Aard variabiliteit
- Interindividuele verschillen: verschillen tussen mensen
- Intra-individuele verschillen: verschillen binnen mensen
Elk onderzoek kijkt naar verschillen, want zonder verschil is er niks om een uitspraak over te
doen. Dus variabiliteit is in elk onderzoek van belang.
Centrale tendency
Mean, mediaan, modus een centrummaat die representatief is.
In zulke formules zie je vaak: ∑𝑛𝑖=1. i geeft in dit geval aan dat je vanaf de eerste persoon moet
tellen, en n geeft het totaal aan. Hier staat dus tel alles op vanaf de eerste persoon tot het
totaal.
Waarom gebruiken we N en niet N-1
In dit blok hebben we het alleen over steekproeven. In een populatie gebruik je N-1 omdat je
corrigeert voor het schatten op basis van je steekproef.
Variabiliteit: s2 en s
Geven de mate van verschil aan en is afhankelijk van de schaal.
Eigenschappen:
- Nooit onder de 0, dit komt omdat je bij het berekenen kwadrateert.
- Zegt niks over magnitude
- Kan alleen geïnterpreteerd worden in een context of bij een vergelijking (de mate is
namelijk afhankelijk van de schaal)
- Je gebruikt het vooral om andere mate te ondersteunen (bv. correlatie,
betrouwbaarheid).
Verdeling
- Normaal: symmetrisch, mediaan = gemiddelde, oppervlak = 1
- Skewed rechts: veel lage scores en weinig hoge scores; tail rechts, positief, mean >
mediaan.
Gemiddelde gaat richting tail!!
- Uniform: alle kansen zijn gelijk (verticale lijn), surface = 1
Associaties: cxy en rxy
Een sterke associatie betekent consistente individuele verschillen!
cxy = covariantie (zie formuleblad 3.4 voor berekening)
Eigenschappen:
- Geeft info over de richting maar niet over de grootte
- Covariantie van een variabel met zichzelf is gelijk aan de variantie (c xx = Sx2 )
- Is de covariantie positief dan is de samenhang positief