16.1 ALG
• Enkele verkopers & heterogene of homogene gdn
o Houden rekening met acties van concurrentie = strategische interacties
o Monop concurr & volm. Concurr → veel kopers & verkopers
• Concentratie = hoe geconcentreerd is sector
o 3 grote ON hebben 90% v/d markt → beperkt aantal ON bedienen grootste deel
markt
o = CR-3
o CR-x = marktaandeel van x aantal grootste ON (concentratieratio)
o Cola (41%) + pepsi(34%) + dr pepper (15%) → CR-3 = 90%
16.2 EVENWICHT DUOPOLIE
Duopolie = oligopolie met 2 ON
16.2.1 INTERDEPENDENTIE
→ duopolie in markt homogene gdn
• Alex & Bert (A &B) → water verkopen
o Kunnen hoeveelheid / prijs hanteren als strategische variabele
o V= Q*p
16.2.2 HOEVEELHEID = STRATEGISCHE VARIABELE
• Kartel vormen = handelen alsof ze samen 1 monopolie zijn
o Prijs & hoeveelheidsafspraken tussen ON
o Opbrengst max (door Q & P= start. Variab.)
o = coöperatief gedrag (eigenlijk verboden)
o Alex & Bert spreken hoeveelheid af die elk gaat produceren → om opbrengst te
maximaliseren & eerlijk te verdelen
• Vertrekken uit optimalisatie = samenwerking = kartel
o Niet samenwerken = meer winst voor A als hij meer produceert
o = afspraak breken
o B ziet dat A meer winst krijgt door afspraak te breken & meer te produceren
▪ B breekt afspraak ook → nieuw evenwicht = niet-coöperatief evenwicht = NASH
▪ = aanbod ↗ = overschot want aanbod > vraag → p moet ↘
• Nash Evenwicht
o = beste strategie rekening houdend met strategie van andere ON
o Keuze van A = optimaal bij een gegeven keuze van B & omgekeerd
o = eig slechter dan bij kartel MAAR elke ON handelt in EB
,• Extra ON erbij → Charlotte & Dennis (C & D) (hebben waterbron gevonden)
o Kartel: iedereen produceert evenveel Q(A) = Q(B) = Q(C) = Q(D) → winstmax
▪ Verdeling kan ook verschillen → akkoord bereiken erover = moeilijker bij grotere
groep
▪ Grotere groep → waarschijnlijk kiezen voor niet-coöperatieve oplossing
o Verleiding om meer te produceren (meer winst voor zichzelf) = groot = EB!
▪ Hoe meer ON = hoe groter concurrentiedwang
▪ Kiezen voor géén kartel
▪ Output-effect: opbr↗ door meer VK want p> MC → winst ↗
▪ Prijseffect: p ↘ = opbr↘ (door aanbodoverschot)
o Extra productie = winst ↗ als output-effect > prijseffect
o Meer ON → prijseffect kleiner (kleine ON = kleine impact op p)
o Grote oligopolies → output-effect =!!! → Q verhogen tot zolang p > MC
▪ Groot oligopolie (veel ON) handelt als groep competitieve ON
16.2.3 PRIJS = STRATEGISCHE VARIABELE
• Als Alex zijn prijs laat ↗ → consumenten gaan kopen bij Bert
o B slorpt +/- hele markt op
• Alex laat zijn prijs dalen → Bert doet dat ook om klanten te behouden → markt wordt kleiner
o Bij beide daalt de TR
o Vraag van A = elastisch bij p verhoging
o Vraag van A = inelastisch bij p- verlaging
• TR daalt bij p ↗ & bij p ↘
o Sticky prices
o Niet-prijs competitie: ipv prijs gebruiken → vriendelijkheid, service…
16.3 SPELTHEORIE ALG
→ John Nash → Nobelprijs 1994
= rekening houden met reactie andere ON op een verandering in factor door jou
16.3.1 PRSIONER’S DILEMMA
• 2 medeplichtigen → apart verhoren = geen samenwerking mogelijk
• 3 opties:
o Als 1v/d 2 bekent = 1ste = vrij & andere = 20j cel
o Als beide ontkennen = elk 1 j
o Als beide bekennen = elk 8 j
• Pay-off matrix
o = welke keuze = meest positief voor A als hij weet wat B doet & omgekeerd
o Keuze x = zoveel jaar in cel; keuze y=….
, • Als B denkt dat A zal bekennen → B bekent → 8j ipv 20j
• Als B denkt dat A zal ontkennen → B bekent → vrij ipv 1j
o Bekennen= dominante strategie voor B & omgekeerd ook voor A
o Zo bij elke situatie
o = Nash evenwicht
16.3.2 NASH EVENWICHT
• Bekennen = dominante strategie voor A & voor B
o Nash evenwicht = (beken, beken)
o Strategie B = optimaal gegeven strategie A & omgekeerd
o Niemand heeft incentive (drang) om andere strategie te nemen
• Prisoner’s dilemma:
o Nash evenwicht ≠ altijd pareto-efficiënt/optimaal
o Samenwerken = individueel irrationeel ookal is het in ieders belang
▪ Als ze hadden samen gewerkt = beide ontkent → beide 1j ipv 8j
▪ MAAR samenwerking was onmogelijk: toch apart & in functie van de ander zijn keuze
16.3.3 TOEGEPAST OP OLIGOPOLIE
• 2 olieproducenten (land X & land Y) : afspraak= aanbod laag & p hoog → winst = hoog
o Als iedereen zich eraan houdt → winst = 50mld
o Als niemand zich eraan houdt → winst= 40 mld
o Als X afspraak breekt → winst (X) = 60 mld en andere 30 mld
• Als X afspraak breekt & kiest voor hoge productie
o Y kiest ook best voor hoge productie (blijft niet achter)
• Als X zich houdt aan afspraak
o Y kiest toch best voor hoge productie → meer winst = EB
o Hoge productie = dominante strategie voor Y
• Omgekeerd ook: hoge productie = dominante strategie voor X
o = Nash-evenwicht ≠ optimaal/pareto-efficiënt
16.3.4 TOEGEPAST OP VB WATERVK
• 1 Nash evenwicht
o = beste alternatief naast samenwerken (beide Q=30 = coöperatief evenwicht)
o Beide Q=40 bij gegeven p = niet-coöperatief evenwicht