Definities:
Temperament = Verwijst naar eigenschappen die reeds vroeg in de ontwikkeling observeerbaar
zijn en een sterkte genetische of neurobiologische basis hebben.
Big five
Persoonlijkheid = verwijst meer naar de neiging van mensen om zich te gedragen, te denken, en
te voelen op bepaalde consequente manieren
Temperamentmodellen:
Thomas en Chess
Gedragsstijl benadering: hoe van het gedrag en de interactie met omgeving
Drie temperamenten: makkelijke baby, moeilijke baby en langzame warmlopers
Goodness of fit: temperament van het kind sluit bij bij opvoedstijl van ouders
Buss en Plomin
Criteriumbenadering
Veranderden model van Thomas en Chess --> Temperament kaderen als
ontwikkelingsvoorloper van de volwassen persoonlijkheid: emotionaliteit, activiteit Meeste persoonlijkheidsstoornissen worden
en sociabiliteit gekenmerkt door een hoog neuroticisme en een lage
vriendelijkheid (altruïsme). Extraversie en
Rothbart
consciëntieusheid voorspelden differentieel
Psycho biologische benadering specifieke persoonlijkheidsstoornissen.
Verschillen in reactiviteit en zelfregulering: drie dimensies: approache (benadering)
temperament, avoid (vermijdend) temperament en effortful control temperamen
Conceptuele relaties tussen persoonlijkheid en psychopathologie
Kwetsbaarheidhypothese: stelt dat bepaalde persoonlijkheidstrekken een kwetsbaarheid weerspiegelen om bepaalde
symptomen te ontwikkelen onder invloed van specifieke stressoren. Deze richting van causaal verband kan echter ook
omgekeerd zijn: dat mentale stoornis invloed heeft op persoonlijkheid
Complicatiehypothese: gaat verder op dit effect en stelt dat langdurige psychopathologie tijdelijke veranderingen in de
persoonlijkheid veroorzaakt.
Littekenhypothese: wanneer er sprake is van permanente persoonlijkheidsverandering als gevolg van mentale stoornis.
Pathoplastiehypothese: gaat ervan uit dat bepaalde persoonlijkheidstrekken een specifieke inkleuring kunnen geven aan
emotionele en gedragsproblemen, zonder dat de persoonlijkheid rechtstreeks oorzaak is van de stoornis
Spectrumhypothese: stelt geen unidirectionele relatie tussen persoonlijkheid en psychopathologie. Genetische-biologische
onderliggende factoren hier. Voor deze is meest overtuigende bewijs gevonden
Continuïteitshypothese: een variant op spectrumhypothese maar maakt geen aanname omtrent een gemeenschappelijke
onderliggende oorzaak
Veerkrachthypothese: persoonlijk kan beschermen (buffer)
Ontstaan valse epidemiën Dimensioneel
Categorisch Medicalisering van Empirisch-statisch
Klinisch-psychiatrisch normalitiet Gradaties
Alles of niets Bij nieuwe stoornis: Bottom- up
Top-down onvoldoende gedragsvragenlijsten
Beschrijvend wetenschppelijke
onderbouwing
, Probleem 1 ‘Temperament & persoonlijkheid’
Bordeline persoonlijkheidsstoornis:
Kernsymptomen Bijkomend Comorbiditeit
Impulsiviteit Emotie regulatie Dysthyme stoornis
Problematische sociale Identiteitsstoornis Depressie
relatie Suïcidale gedragingen Paniek stoornis
Verlatingsangst of automutilatie Sociale fobie
Verhoogd zelfvertrouwen PTSS
Chronisch gevoel van leegte
, Probleem 2 'ADHD'’
Drie typen ADHD: Problemen op drie gebieden:
1. ADHD-I (inattention) Aandacht te kort
Aandachtstoornis is dominant Hyperactiviteit
Vaker meisjes Impulsiviteit
2. ADHD-HI (hyperactiviteit+impulsiviteit)
Voorloper van ADHD-C
3. ADHD-C (gecombineerde type)
Gecombineerde vorm van ADHD
Vijf algemene voorwaarden waar kind aan moet voldoen om geclassificeerd te worden:
1. Symptomen moeten voor 12e levensjaar beginnen
2. Symptomen moeten minimaal 6 maanden aanwezig zijn
3. Symptomen mogen niet passend bij ontwikkelingsniveau
4. Symptomen moeten het kind belemmeren bij sociaal functioneren en in het dagelijks levens
5. De symptomen moeten in meerdere situaties aanwezig zijn
Triple pathway model: Het indiceert dat verschillende risico-genen, die
mogelijk interacteren met prenatale of perinatale invloeden,
hersenafwijkingen/brein abnormaliteiten veroorzaken en gecorreleerd zijn
met neuropsychologische beperkingen.
Betrokken hersengebieden
Het globale hersenvolume en specifieke hersenstructuren (zoals de rechter orbitofrontale cortex, de nucleus caudatus en het
cerebellum) vertonen een kleiner volume bij kinderen met ADHD. Verminderde activiteit in hersengebieden die planning en
inhibitie, gerichte en volgehouden aandacht reguleren
Cerebellum
Prefrontale cortex
Basale ganglia
Stratium
Barkley’s model
Centrale rol reactie inhibitie bij gebied van hyperactiviteit-impulsiviteit. Gedragsmatige inhibitie
omvat drie processen:
(1) inhibitie van een prepotente respons,
(2) stoppen van een aan de gang zijnde respons
(3) interferentie-controle
Theorie van toestand regulatie van arousal
Het aanpassen van niveau van energie (opkrikken of dempen) in de richting van de juiste toestand
voor een situatie is lastig voor kinderen met ADHD
De taak is activerend: relatief weinig problemen
De taak is saai/traag: slechtere prestaties