Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 56 pages
Summary

Samenvatting Wijsbegeerte: volledige leerstof!

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 56 pages

Uitgebreide en zéér gestructureerde samenvatting van alle leerstof van Fundamentele Wijsbegeerte, gedoceerd door professor Guy Claessens. Dit is een samenvatting die de volgorde van de powerpoint volgt, met alle nodige informatie uit de gehele cursus. Tevens aangevuld met de belangrijkste notities uit de lessen en de monitoraten. Gemaakt gedurende het hele semester en tijdens de blok alleen maar dit document geleerd. Geslaagd in eerste zit met een 15/20, na 3 dagen (ca. 27 uren) studie.

Content preview

DEEL 1: LOTGEVALLEN FILOSOFISCHE
RATIONALITEIT
OUDHEID
VAN MYTHOS NAAR LOGOS
mythos, verhaal
 grond-leggende gebeurtenis
 het bestaande wordt dan afgeleid uit deze grondleggende gebeurtenis
 voortgebracht door antropomorfe goden
 niet kritisch
 normatief & legitimerend
 ze verklaart niet alleen waarom de dingen zijn wat ze zijn, maar ze geeft ook aan waarom ze zo moéten
zijn, het bestaande wordt dus bevestigd en gelegitimeerd
 verklaringsmethode
 dit Griekse mythische wereldbeeld werd vastgelegd door Homerus & Hesiodus

cultuurschok 6de eeuw
 contact vreemde volkeren (antropomorfisme)
 men constateert dat een godsbeeld verschilt van volk tot volk
 kritische neus
 mondelinge naar schriftelijke cultuur
 kritiek op mythe
 de manier van overlevering verandert
 mythes werden mondeling overgeleverd, maar Peisistratus gaf in 6 de eeuw de opdracht Homeros neer te
schrijven
 logos, rede, uit-leg
 nieuw verklaringsprincipe dat universeel moet zijn (itt de mythe)
 vereist: universaliteit, objectiviteit en systematiek
 mythos -> mytho-logie -> logos
 desacralisering natuur
 In het antropomorfisme wordt de natuurgodsdienst getransformeerd, het wordt immers onmogelijk om
goden nog aan één bepaald natuurfenomeen te binden als men tegelijk volhoudt dat zij in alle opzichten op
mensen gelijken
 de goden verliezen hun plaats in de wereld en ‘verhuizen’ naar de Olympos
 de natuur wordt gescheiden van het sacrale
 theoria, beschouwing, onderzoek
 ‘Griekse wonder’
 begin van de filosofie
 ‘weten omwille van het weten’
 de zuiver beschouwelijke activiteit vd wetenschapper
 door contact met vreemde volkeren en vervolgens kritiek op de mythe komt er een nieuwe wereldbeschouwing
tot stand (geen mythos meer, maar logos)
 na de 6de eeuw zoekt de mens de verklaring vd wereld niet meer in de goden maar in de universaliteit vd rede

NATUURFILOSOFEN (HERACLITUS & PARMENIDES)
 filosofie ontstaat als natuurfilosofie
 gedesacraliseerde natuur als phusis
 natuur = organisme
 de natuur (phusis) is een organisme dat zichzelf in stand houdt, en dus moet worden verklaard vanuit
principes die zelf een onderdeel zijn vd natuur (er is dus geen behoefte aan externe of goddelijke krachten)
 kosmos, sieraad, opsmuk -> kosmo-logie
 = een rationeel georderde logos
 materialisme: oer-stof

,  ze gaan op zoek naar de oerstof waaruit de gehele werkelijkheid bestaat
 Thales: water
 Anaximenes: lucht
 reflectie over hoe het zijnde kan bestaan, en hoe het zich verhoudt tot de wereld

HERACLITUS (°CA. 543 V.C.)

FILOSOFIE VAN HET WORDEN
 “Alles vloeit, niets blijft.”
 de wereld is onderhevig aan een voortdurende verandering
 permanente flux
 “Oorlog is de vader van alle dingen.”
 de harmonie van de kosmos ligt in de spanning tussen tegengestelden
 conflict = constitutief
 de werkelijkheid is voortdurend in beweging en het resultaat van voortdurende conflicten tussen tegengestelden
 de kosmos is het resultaat van een reeds verschuivend evenwicht tussen de bewegende krachten

PARMENIDES (CA. 515-CA. 440 V.C.)

