Week 2B: Bewijsrecht
Opdracht 1: De zaak Bonifatius/Radboud
Hieronder is een vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden opgenomen. Vanwege de
gefaseerde invoering van KEI zijn er nog (bijna) geen gepubliceerde vonnissen in
vorderingsprocedures, vandaar nog dit vonnis in een dagvaardingsprocedure.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
AFDELING PRIVAATRECHT
LOCATIE LEEUWARDEN
Zaak/rolnummer 584832/13-5947
Vonnis d.d. 22 januari 2014
De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Woningbouwvereniging “Bonifatius”,
gevestigd en kantoorhoudende te Dokkum,
eiseres, bij dagvaarding van 12 augustus 2013,
verder te noemen Bonifatius,
gemachtigde W. Clemens,
tegen
Koning Radboud,
wonende te Dokkum,
gedaagde,
verder te noemen Radboud,
gemachtigde mr. F.C.J.M. van Sorge.
1. Het verloop van de procedure
Bij dagvaarding heeft Bonifatius gevorderd dat het de kantonrechter
behage, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst met
Radboud te ontbinden met veroordeling tot ontruiming van het gehuurde.
Radboud heeft onder overlegging van producties geconcludeerd voor
antwoord, strekkende tot afwijzing van de vorderingen.
Bonifatius heeft vervolgens, onder overlegging van producties
gerepliceerd en Radboud heeft gedupliceerd.
2. De vaststaande feiten
2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet
langer weersproken – alsmede blijkens de overgelegde en niet
betwiste bescheiden – staat het volgende vast:
1
,2.2 Radboud heeft van Bonifatius gehuurd de onroerende zaak met
aanhorigheden, staande en gelegen te Dokkum, Liudgerleane 10.
2.3 Deze overeenkomst is schriftelijk vastgelegd en een huurreglement
maakt daarvan deel uit.
3. De stellingen van partijen
3.1 Bonifatius stelt dat Radboud in strijd met het huurreglement (met
name art. 4 leden 2 en 3) deze woning niet zelf bewoont, maar aan
een derde, die niet tot Radbouds gezinshuishouding behoort, te
weten mevrouw Fridwulfa, in gebruik heeft afgestaan.
3.2 Radboud betwist de stellingen van Bonifatius gemotiveerd. Hij
stelt dat hij de onderhavige woning nog steeds zelf bewoont.
Mevrouw Fridwulfa is een goede vriendin, die in Bergen woont en
regelmatig bij hem logeert.
4. Beoordeling
Gelet op de gemotiveerde betwisting door Radboud van de stellingen van
Bonifatius zal Bonifatius tot het bewijs van haar stellingen worden
toegelaten.
5. Beslissing
De kantonrechter:
Alvorens verder te beslissen:
Laat Bonifatius toe, door alle middelen rechtens en speciaal door
getuigen, te bewijzen: dat Radboud de onderhavige woning niet meer
zelf bewoont, maar aan mevrouw Fridwulfa, die niet tot zijn
gezinshuishouding behoort, in gebruik heeft afgestaan.
Verwijst de zaak naar de terechtzitting van 3 september 2014 te 10.00
uur, opdat Bonifatius zich erover kan uitlaten of zij dit bewijs kan
opbrengen en zo ja, indien zulks door getuigen dient te geschieden,
hoeveel getuigen zij dan wenst voor te brengen, waarna een datum voor
het getuigenverhoor zal worden bepaald.
Aldus gewezen door de kantonrechter mr. D. Salomons en in het openbaar
uitgesproken op 12 augustus 2014.
2
,1. Stellen 2. Betwisten 3. Bewijzen
Beantwoord aan de hand van dit vonnis de volgende vragen.
1. Op welke grond zijn de feiten die onder r.o. 2.2-2.3 van het vonnis worden genoemd,
komen vast te staan? Noem het wetsartikel uit het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering waarop deze overwegingen zijn gebaseerd.
