III. De energetische en chemische huishouding van de cel
III.1 Energetische processen in de cel
III.1.1 ATP als energiemolecule
ATP:
o Levert energie voor biochemische reacties
o Opslag van deze chemische energie in andere vormen
Lipiden Worden afgebroken
Zetmeel Opslagmoleculen wanneer er grote
Glycogeen energievereisten zijn,
vrijgekomen energie wordt
gebruikt voor vorming ATP
o Nucleotide:
(KATABOLISME = afbraak
Opgebouwd uit:
en dan ANNABOLISME =
Adenine (purine base)
opbouw)
Ribose (suiker)
Drie fosfaatgroepen
α-fosfaatgroep veresterd met hydroxylgroep op C5
β-en γ-fosfaatgroep verbonden met α en β fosfgroep
o Werking:
γ-fosfaatgroep splitst af ADP
Hydrolytische reacties waarbij een grote, negatieve wijziging in vrije energie
van gemiddeld 7,6kcal/mol of 𝛥𝐺 = -32 kJoule/mol (min! = vrijekomen
energie)
Exorgone reacties
Eindproducten hebben een lagere vrije energie dan de
uitgansproducten
o Endergone reacties worden gekoppeld aan exergone reacties.
Energie vanuit exorgone reactie wordt gebruikt om endorgone reactie te
laten plaatsvinden
Voorbeeld:
De vorming van disacharide sucrose uit de koppeling van fructose en
glucose.
Stijging van vrije energie bij koppeling
De hydrolytische reactie van ATP waar er een fosfaatgroep
afsplitst, levert genoeg energie (want exorgone reactie, neg
vrije energie = daling in vrije energie) zodat de koppeling kan
gebeuren
Voorwaarde! Opdat de koppeling zou kunnen gebeuren
door de vrijgekomen energie van de splitsing van ATP,
moeten er wel GEMEENSCHAPPELIJKE tussenproducten
gevormd worden. Slechts dan zal de reactie gekoppeld
worden en dusdanig ook plaatsvinden.
Glucose + fructose + ATP sucrose + ADP + P (𝛥G =
-5kjoule/mol)
Glucose wordt eerst gefosforyleerd (= aanhechten
fosfaatgroep)
III.1 Energetische processen in de cel
III.1.1 ATP als energiemolecule
ATP:
o Levert energie voor biochemische reacties
o Opslag van deze chemische energie in andere vormen
Lipiden Worden afgebroken
Zetmeel Opslagmoleculen wanneer er grote
Glycogeen energievereisten zijn,
vrijgekomen energie wordt
gebruikt voor vorming ATP
o Nucleotide:
(KATABOLISME = afbraak
Opgebouwd uit:
en dan ANNABOLISME =
Adenine (purine base)
opbouw)
Ribose (suiker)
Drie fosfaatgroepen
α-fosfaatgroep veresterd met hydroxylgroep op C5
β-en γ-fosfaatgroep verbonden met α en β fosfgroep
o Werking:
γ-fosfaatgroep splitst af ADP
Hydrolytische reacties waarbij een grote, negatieve wijziging in vrije energie
van gemiddeld 7,6kcal/mol of 𝛥𝐺 = -32 kJoule/mol (min! = vrijekomen
energie)
Exorgone reacties
Eindproducten hebben een lagere vrije energie dan de
uitgansproducten
o Endergone reacties worden gekoppeld aan exergone reacties.
Energie vanuit exorgone reactie wordt gebruikt om endorgone reactie te
laten plaatsvinden
Voorbeeld:
De vorming van disacharide sucrose uit de koppeling van fructose en
glucose.
Stijging van vrije energie bij koppeling
De hydrolytische reactie van ATP waar er een fosfaatgroep
afsplitst, levert genoeg energie (want exorgone reactie, neg
vrije energie = daling in vrije energie) zodat de koppeling kan
gebeuren
Voorwaarde! Opdat de koppeling zou kunnen gebeuren
door de vrijgekomen energie van de splitsing van ATP,
moeten er wel GEMEENSCHAPPELIJKE tussenproducten
gevormd worden. Slechts dan zal de reactie gekoppeld
worden en dusdanig ook plaatsvinden.
Glucose + fructose + ATP sucrose + ADP + P (𝛥G =
-5kjoule/mol)
Glucose wordt eerst gefosforyleerd (= aanhechten
fosfaatgroep)