om de informatie
te filteren. Het kan bepaalde informatie doorlaten en andere ook stopzetten. Deze zorgt ervoor dat
we niet overprikkelt worden.
Hersengebieden voor waarneming
De informatie die dus in de thalamus toekomt wordt
naar verschillende gebieden gestuurd. Dit kunnen er 5
zijn (zie afbeelding). Ze hebben allemaal een vaste
plaats. We hebben ook associatieregio’s in onze
hersenen. We hebben al bepaalde dingen
meegemaakt waardoor we dingen herkennen en
associaties hebben.
, Thalamische gating: is een belangrijk proces dat ons toelaat om onze aandacht te richten op één
specifieke soort informatie die binnenkomt. Het is de poort waar alle info toekomt maar ze laten de
poort maar open voor één of twee soorten informatie. het zijn de associatieve regio’s die commando’s
sturen naar de thalamus wat mag binnen komen.
Is zeer belangrijk om niet overgeprikkeld te worden.
Is belangrijk voor concentratie en aandacht richten
2. Tastzin en pijn
Pijn
Pijn heeft doorheen de evolutie ons een voordeel opgeleverd. Voor de meeste mensen heeft pijn een
negatieve associatie. Wanneer je je hebt pijn gedaan wil je dat je geneest. Je gaat dat lichaamsdeel
ontzien zodat het deel kan genezen. Pijn leert je ook om bepaalde dingen te vermijden die gevaarlijk
zijn.
Het gaat meestal gepaard met de beschadiging van huidcellen. De pijnreceptoren of nocireceptoren
zijn gevoelig voor:
Extreme temperaturen (huid verbrand)
Mechanische beschadiging
Opgeloste chemicaliën (bijvoorbeeld door zuren)
Ze gaan de vrije zenuwuiteinde van de receptoren gaan prikkelen wanneer we ons hebben pijn gedaan.
Pijn kan worden waargenomen door nocireceptoren:
Stekende pijn (a): heeft een heel gedefinieerde plaats, de prikkel wordt snel geleid en gaat
ook weer snel verdwijnen. Het gaat adapteren en is dus fasisch. Er is een gevaar, verwijder je
van de bron.
Brandende pijn (c): het is moeilijke te lokaliseren, we noemen dit een diffuse locatie. Er zijn
verschillende receptoren die er op gaan reageren. Hier is een trage geleiding en geen
adaptatie, het is dus tonisch.
Als je pijn hebt, ga je druk uitoefenen op die plaats, dat is een automatische reflex die we hebben
aangeleerd. Dit heeft een positief effect, de evolutionaire meerwaarde hiervan is dat als je een
inwendige beschadiging hebt dan is het zo door druk uit te oefenen, stopt het bloedvat met
bloeden. Ook het uitoefenen van druk is een meting om te kijken hoe erg de pijn is.
Er zit een interneuron en het kan de synaps inhiberen. Het kan er dus voor zorgen dat de prikkel
van de neuron van eerste orde naar het neuron van twee orde niet meer goed doorgegeven wordt.
Als er een pijnlijke stimulus toekomt, en we oefenen geen druk uit dan gaat het interneuron
geïnhibeerd worden. Je ervaart pijn .
Overzicht
1. Algemeen
2. Tastzin en pijn
3. Smaak- en reukzin
4. Zicht
5. Gehoor en evenwicht
6. Biologische klok, slapen en waken
Wat we zien, horen, voelen, … is analoge informatie, wij digitaliseren dat in ons lichaam in 0 en 1. Het
wordt dus omgezet in actiepotentialen.
1. Algemeen
Prikkel: is een plotse verandering van uitwendige toestand (mechanisch, chemisch,…). Plotse
veranderingen kunnen wij makkelijker gaan detecteren. Iets wat geleidelijk veranderd is moeilijker te
vatten. Dan gaat die prikkel naar onze hersenen worden gestuurd:
Gewaarwording: onbewust, komt in de hersenen maar we beseffen dit niet.
Waarneming: bewustworden: dit wil zeggen dat de prikkel tot in de cortex komt en worden er
ons dus bewust van.
Zintuigen: zijn cellen of zenuwuiteinden die reageren op een prikkel, we hebben hierin 2 soorten:
Algemene zintuigen (Somatosensoren, interosensoren): zintuigen die informatie verschaffen
over het eigen lichaam. Deze cellen zijn over ons ganse lichaam verspreid
Voorbeelden: Temperatuur, pijn, tastzin (aanraking, druk, trilling), proprioceptie
(lichaamshouding)
Speciale zintuigen (exterosensoren): deze gaan informatie uit de externe omgeving gaan
oppikken en er iets mee doen. Dit wordt gedaan door gespecialiseerde organen.
Voorbeelden: visus, gehoor, smaak, reuk, evenwicht
,Sensoren
= kunnen zenuwuiteinden zijn of afzonderlijke cellen
Er komt een prikkel toe in ons lichaam, dan hebben we twee mogelijkheden. De prikkel gaat via een
afferent neuron naar onze hersenen. Ofwel zit er nog een specifieke cel tussen die een
receptormembraan heeft. Ofwel is het een zenuwuiteinden die de prikkel automatisch gaat
detecteren.
De prikkel die binnenkomt moet voldoende sterk zijn om ervoor te zorgen dat er een depolarisatie is.
de stimulus is op de eerste afbeelding niet groot, en komt er dus niet door.