FILOSOFIE VAN HET ZIJN
 monist
 Heraclitus’ tegenpool: het zijnde op zichzelf is een onveranderlijk fundament vd vele zijnden
 “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet.”
 zijnsvraag voor de eerste keer gesteld
 “Dat het is, en dat het onmogelijk is dat het niet is.”
OF
 “Dat het niet is, en dat het noodzakelijk is dat het niet is”
 gewone stervelingen hebben dit dilemma niet gezien en laten zich leiden door bedrieglijke zintuigen
 Parmenides kiest dus voor de Logos, hij kiest dus voor het zijn
 zijnde
• niet ontstaan
• ondeelbaar
• onbeweeglijk en begrensd
• volmaakt
• bolvormig
1) ‘Het zijnde is’, impliceert dat het zijnde niet kan ontstaan
2) Het zijnde kan niet vergaan of in iets anders overgaan, het is eeuwig en onvergankelijk
3) Het zijnde is niet deelbaar, er zijn geen gradaties in het zijn
4) Het zijnde is onbeweeglijk en onbegrensd, het zijnde is absoluut afgescheiden van wat
niet is en al volledig ontplooid
5) Het zijnde is volmaakt want het is niet het resultaat van een wordingsproces
6) Het zijnde is bolvormig want het is overal en in alle richtingen identiek

 voor Parmenides is het zijnde nog doordrongen van materialiteit, het is geen abstract zijnsbegrip
 hiervoor wordt hij bekritiseerd door Aristoteles
 “de analyses van Parmenides worden gepresenteerd binnen de natuurfilosofie (zijn
zijnsbegrip blijft gebonden aan het zijn van de waarneembare dingen) maar behoren
eigenlijk tot een andere filosofische discipline: de METAFYSICA”
 metafysica: abstract, onvergankelijk, immaterieel en bestudeert onveranderlijke
principes
 fysica: waarneembaar, vergankelijk, materieel en bestudeert veranderlijke
werkelijkheid


°ETHIEK (SOFISTEN & SOCRATES)

,  kritiek mythe en desacralisering
 status quo komt onder druk te staan
 physis, natuur vs. nomos, wet, cultuur
 uit zich in allerlei maatschappelijke en politieke veranderingen
• ° democratie
• † bloedwraak
• Phulai (familieclans) -> dèmoi (stadsdistricten)
 ethisch vacuüm

SOFISTEN
 rondtrekkende leraren
 ‘democratisch’ Athene
 logos -> mono-loog
 opportunisme vs. gefundeerd relativisme (Protagoras)
 Protagoras: er is geen kennis van de ultieme waarheid mogelijk “de dingen zijn zoals ze mij toeschijnen”
 daarom is het zo belangrijk om anderen te kunnen overtuigen
 gaat hen niet om de waarheid maar om de overtuigingskracht: rede evolueert tot rede-voering
 legitimering



SOCRATES (469-399 V.C.)

ETHISCH INTELLECTUALISME
 vs. sofisten
 sofisten zetten de betekenis van morele begrippen naar hun hand, terwijl Socrates de vraag stelde naar
de ware betekenis van die begrippen
 deugd = inzicht
 “inzicht in de ware betekenis van morele begrippen leidt tot moreel handelen”
 = de innerlijke overtuiging (het rationele weten) is ook rechtstreeks merkbaar in de uiterlijke handeling
(als we weten wat rechtvaardigheid is, kan het niet anders dan dat we ook rechtvaardig zullen handelen)
 succes vd sofisten is gebaseerd op overtuigingskracht, niet op kennis
 dia-loog
 vanuit standpunt van onwetendheid brengt Socrates zijn gesprekspartners ertoe hun eigen kennis te
articuleren
 rede-voering wordt rede-nering, de monoloog vd sofisten staat tegenover de dialoog van Socrates als
model voor het verwerven van inzicht
 ironie
 door het ophemelen van de wijsheid van anderen, geeft hij hen te kennen dat ze niet wijs zijn


SYSTEEMBROUWERS (PLATO & ARISTOTELES)


PLATO (428-347 V.C.)