Dit zijn vaststaande feiten (bewezen), en deze feiten zijn niet betwist. Dit is gebaseerd op
art. 149 lid 1 Rv (2e volzin). Hiermee kun je een waarheid creëren die niet bestaat. Bijv:
een man zegt dat zijn vrouw bij volle maan op haar bezemsteel stapt en wegvliegt, en zijn
vrouw betwist dit niet, dan is dit een vaststaand feit. De rechter gaat dus niet zelf actief
op zoek naar de waarheid. Daarom mag de rechter ook niet googelen bijvoorbeeld. Dat
doen ze wel, maar mogen ze niet laten blijken. In sommige gevallen mogen
omstandigheden van algemene bekendheid wel gegoogeld worden.
Aantekeningen les:
Hoofdregel van bewijsrecht: zie art. 149 lid 1, 1e volzin zin.
- Feiten zijn bewezen
- Feiten zijn op andere wijze komen vast te staan
1. Niet betwiste feiten, tenzij: rechtsgevolgen niet ter vrije bepaling van partijen (art.
149 lid 1, 2e volzin)
a) gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv), verstek (art. 139 Rv)
b) geen/niet voldoende gemotiveerd verweer
c) referte
2. Feiten van algemene bekendheid/algemene ervaringsregels
3. Objectieve recht
2a. Waarom moet Bonifatius – en niet Radboud – haar stellingen bewijzen? Noem ook hier
het wetsartikel waarop deze beslissing is gebaseerd.
De hoofdregel is: ‘wie stelt moet bewijzen’. De partij moet de feiten bewijzen, welke hij
heeft gesteld en heeft moeten stellen om de door hem beoogde rechtsgevolg in te kunnen
roepen, art. 150 Rv.
Bonifatius wil de huurovereenkomst beëindigen en de woning laten ontruimen en stelt als
reden daarvoor dat Radboud in strijd met het huurreglement de woning niet zelf bewoont.
Bonifatius moet dan bewijzen dat Radboud er niet zelf in woont.
De feiten die leiden tot de ingeroepen rechtsgevolgen moeten bewezen worden. De partij
die zich op deze rechtsgevolgen beroept (Bonifatius), moet deze feiten:
1 – Stellen, tenzij het gaat om feiten van algemene bekendheid (art. 149 lid 2 Rv)
2 – Bewijzen (art. 150 Rv), tenzij de gestelde feiten niet of niet voldoende zijn betwist
(art. 149 lid 1 Rv)
Tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere
verdeling van de bewijslast voortvloeit (art. 150 Rv). Bijv. omkering van de bewijslast,
wettelijke of rechterlijke vermoedens.
3
, Als je kijkt naar art. 6:265 BW (huur), dan kun je opmaken dat moet stellen/bewijzen:
- Bonifatius: de tekortkoming in de nakoming
- Radboud: de tenzij-clausule, hij moet aangeven dat de tekortkoming de ontbinding niet
rechtvaardigt.
Waarom hoeft Radboud niet te stellen of bewijzen? Hij beroept zich niet op bepaalde
rechtsgevolgen, hij verdedigt zich alleen maar.
Aantekeningen les:
Stelplicht – De eiser moet alle feiten stellen die nodig zijn om het rechtsgevolg dat hij wil
bereiken, in te roepen.
Materiële wet geeft aan wie de bewijslast draagt.
Expliciet:
art. 2:138 lid 3 BW: De bestuurder die bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door
het bestuur niet aan hem is te wijten, is niet aansprakelijk.
Impliciet:
- Een bijzin begint met het woordje ‘tenzij’
art. 6:74 BW: Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de
schuldenaar tot vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade, tenzij de
tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
- (Weerlegbaar) wettelijk vermoeden
art. 3:119 BW: De bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn.
Arrest: Ongeval St. Oedenrode, r.o. 3.2.
2b. Betekent dit nu dat eiser altijd de bewijslast krijgt?
Nee, niet altijd. Want:
Tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere
verdeling van de bewijslast voortvloeit (art. 150 Rv). Bijv. omkering van de bewijslast
(art. 50 Rv), wettelijke of rechterlijke vermoedens.
Aantekeningen les:
Bevrijdend verweer (of: ‘ja, maar…’ –verweer):
Gedaagde betwist niet de stellingen van eiser, maar het ingeroepen rechtsgevolg
gedaagde moet dan hard bewijs leveren van de feiten die hij moet stellen om dat
rechtsgevolg in leven te roepen.
4