Bij het tweede is de prikkel sterker waardoor het wel een actiepotentiaal kan induceren. Als het een
sterke prikkel is, gaan er vele actiepotentialen vertrekken, de frequentie verhoogd dus.
We hebben dus een bepaalde drempel en het is niet zo dat we alles kunnen waarnemen.
Eigenschappen van sensoren
Specificiteit:
- Adequate prikkel heeft laagste drempel: deze heeft niet veel nodig om een actiepotentiaal
te creëren. Voorbeeld: licht, vergt weinig energie
- Valse prikkel heeft hogere drempel: in ons oog vangen we licht op, maar als je een klap op
je oog krijgt, krijg je ook een lichtflits. Je krijgt dus ook een prikkel maar wel een valse
prikkel. Dit vergt veel energie.
Adaptatie
- Tonisch receptoren: je detecteert de verandering maar je blijft ze waarnemen. De prikkel blijft
zich voordoen tot hij wegvalt, voorbeeld: pijn.
- Fasische receptoren: deze detecteren enkel de verandering. Dit voel je wanneer hij er ineens
is, en wanneer hij dan weer wegvalt, voorbeeld geur.
- Combinatie tonisch-fasisch: in onze tastzin hebben we receptoren die tonisch gaan werken
maar er zijn er ook die fasisch gaan werken. Het is vaak een combinatie, voorbeeld
temperatuur.
, - Centrale inhibitie prikkeloverdracht: je gaat niet meer bewust denken aan de prikkel. Zoals
een geluid dat op de achtergrond zit, kan je dat gaan uitschakelen.
We hebben dus een prikkel die toekomt, en gedecteerd wordt en voor een depolarisatie zorgt van de
receptorcel. Het afferent neuron wordt geprikkeld en moet in onze hersenen komen. Dit gebeurt in
een drietal stappen:
1. Axon van het eerste neuron/neuron van eerste orde: gaat de info vanuit onze zintuigen naar
ons centraal zenuwstelsel brengen.
2. Vanuit de medulla oblongata vertrekt er een tweede neuron/ neuron van tweede orde naar
de thalamus. Hier gebeurd de kruising waardoor we de linkerkant besturen met de
rechterhersenhelft.
3. Vanuit de thalamus vertrekt er een neuron naar de cortex, dit is het neuron van derde orde.
De thalamus is een tussenstation waar de info toekomt, deze heeft de mogelijkheid om de informatie
te filteren. Het kan bepaalde informatie doorlaten en andere ook stopzetten. Deze zorgt ervoor dat
we niet overprikkelt worden.
Hersengebieden voor waarneming
De informatie die dus in de thalamus toekomt wordt
naar verschillende gebieden gestuurd. Dit kunnen er 5
zijn (zie afbeelding). Ze hebben allemaal een vaste
plaats. We hebben ook associatieregio’s in onze
hersenen. We hebben al bepaalde dingen
meegemaakt waardoor we dingen herkennen en
associaties hebben.
, Thalamische gating: is een belangrijk proces dat ons toelaat om onze aandacht te richten op één
specifieke soort informatie die binnenkomt. Het is de poort waar alle info toekomt maar ze laten de
poort maar open voor één of twee soorten informatie. het zijn de associatieve regio’s die commando’s
sturen naar de thalamus wat mag binnen komen.
Is zeer belangrijk om niet overgeprikkeld te worden.
Is belangrijk voor concentratie en aandacht richten
2. Tastzin en pijn
Pijn
Pijn heeft doorheen de evolutie ons een voordeel opgeleverd. Voor de meeste mensen heeft pijn een
negatieve associatie. Wanneer je je hebt pijn gedaan wil je dat je geneest. Je gaat dat lichaamsdeel
ontzien zodat het deel kan genezen. Pijn leert je ook om bepaalde dingen te vermijden die gevaarlijk
zijn.
Het gaat meestal gepaard met de beschadiging van huidcellen. De pijnreceptoren of nocireceptoren
zijn gevoelig voor:
Extreme temperaturen (huid verbrand)
Mechanische beschadiging
Opgeloste chemicaliën (bijvoorbeeld door zuren)
Ze gaan de vrije zenuwuiteinde van de receptoren gaan prikkelen wanneer we ons hebben pijn gedaan.
Pijn kan worden waargenomen door nocireceptoren:
Stekende pijn (a): heeft een heel gedefinieerde plaats, de prikkel wordt snel geleid en gaat
ook weer snel verdwijnen. Het gaat adapteren en is dus fasisch. Er is een gevaar, verwijder je
van de bron.
Brandende pijn (c): het is moeilijke te lokaliseren, we noemen dit een diffuse locatie. Er zijn
verschillende receptoren die er op gaan reageren. Hier is een trage geleiding en geen
adaptatie, het is dus tonisch.
Als je pijn hebt, ga je druk uitoefenen op die plaats, dat is een automatische reflex die we hebben
aangeleerd. Dit heeft een positief effect, de evolutionaire meerwaarde hiervan is dat als je een
inwendige beschadiging hebt dan is het zo door druk uit te oefenen, stopt het bloedvat met
bloeden. Ook het uitoefenen van druk is een meting om te kijken hoe erg de pijn is.
Er zit een interneuron en het kan de synaps inhiberen. Het kan er dus voor zorgen dat de prikkel
van de neuron van eerste orde naar het neuron van twee orde niet meer goed doorgegeven wordt.
Als er een pijnlijke stimulus toekomt, en we oefenen geen druk uit dan gaat het interneuron
geïnhibeerd worden. Je ervaart pijn .