CONTEXT
 aristocratische familie
 intellectuele en historisch context
• ethisch relativisme
• politieke overgangsperiode
• immoreel politiek streven
• Dionysius II
• Academie

CONTINUÏTEIT EN VERNIEUWING
 Plato vs. platonisme

,  Socratische ethiek
 verruiming en innovaties
• zielsleer
 morele goedheid komt voort uit een harmonieuze verhouding tussen 3 delen vd ziel:
1) redelijkheid
2) het ‘vurige’/‘driftige’
3) verlangen
 bij een goede verhouding geeft elk deel zijn eigen deugd:
1) verstandigheid
2) dapperheid
3) matigheid
 de harmonieuze vereniging van deze 3 deugden vormt de overkoepelende deugd:
RECHTVAARDIGHEID
• inzichtelijke
 arbitraire opvattingen (waarneembaar) zijn van een andere orde dan inzicht (kennis)
 kennis gaat over het ‘zijn’ (= het stabiele in de werkelijkheid), terwijl de mening gaat over het
‘worden’ (= de zintuigelijke, veranderlijke realiteit)
 het spectaculaire van deze vernieuwing is dat Plato voor het eerst in de geschiedenis stelt dat
kennis/wetenschap zich niet bezighoudt met het zichtbare, maar met het puur inzichtelijke
 Parmenides

MYTHOS?
“De ziel is te vergelijken met een samenvoeging van een gevleugeld span paarden en zijn menner. Bij de goden nu
zijn alle paarden en menners zowel zelf goed als van goede afkomst, bij de anderen echter zijn zij van gemengde
aard. In de eerste plaats heeft bij ons de voerman één tweespan te mennen; vervolgens is één van zijn paarden wel
mooi en edel en van edele afkomst, maar het andere is van tegenovergestelde afkomst en aard. Zo is dan ook het
wagenmennen bij ons, mensen, onvermijdelijk lastig en moeilijk.” (Phaedrus, 246a-b)

ETHIEK
 probleem van de morele opvoeding
 we doen voor de meeste disciplines beroep op experts, terwijl we voor de morele opvoeding geen
experten inschakelen?
 we delen zomaar meningen mee, zonder te kunnen aangeven waarom ze al dan niet gefundeerd zijn
 meningen en de morele opvoeding zijn dus uitermate kwetsbaar
 1 oplossing: moraliteit funderen op ware kennis
 morele staatsorde
 filosofische mensen moeten de staat besturen (want zij funderen moraliteit op ware kennis)
1) heersers (filosofen)
2) helpers (leger en politie)
3) handwerkers (landbouwers en ambachtslieden)
 deze staat is rechtvaardig wanneer iedere klasse zijn taak correct vervult
1) leiders  verstandigheid
2) helpers  dapperheid
3) handwerkers  matigheid
 de hele staatsorde is parallel met de inwendige orde van de individuele ziel
 parallel ziel – staat
 de mini-staat (binnen de mens) kan pas tot echte deugdzaamheid komen dankzij de goede orde van de
staat, de staatsorde is een voorwaarde voor de moraliteit in het individu
 kritiek
 als de staat geleid wordt door experten, dan is de gehoorzaamheid van de lagere klassen aan hun
heersers geen onderwerping
 deze onderwerping komt dan voort uit het inzicht dat dit het best mogelijke bestuur
 het probleem met Plato’s staat is niet zozeer het totalitaire regime maar wel het utopische karakter vd
heersers

EPISTEMOLOGIE

Connected book
 image
Gerd van Riel Wijsbegeerte
Publisher: oktober 2015 ISBN: 9789462700574 Edition: 2

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
August 18, 2023
Number of pages
56
Written in
2023/2024
Type
Summary
$18.99
Purchased by 56 students

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
lawstudent2003
4.3
(12)
Sold
64
Followers
40
Items
2
Last sold
8 months ago

Reviews from verified buyers




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions